De gang van het leenwoord

H.J. ; H.J. is hoogleraar taalkunde aan de Universiteit Utrecht

NICOLINE VAN DER SIJS: Leenwoordenboek. De invloed van andere talen op het Nederlands

XXIII+ 921 blz., Sdu Uitgeverij/Standaard Uitgeverij 1996, f. 125,-

De discussie (= Frans, d.w.z. ontleend aan het Frans) over vreemde woorden in het Nederlands loopt soms opmerkelijk parallel met die over allochtonen (= Grieks). Tegenstanders van wat vreemd is, willen het volkseigene veilig stellen (= Duits), terwijl anderen hierin wat soepeler zijn. Personen (= Latijn) die zich tegen vreemdelingen (= Duits) keren, hebben meestal wel in de gaten dat er een marge (= Frans) is waarbinnen hun afkeer sociaal gesproken nog kan worden vorm (= Latijn) gegeven. Ze dempen hun echte gevoel wat af en tunen (= Engels) in op een maatschappelijk aanvaarde bandbreedte. De bredere bandbreedte die een discussie over vreemde woorden en het daarmee samenhangende gevoel van taalverval biedt, is een mogelijke uitwijkplaats. Mede daarom is inzicht gewenst in wat leenwoorden (= Duits) zijn en wat ze doen.

De bovenstaande alinea maakt duidelijk dat wij veel woorden te danken hebben aan andere talen en voor de leesbaarheid heb ik niet eens alle woorden gemarkeerd. De genoemde donortalen hebben op hun beurt weer fors geleend, met als kampioen-lener het Engels. Talen bestaan niet zonder leentjebuur te spelen. Dit geldt ook voor het Nederlands.

Het woord tunen klinkt Engels. Iedereen is daarom geneigd om tunen een Engels woord te noemen, maar dat is het niet. In het Engels bestaat tunen (uitgesproken als 'tjoenen') niet, net zo min als intunen op; je hebt wel to tune en to attune. Wij hebben tunen, omdat het Nederlands een grammaticaregel heeft die bepaalt dat de infinitiefvorm van een werkwoord op -(e)n eindigt. Daaruit volgt het bestaan van vormen als tunede en getuned. Ook hier werkt een regel: de verleden tijd van tunen is niet tien, zoals riep de verleden tijd van roepen is. Aan de ongeveer 160 onregelmatige werkwoorden die we hebben, worden geen nieuwe meer toegevoegd. Integendeel, de groep wordt kleiner: woei is bij velen al waaide geworden, en raadde is bezig ried te verdringen. Nieuwe werkwoorden worden zwak vervoegd: tunen krijgt tuned en niet tunete, omdat de bekende kofschipregel ook werkt voor nieuwkomers.

Nu zal men zeggen: die -en is dan wel Nederlands, maar het belangrijkste deel van het woord is toch Engels. Tja, het is wat men belangrijk vindt. Uit het Nederlands als taalsysteem gezien is de Engelse stam tune betrekkelijk onbelangrijk, een dummy zogezegd. Iedereen weet dat kast een de-woord is: we zeggen de kast, maar toch is het het kastje, omdat de uitgang -je als deel van een zelfstandignaamwoord het vereist. Ofwel kast verliest het in belangrijkheid van -je als het gaat om de keuze van het lidwoord. Uitgangen doen er blijkbaar toe in het taalsysteem. Stammen worden er aangeplakt en passen zich aan, soms zichtbaarder dan bij kast. Zo verliest jongen van de jongen de -n in het jongetje. Met enig geluk wordt de stam tune vernederlandst tot tjoen-, zodat het tjoenen wordt. Dat kán, wat het taalsysteem betreft, omdat we tjokvol, tjonge en zelfs tjoepen ('een beweging bliksemsnel uitvoeren') hebben. Wie het (overigens vreselijke) woord tunetje - in de zin van 'kleine tune' - wil vormen, weet automatisch dat het het leuke tunetje moet zijn. Wie op deze plek verontwaardiging voelt over taalvervuiling, vervange tune in het bovenstaande door baby.

Klanksysteem

Het uitspreken van tunen veroorzaakt veel minder problemen dan het opschrijven ervan. Ons klanksysteem zit heel anders in elkaar dan ons schriftsysteem. De twee systemen zitten elkaar vaak lelijk in de weg, zoals de huidige ellende met de officiële spelling laat zien. Het schriftsysteem maakt het bestaan voor de nieuwkomer tunen heel lastig en dat geldt zeker voor tunetje (uitgesproken als kapoentje en niet als haarnetje). Als ze er niet in slagen om hun stam in het schrift bevorderd te krijgen tot tjoen-, maken tunen en tunetje weinig kans op inburgering en zullen ze op een gegeven moment wel weer verdwijnen.

