Bericht van NRC-Handelsblad, door Paul Luttikhuis, 31 juli 2008

De Bilt, 31 juli. De gemiddelde temperatuur stijgt in Nederland ruim twee keer sneller dan wereldwijd. Dat is de belangrijkste conclusie van het klimaatrapport dat het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) vanmiddag heeft gepresenteerd.
 

In het vorige rapport, vijf jaar geleden, werd nog gesteld dat de reeks van opvallend warme jaren toeval zou kunnen zijn. Maar de opwarming heeft zich onverminderd voortgezet. Alle jaren na 2003 zijn warmer geweest dan het langjarig Nederlands gemiddelde van 9,8 graden Celsius. De jaren 2006 en 2007 waren de warmste met een gemiddelde temperatuur van 11,2 graden Celsius. De kans dat de temperatuur zoveel jaren achtereen toevallig veel hoger ligt dan gemiddeld is volgens de onderzoekers van het KNMI heel klein.


Een andere opvallende conclusie van het rapport is dat de nazomers in Nederland vooral aan de kust veel natter worden. Dat hangt, aldus de onderzoekers, samen met de stijgende temperatuur van het Noordzeewater. Verder concludeert het KNMI dat extreme windsituaties minder vaak voorkomen. De variatie in wind en neerslag is door de jaren heen vrij groot, waardoor daarover weinig met zekerheid is te zeggen. Zo was het voorjaar van 2007 weliswaar uitzonderlijk droog, maar onduidelijk is of hier sprake is van een structurele verandering.
 

Het KNMI-rapport is volledig gebaseerd op de meetgegevens van de afgelopen jaren. Er is niet of nauwelijks gewerkt met de bestaande klimaatmodellen, die over het algemeen nog veel onzekerheden bevatten. De samensteller van het rapport, Geert Jan van Oldenborgh, vindt dat een van de opvallendste veranderingen van de afgelopen jaren. „De effecten van klimaatverandering zijn nu zichtbaar”, aldus Van Oldenborgh. Ze komen terug in de metingen.

Volgens Hein Haak, directeur klimaat en seismologie van het KNMI, is het rapport een beschrijving van de metingen van de afgelopen vijf jaar. „Die metingen kunnen worden ingebed in de huidige klimaatmodellen”, aldus Haak, waardoor die modellen kunnen worden verfijnd.

Het rapport zal een rol gaan spelen in toekomstig overheidsbeleid, denkt Haak. „Wij identificeren de veranderingen en kwantificeren ze.” Met de informatie uit het rapport kunnen beleidsmakers beter inspelen op veranderingen in het klimaat. Dat kan gaan om het Nationaal hitteplan, dat na de hittegolf van 2006 werd ontwikkeld om te voorkomen dat er bij warme zomers onnodig veel doden vallen. Maar ook over de vraag hoe de riolering moet worden aangepast aan de veranderde weersgesteldheid.

Het volledige rapport kunt u hier downloaden.

Karel Knip, redacteur van NRC-Handelsblad, schreef twee later in de editie van 16 augustus 2008 het volgende artikel.
Klimaatmodel gaat nat
rekenmodel kan regenval niet voorspellen

Nederland warmt snel op. De regering maakt zich nu zorgen over de waterafvoer, maar of het natter wordt is onzeker.

Twee weken gelden verscheen het nieuwste klimaatrapport van het KNMI en het is niet onopgemerkt gebleven. Nederland warmt twee keer zo snel op als de rest van de wereld gemiddeld doet. Staatssecretaris Huizinga, die het rapport ontving, luidde gelijk weer de noodklok.

We staan voor een grote uitdaging en ingrijpende keuzes. De lokale opwarming heeft consequenties voor regenval, voor het waterpeil in de rivieren en het grondwater.

Vooral het water zit de staatssecretaris hoog. Ze installeerde vorig jaar een nieuwe Deltacommissie die op 3 september in een rapport moet laten zien hoe Nederland zich op extreme scenario’s kan voorbereiden. En later dit jaar wordt ook nog een Nationaal Waterplan gepresenteerd.

Dat de temperatuurstijging in Nederland sinds 1950 twee keer zo hoog was als gemiddeld voor de hele wereld is onaangenaam voor Nederland, maar is au fond niets bijzonders. Het zou een wonder zijn als het overal op aarde even snel opwarmde. De tropen en de oceanen blijven wat achter op het gemiddelde en de polen lopen voor.

Dat ‘gemiddelde’ voor de hele aarde wordt door twee onafhankelijk werkende onderzoeksgroepen (een Amerikaanse en een Engelse) uit dezelfde waarnemingen berekend. De gerenommeerde klimaatmodellen die voor het ‘voorspellen’ van het komend klimaat gebruikt worden kunnen het mondiale temperatuurverloop tussen 1950 en 2000 heel behoorlijk reconstrueren. Daarop berust ook het vertrouwen in die modellen.

Pijnlijk dat het KNMI moest melden dat geen enkel gerenommeerd klimaatmodel de snelle opwarming in Nederland en een flink deel van Europa tussen 1950 en 2000 behoorlijk kon nabootsen. En de extra opwarming is zo groot dat statistisch overtuigend valt te bewijzen dat hij niet aan natuurlijke klimaatvariatie kan worden toegeschreven. Daaruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de modellen nog belangrijke tekorten hebben.

