†† ††††††††

Recensie†† †††††††

Irangate, een schandaal ontrafeld

 

Menno de Galan; Menno de Galan is journalist

Final Report of the Independent Counsel for Iran/Contra Matters 566 blz. plus bijlagen, US Government Printing Office, Washington 1994, f. 123,-

M. Byrne, P. Kornbluh (ed.): The Iran-Contra Scandal - The Declassified History 448 blz., New Press, New York 1993, f. 59,75

Ann Wroe: Lives, Lies and the Iran-Contra Affair 352 blz., I.B. Tauris, Londen 1992, f. 50,50

Theodore Draper: A Very Thin Line 650 blz., Hill and Wang, New York 1991, f. 64.-

 

In mei 1984 meldde prins Ebrohim bin Aboul-Aziz bin Saud Al-Masoudi uit Jedda zich bij veiligheidsadviseur Robert McFarlane en overste Oliver North. Hij had goed nieuws: niet alleen was hij van plan 14 miljoen dollar over te maken aan de Contra's, het conservatieve verzet in Nicaragua, hij zou ook de Amerikaanse gijzelaars in Libanon op vrije voeten kunnen krijgen. Hij vroeg slechts een kleine wederdienst: de Amerikaanse regering moest hem behulpzaam zijn bij een olietransactie in de Verenigde Staten, waarvoor hij de juiste vergunningen niet bezat.

 

McFarlane en North hoefden niet lang na te denken. De prins kwam als geroepen. President Reagan maakte zich dagelijks zorgen om het lot van de Amerikaanse gijzelaars. Het verzet in Nicaragua stond bovendien altijd open voor financiŽle bijdragen van vermogende buitenlanders nadat het Congres de geldkraan voor militaire steun aan de Contra's had dichtgedraaid.

 

North werd achterdochtig toen geen bank de cheques accepteerde die de prins had overgemaakt. Een medewerker kreeg de opdracht informatie over het Saoedische koningshuis in te winnen bij de bibliotheek van de Universiteit van Maryland. Het onderzoek leverde niets op. North stuurde vervolgens een kennis naar Jedda. Een prins Al-Masoudi werd daar gevonden, maar die bleek van geen Nicaraguaans verzet of oliehandel met de VS te weten. Tegen de tijd dat North en McFarlane daar achter waren, zat de man die zich uitgaf voor Ebrohim Al-Masoudi achter slot en grendel in GenŤve. Hij was geen prins maar een oplichter, en al evenmin een Saoedi, maar een IraniŽr, Mousalreza Ebrahim Zadek.

 

Het avontuur met de sprookjesprins staat in het standaardboek dat de Amerikaanse historicus Theodore Draper over de Iran-Contra-affaire schreef: 'De vreemde gang van zaken met de fictieve Saoedische prins was waarschijnlijk de meest bizarre episode van de Iran-Contra-affaires, die niet werden gekenmerkt door een gebrek aan bizarre episodes. (....) Halverwege 1985 was er reden om je af te vragen hoe goed North was in het beoordelen van dubieuze personen uit het Midden-Oosten.''

 

Daar schortte het aan, kan achteraf worden vastgesteld. Niet alleen bij North, overigens. Had je een oosters klinkende achternaam, was je rijk en wist je de Amerikaanse gijzelaars en de Contra's in ťťn zin te noemen, dan was toegang tot het Witte Huis van Ronald Reagan verzekerd. In het voetspoor van Masoudi volgden Albert Hakim, Manucher Ghorbanifar en Adnan Khashoggi, de eerste twee IraniŽr, de derde een Saoedi.

 

Khomeiny

Met name Ghorbanifar speelde in 1985 en '86 een prominente rol als bemiddelaar tussen Teheran en Washington. Het is de grote verdienste van Draper dat hij heeft achterhaald dat Ghorbanifar ook beleidsmaker was. Twee pijlers van de Amerikaanse buitenlandse politiek jegens Iran in het midden van de jaren '80 waren zijn geesteskind: het forceren van een zogenoemde 'strategische opening' met 'gematigde elementen' in Teheran die de macht zouden overnemen na het overlijden van ayatollah Khomeiny, die 'zwaar ziek' heette te zijn, en de hoop dat diezelfde 'elementen' de fundamentalistische Hezbollah ertoe zouden weten te bewegen de Westerse gijzelaars in Libanon vrij te laten.