Er zijn ook vreemdelingen waar we wel om verlegen blijven zitten, zoals meloen of vork of veinzen of kluts omdat we die laatste af en toe kwijt zijn, vooral bij discussies over taal. Het gezond verstand zegt dat deze binnenkomers blijkbaar met rust zijn gelaten, zodat ze zich konden aanpassen: meloen kwam als melon binnen en kreeg een wat Nederlandser oe-klank, net zoals vork (= fork), paleis (= palais) en kluts (= clutch) werden aangepast, eerst in het klanksysteem en daarna in het schrift. Een nog gezonder verstand zou zeggen dat woorden zo min mogelijk moeten worden vastgespijkerd op hun oorspronkelijke vorm omdat de vernederlandsing eerder tegenhoudt dan bevordert. Vanwaar de zucht om taalvormen bij wet vast te leggen en aan ons opleggen? We laten ons toch ook niet opleggen wat we zien en horen, of hoe we ons dingen moeten herinneren? Taal laat zich niet goed bij wet regelen zolang de taalregels in ons hoofd zitten.

Stel dat er vanaf het begin van ons Nederlands voortdurend Nuisen hadden rondgelopen die in de wet hadden vastgelegd hoe je woorden moet schrijven. Neem het volgende rijtje woorden: duin, molenaar, man, lelie, den, ruiter, rad, kamer, wolf, leeuw, beuk, muur. Nederlandser kan bijna niet, zou je zeggen. Toch is elk tweede woord in het rijtje een leenwoord, want aantoonbaar afkomstig uit een andere taal, in dit geval het Latijn. Elk eerste woord bestond (zij het in een andere vorm) al voordat de Romeinen hier een paar honderd jaar lang de baas waren, maar toen werd hier nog geen Nederlands gesproken. De leenwoorden zouden er geheel anders hebben uitgezien onder een Lex Nuis. We zouden dan misschien nu molinarius zeggen, of rutaris (= ru(p)tarius) of camera en ze even Nederlands vinden als notaris.

Het spreekt vanzelf dat de Bataven en andere Germanen onder het Romeinse bewind woorden uit het Latijn overnamen, want zij leerden metselen en bouwen van de Romeinen. Deze vorm van ontlening vond plaats op nog andere terreinen van het leven: leo werd leeuw en lilium werd lelie. Op dezelfde wijze werd floppy disk in de afgelopen twintig jaren disket of diskette, of flop en werd al eerder het Engelse brig aangepast tot brik, cutter tot kotter, capsize tot kapseizen en railing tot reling. In de laatste vier gevallen gaat het over woorden die in de achttiende en negentiende eeuw de Noordzee overstaken en die zich hebben aangepast aan uitspraak- en spellingregels.

Betrekkelijk ongeschonden

Dat woorden als doctor, amanuensis, notaris, professor, etc. zoveel vreemder aandoen dan de ook uit het Latijn afkomstige woorden molenaar en leeuw is te wijten of te danken aan het feit dat vanaf de zeventiende eeuw veel meer zaken dan voorheen op schrift werden vastgelegd. Deze woorden werden meestal door hogere sociale kringen gebruikt. Door het bijbehorend gezag - onderwijs, godsdienst en wetgeving - zijn ze betrekkelijk ongeschonden gebleven, dat wil zeggen gevrijwaard van vernederlandsing. Ironisch genoeg werkt het vastleggen van de vorm van vreemde woorden conserverend: hoe vrijer het spel van de krachten van het taalsysteem zelf, des te eerder is een woord vernederlandst.

Ik haal de bovenstaande gegevens en hun implicaties uit Leenwoordenboek van Nicoline van der Sijs, dat degenen die allergisch zijn geworden voor klachten over taalverval een dodelijk wapen in handen geeft. Het is een even schitterend als merkwaardig boek. Te zeggen dat een boek een omgevallen boekenkast is, is vals en beledigend. Maar in dit geval is het waar, met een verbluffend resultaat: een ongelooflijke hoeveelheid feiten en weetjes uit de traditionele taalkunde wordt over ons uitgestort, maar er zit wel degelijk een zinnige en informatieve ordening in.