De kwestie wordt in het KNMI-rapport (www.knmi.nl) besproken in het hoofdstuk ‘Nederland warmt sneller op dan verwacht’. Het is een leesbare versie van een wetenschappelijk artikel dat binnenkort verschijnt. Daarin worden verschillende verklaringen geopperd voor de discrepantie tussen model en praktijk: circulatiepatronen zijn veranderd, de opwarming van de Atlantische oceaan is onderschat en Frankrijk droogt ’s zomers zó uit dat onze zuidenwind warmer en droger is dan vroeger. Dat scheelt ook in bewolking.

De vraag die ook staatssecretaris Huizinga, die zich zo over het water bekommert, moet bezig houden is: hoe ontwikkelde de neerslag in Nederland zich de afgelopen halve eeuw ten opzichte van de berekeningen die de klimaatmodellen daarvoor maakten.

Of liever gezegd: hoe zit het met het verschil van neerslag en verdamping, dus het neerslagtekort of -overschot, want dat is praktisch van belang.

Klopte dat wèl met de modellen of ook niet? Een expliciete beschouwing daarover ontbrak in het rapport.

“Er valt weinig met zekerheid over te zeggen”, zegt Sybren Drijfhout (een de van de auteurs van de studie), “de trends in neerslag zijn te klein om ze te kunnen onderscheiden van de natuurlijke variatie. Neerslag is van nature al een grillig fenomeen en hoe kleiner het gebied dat je observeert, hoe ongunstiger de signaal-ruis verhouding .”

Het blijkt dat het voor kleine gebieden als de toevloeiingsgebieden van Rijn en Maas nog een paar decennia kan duren voor het signaal (de trend) door de ruis heen klinkt. Wel is voor Nederland duidelijk aangetoond dat de hoeveelheid neerslag in de kustgebieden toeneemt. De warmer wordende Noordzee is daarvoor waarschijnlijk de verklaring. Ook blijkt de totale neerslag in Nederland de afgelopen eeuw met zo’n 13 procent te zijn toegenomen. Maar of de ontwikkelingen van de afgelopen decennia wel of niet significant afwijken van modelberekeningen, dat is onbekend.

Het is een verontrustende mededeling.

Het betekent dat op regionaal niveau de betrouwbaarheid van de klimaatmodellen in het voorspellen van veranderingen in neerslagoverschot of -tekort nauwelijks is te toetsen. Er is dus nog helemaal niet zoveel zekerheid over hetgeen er staat te gebeuren in het stroomgebied van Rijn en Maas. Het rapport dat Rijkswaterstaat vorig jaar publiceerde over de relatie tussen klimaatverandering en de afvoer van Rijn en Maas opperde allerlei onaangename ontwikkelingen als mogelijkheid – de afvoer in de winter gaat misschien wel groter worden, die in de zomer juist kleiner – maar bij nader inzien is de notitie dat er ‘nog grote onzekerheden’ zijn zeker zo interessant.

Een basaal vertrouwen in de kracht van klimaatmodellen kan komen van een artikel dat de Duitse onderzoekers Jonas Bhend en Hans von Storch, verbonden aan het instituut voor kustonderzoek in Geesthacht, publiceerden in Climate Dynamics (online 4 december 2007). Zij vergeleken het ruimtelijk patroon waarin de winterneerslag van Noord-Europa (Scandinavië, Baltische staten) tussen 1960 en 1990 op aarde viel met wat vier klimaatmodellen voor dat interval aanwezen en vonden bevredigende overeenstemming .

Daar staat weer tegenover dat er aan de afvoer van Maas en Rijn ondanks alle verontrustende mededelingen daarover tot op heden niets bijzonders te zien is. Noch in de gemiddelde noch in de maximale afvoer van Rijn of Maas treedt een verontrustende trend op (langjarige statistiek op www.waterstat.nl). De extreme afvoeren die zich een paar jaar geleden voordeden passen zo te zien volkomen in de natuurlijke variabiliteit.

Ook met de zee loopt het zo’n vaart niet. De zeespiegel stijgt, maar hij stijgt al zeker 150 jaar en sinds 1930 gaat dat in een heel constant tempo.

Het laatste IPCC -rapport (van 2007) kan geen grafieken laten zien waaruit een versneld tempo valt af te leiden.

Het IPCC heeft in de loop van de jaren zijn verwachtingen voor toekomstige zeespiegelstijging steeds verder naar beneden bijgesteld en maakte in het laatste rapport opnieuw een krachtig voorbehoud: het is nog steeds niet goed bekend hoe Groenland en Antarctica reageren. Wel lijken de veranderingen er zeer verontrustend.

Voorlopig stijgt de zeespiegel in haar vooroorlogse tempo. Daarbij kan het extra geruststellend zijn te weten dat er steeds minder stormen voorkomen in Nederland. ‘Sinds 1962 neemt het aantal periodes met sterke wind af’, noteert het KNMI-rapport stijfjes. De plotselinge angst voor het water die zoveel Nederlanders in zijn greep heeft gekregen is dan ook niet zo goed te begrijpen. Maar misschien dat het NationaalWaterplan daar een verklaring voor heeft.