 

De Amerikanen wisten absoluut niet of er politici in Iran waren, die op het predikaat 'gematigd' aanspraak konden maken, maar het was precies wat ze wilden horen. Ghorbanifar was, zoals een medewerker van Reagan zei, 'te goed om waar te zijn''. Dat bleek later te kloppen: de contacten van Ghorbanifar in Iran waren Revolutionaire Gardisten, Khomeiny's elitetroepen. Zij waren weliswaar in staat te bemiddelen over de vrijlating van gijzelaars, maar dat succes was uiteindelijk betrekkelijk: voor iedere vrijgelaten Amerikaan werd een ander gevangen genomen.

 

Draper heeft in zijn boek de Iran-Contra-affaire, of affaires zoals hij ze consequent noemt, nauwgezet gereconstrueerd. Dat loont volgens hem om drie redenen de moeite: dank zij de publikatie van tienduizenden regeringsdocumenten en uitgebreide getuigenissen van vrijwel alle leden van de regering-Reagan bestaat de unieke mogelijkheid tot in details na te gaan hoe de clandestiene operaties zich ontvouwden; daaruit kan vervolgens een belangrijke les worden getrokken: 'Als de grondwettelijke democratie van de Verenigde Staten ooit buiten werking wordt gesteld,'' schrijft hij in het voorwoord van een boek waarin honderd belangrijke documenten over de zaak zijn gepubliceerd, 'dan weten we nu hoe dat in zijn werk zal gaan.''

 

De affaires waren volgens hem ten slotte zo gecompliceerd, dat journalisten niet in staat bleken het verhaal correct weer te geven.

Dat laatste zal ongetwijfeld worden tegengesproken door Ann Wroe, journaliste van het Britse blad The Economist en de enige andere die zich tot nog toe aan een boek over Iran-Contra heeft gewaagd. Maar zij geeft wel toe gedwongen te zijn geweest haar opleiding tot mediaeviste te hulp te roepen bij het rangschikken van de duizenden documenten: 'Pas nadat het boek daaruit te voorschijn was gekomen realiseerde ik me dat het bijna dezelfde vorm had aangenomen als mijn oude proefschrift over het politieke gedrag van laaggeplaatste functionarissen in het veertiende-eeuwse Frankrijk.''

 

Veel speelruimte

De Iran-Contra-affaire valt in vier delen uiteen. Allereerst waren er de clandestiene initiatieven zelf; de bevoorrading met wapens van het conservatieve verzet in Nicaragua terwijl dat wettelijk verboden was, en de verkoop van wapens aan Iran, wat haaks stond op het officiŽle beleid van de Verenigde Staten: onderhandel niet met terroristen en terroristische landen. Het zij voor alle duidelijkheid nog maar eens gezegd: Reagan gaf opdracht tot het uitvoeren van beide operaties, zonder zich om de details ervan verder te bekommeren.

 

Om diverse redenen belandden beide initiatieven op het bureau van North, die door de mariniers tijdelijk was uitgeleend aan de regering. North had geen politieke ervaring en was niet geschoold in 'covert action' toen hij begon. Dat belette hem niet energiek aan de slag te gaan, en doordat hij van zijn directe superieuren - eerst McFarlane en vanaf december 1985 Poindexter - zeer veel speelruimte kreeg gold hij snel als expert aangaande Iran en Nicaragua. Toen het werk hem boven het hoofd groeide, huurde North de diensten in van een bedrijf, The Enterprise, dat werd geleid door oud-luchtmachtgeneraal Secord en de tot Amerikaan genaturaliseerde IraniŽr Hakim. Zij waren degenen die de geheime bankrekeningen openden in Zwitserland, waarop de IraniŽrs het geld stortten waarvan een fractie uiteindelijk belandde in de oerwouden van Nicaragua.

 

Daarmee staan alle facetten van de affaire op een rij: het buitenlands beleid werd op twee onderdelen geprivatiseerd. De ministers van buitenlandse zaken en defensie waren wel op de hoogte van onderhandelingen met Iran en contacten met de Contra's, maar ze bemoeiden zich er niet mee. In feite waren ook de veiligheidsadviseurs er nauwelijks bij betrokken. 'Andere regeringen hadden de beschikking over Kissinger, Brzezinski of Melvin Laird (minister van Defensie onder Nixon) als het om clandestiene operaties ging,'' schrijft Secord in zijn memoires. 'Wij hadden Ollie North.''