Van der Sijs heeft de enorme taak op zich genomen om vrijwel alles wat er in de verstofte boekenkasten van bibliotheken te vinden is over leenwoorden, door te nemen en niet te laten verstoffen, maar er iets mee te doen. In 921 bladzijden stort ze deze informatie met een zo aanstekelijk enthousiasme over de lezers uit, dat ik als - in dit soort zaken wat sceptische en knorrige - taalkundige volledig door de knieën ben gegaan. Het is echt een boek voor het grote publiek dat zich afvraagt waar woorden vandaan komen en wat ze vroeger betekenden.

De titel Leenwoordenboek is in zekere zin misleidend: het is niet een woordenboek, zoals Van Dale of Koenen. Het is een boek over leenwoorden. Na een inleidend hoofdstuk Nul (blz. 1-70) dat geschreven moet zijn nadat de rest af was, volgen zo'n 630 bladzijden waarin wordt verteld hoe het Nederlands invloeden heeft ondergaan van het Keltisch, het Latijn, de Romaanse talen (Frans, Italiaans, Spaans, Portugees), de Germaanse talen (Engels, Duits, Scandinavisch, Fries), andere Indo-Europese talen (Grieks, Slavisch, Zigeunertalen, Sanskriet, Iraans, Semitische talen) en niet-Indo-Europese talen, zoals het Fins, Hongaars, talen uit onze vroegere kolonieën en andere Aziatische talen. De duizenden opgenomen woorden illustreren telkens de dominantie van de donortaalsprekers op bepaalde gebieden (bouw, leger, economie, technologie, wetenschappen, etc.) waaruit het Nederlands termen overnam.

Ook het inburgerpatroon is uitvoerig in kaart gebracht. Zeer gedetailleerd legt Van der Sijs uit wat voor soort woorden er worden geleend - verreweg de meeste leenwoorden zijn zelfstandige naamwoorden, maar soms zijn het voorzetsels zoals à la, contra -, welke woorddelen er zijn overgenomen, zoals de achtervoegsels -er in bakker, -aar in molenaar, -es in dreumes, welke idiomatische uitdrukkingen we hebben overgenomen zoals de pil vergulden (= dorer la pilule) en meisje van plezier (= fille de joie), welke woorden twee keer geleend zijn, de zogeheten tweelingen (o.a. de thema, het thema; maar ook: dokter - doctor, veinzen - fingeren, zeker - secuur, kopij - kopie, kans - chance, etc.) of drie keer (persen - pressen - presseren, keizer - caesar - tsaar, pastei - pâté - pasta) of zelfs vijf keer, magister - meester - maître - maestro - master, welke ontleningen simpelweg vertalingen zijn (spiegelei, gevaar lopen), welke vorm- en klankveranderingen leenwoorden kunnen ondergaan, hoe nieuwkomers bestaande vormen wegdringen, hoe betekenissen van woorden gaan veranderen doordat er nieuwe bijkomen, enzovoorts. Al deze informatie is goed georganiseerd in vast terugkerende patronen.

Bovenmenselijk

Van der Sijs besteedt bij dit alles naar mijn smaak iets te weinig systematische aandacht aan het Nederlandse regelsysteem dat ons in staat stelt zelf nieuwe woorden te vormen. Daardoor komt ze op een te groot aantal leenwoorden uit. Neem aan dat de woorden boven en menselijk tot het Nederlands behoren en dat het woord bovenmenselijk nog niet eerder is gebruikt. De grammaticaregels zeggen dan dat de samenstelling bovenmenselijk een mogelijk Nederlands woord is en dus geen leenwoord, zelfs al zou het woord surhumain eerder voorkomen in Franse bronnen dan in Nederlandse. Als die redenering geldt, moeten woorden als ontdekken (découvrir), ontcijferen (déchiffrer), herwinnen (regagner) uit de verzameling van Van der Sijs geschrapt worden. Grammatici zijn in dit opzicht terughoudender.

Van der Sijs is er echt op uit om dit deel van de taalkunde op een goede manier aantrekkelijk te maken voor leken. Soms gaat ze daarin iets te ver. Ik houd niet erg van zinnen (inclusief aanhalingstekens) als "Erg in is tout: tout Amsterdam was aanwezig, wat bepaald niet wil zeggen dat heel Amsterdam er was!" En: "Martialis noemt het spuma batava - 'Bataafs schuim' - zoals bekend woonden de Bataven in de Betuwe, dus ook toen al was de Nederlandse properheid alom bekend!" Het zijn kleine ontsporingen van iemand die het boek onderhoudend wil laten zijn en daarin behoorlijk geslaagd is.

Vanaf bladzij 716 wordt het boek met terugwerkende kracht en etymologisch woordenboek doordat het een compleet register bevat van de ervoor behandelde leenwoorden, één keer alfabetisch geordend (blz. 716-826), en nog eens per taal van herkomst (827-915). Wie wil weten of spiegelei eem leenwoord is, vindt op blz. 808: spiegelei (vert. van Frans oeuf au miroir) plus een verwijzing naar blz. 596 in de hoofdtekst alwaar het woord wordt behandeld in de paragraaf 'meerwoordvertalingen' in het hoofdstuk over vertaalde ontleningen. Daar pik je dan en passant op dat wel zeker van bien sûr zou komen en welkom van bienvenue (waarom eigenlijk niet van wilkommen of welcome?). Een ruwe schatting leert dat er in het alfabetisch register zo'n 120 woorden per bladzijde staan, wat het aantal besproken woorden op ongeveer 12.000 brengt. Een indrukwekkende prestatie. Tienduizenden wetenswaardigheden over het Nederlands komt men op die manier op het spoor, waaronder:

* aal had vroeger drie betekenissen (I) 'bier' (Engels ale), (II) 'paling'; en (III) 'uitwerpselen, rottende substantie'. Betekenis (I) werd vervangen door bier (er is een tendens om een aantal betekenissen per vorm zo klein mogelijk te houden); aal in de betekenis (III) werd verdrongen door gier, waarna adel binnenkwam uit het Duits, het adellijk in adellijk wild heeft niets met adel te maken, maar met betekenis (III). Door volksetymologie is aan adellijk in adellijk wild een positieve draai gegeven;

* het is het thema (in de betekenins 'onderwerp') omdat deze ontlening via het Grieks binnenkwam, terwijl de thema (in de zin van lesopdracht) een de-woord is omdat het via het Frans (le thème) binnenkwam;

* basalt is net als acne een Nederlands woord door een leesfout: het Griekse basanites werd gelezen als basaltes en akme (ook Grieks) als akne;

* aardappel was de naam voor de knolwortel van een cyclaam. Deze betekenis werd weggedrongen door wat we nu aardappel noemen. Hier is dus de aardappel binnengedrongen en heeft zich meester gemaakt van een bestaand woord.

Eindeloos dwalen

Van der Sijs levert niet echt een bijdrage aan lopende taalkundige discussies over leenwoorden, zij vat bestaande kennis samen en sticht lezers met dit soort wetenswaardigheden. Bovendien hoef je het boek niet van begin tot eind door te lezen, al is het aan te bevelen te beginnen met het inleidende hoofdstuk Nul. Dat hoofdstuk kan mensen genezen van de angst voor woorden uit een andere taal. Na zo'n twintig bladzijden in hoofdstuk 1 is het raadzaam verder willekeurig een woord uit het woordregister op te zoeken en dan binnen te vallen op de bladzijde waar het behandeld wordt om van daar uit naar voren terug te lezen of verder te lezen. Zo kun je eindeloos dwalen en leuke dingen tegenkomen.

De centrale boodschap is: wees niet al te bezorgd over het verdwijnen van het Nederlands.
Uit de observatie dat kotter, brik, reling en kapseizen zich hebben aangepast aan de regels van het Nederlands en blijkbaar goed functioneren in het Nederlands en uit het feit dat dit aanpassingsmechanisme blijkbaar altijd werkt (leeuw, kamer, ruiter, etc.), volgt bijna dwingend dat er geen reden is tot echte zorg als zich uit het Engels (en in de toekomst wellicht uit Azië) nieuwelingen aandienen die er nogal on-Nederlands uitzien. Ze beginnen meestal in hun eigen jasje: word processor, delete, copy, paste, disk. Sommige worden er na enige tijd uitgegooid (disk of diskette misschien als schijf het wint) en vervangen door handiger termen: tekstverwerker, kopieer. Nooit is er garantie voor blijvend succes. Woorden als insigne en jus d'orange lijken op de terugtocht; in de volgende eeuw worden badge en juice en het ook nog populaire juutje mogelijk weer opgevolgd door Chinese leenwoorden omdat geen van hen goed past in ons schriftsysteem. Sap blijft daardoor een geduchte mededinger. In het algemeen geldt: zodra woorden - of het nu leenwoorden zijn of niet - in het taalsysteem passen of aangepast worden, komen ze er in en doen mee, tot ze er weer uitgegooid worden omdat ze niet meer nodig zijn of omdat er betere alternatieven voorhanden zijn. Zo simpel ligt het.