 

De eerste fase kwam 3 november 1986 abrupt ten einde na de publikatie in een Libanees tijdschrift van de geheime reis die een Amerikaanse delegatie onder leiding van oud-veiligheidsadviseur McFarlane in mei van dat jaar naar Teheran had gemaakt. Dat was het startsein van de eigenlijke affaire. Weliswaar werd een maand later in Duitsland nog onderhandeld tussen IraniŽrs en Amerikanen, maar op dat moment was Washington al in de ban van wilde verhalen over relatiegeschenken in de vorm van cake en een antiek pistool dat McFarlane bij zich had voor Iraanse ayatollahs.

 

De tweede fase begint in november 1986 en duurt tot maart 1987. Het Witte Huis lag deze maanden onder vuur, vooral nadat eind november tussen de paperassen van North het beruchte 'diversion memo' was gevonden. Reagan wankelde, maar wist het vege lijf te redden door enkele medewerkers te offeren en zich te beroepen op onwetendheid over wat het centrale aspect van de affaire werd: de geldtransactie van Iran via Zwitserland naar Nicaragua. North, veiligheidsadviseur Poindexter en stafchef Regan ruimden het veld.

 

De periode werd afgesloten met het verschijnen van een rapport van de Tower-commissie - genoemd naar de leider ervan, oud-senator John Tower -, die was benoemd om het reilen en zeilen van de staf van de nationale veiligheidsraad te onderzoeken. Reagan kwam er daarin wonderwel van af. Hem werd slechs een 'verkeerde managementstyle' verweten. Vlak daarna gaf de president in een nationale televisierede toe dat onder zijn verantwoordelijkheid wapens voor gijzelaars waren geruild.

 

In het derde deel, van maart tot november 1987, boog een commissie van het Congres zich over de affaire. De verhoren, deels op de televisie uitgezonden, maakten een held van North, die zich met succes beriep op zijn patriottisme. Poindexter nam de verantwoordelijkheid op zich voor 'het streepje' (North over de geldtransactie van Iran naar Nicaragua) tussen Iran-Contra. Zijn 'the buck stops here" werden de meest gevleugelde woorden van de hoorzitting, alleen benaderd door North's uitdaging van terrorist Abu Nidal tot een gevecht "waar ook ter wereld, van man tot man". In het verslag van de verhoren haalde het Congres fel uit naar Reagan, wie gebrek aan interesse werd verweten in het uitvoeren van zijn wettelijke taken.

 

Showprocessen

Het vierde en laatste deel is vorige week afgesloten met de publikatie van het eindrapport van speciale aanklager Walsh, die de opdracht had criminele aspecten van de affaire te onderzoeken. Viertien mensen werden in staat van beschuldiging gesteld, slechts ťťn werd uiteindelijk veroordeeld, niet wegens zijn activiteiten in verband met Iran-Contra maar wegens belastingontduiking. North en Poindexter werden in hoger beroep op technische kwesties vrijgesproken. Naarmate de werkzaamheden van Walsh voortduurden kwam de speciale aanklager zelf onder vuur te liggen. Diverse Republikeinen eisten zijn hoofd. Oppositieleider Dole noemde de staf van Walsh 'een groep huurmoordenaars'. Voormalig minister van justitie Meese vergeleek vorige week de methode van Walsh met showprocessen in de voormalige Sovjet-Unie.

 

Republikeinen waren met name verontwaardigd over het onderzoek door Walsh naar de activiteiten van oud-minister van defensie Weinberger, een verklaard tegenstander van de affaire. Dat werd ook oud-president Bush te veel; hij verleende Weinberger en vijf anderen gratie op kerstavond 1992. De reden die Bush daarvoor aanvoerde baarde opzien. Hij plaatste de initiatieven in Iran en Nicaragua in het kader van de Koude Oorlog; 'Of de daden van de betrokkenen nu goed waren of slecht, ze werden gemotiveerd door oprecht patriottisme.'' Het was een merkwaardig argument. Kon de steun voor de Contra's misschien nog worden beschouwd als onderdeel van de wereldwijde strijd tegen het communisme, dat gold toch niet voor de talloze pogingen van het Witte Huis om de gijzelaars in Libanon op vrije voeten te krijgen.

 

Walsh draagt in het vorige week verschenen eindrapport nieuw bewijs aan in de vorm van aantekeningen van twee oud-functionarissen van het Witte Huis, dat minister van justitie Meese de onwettige betrokkenheid van Reagan bij de tweede wapenzending naar Iran, die plaatshad in november 1985, in de doofpot stopte.

 

Meese was door het Witte Huis aangewezen om leiding te geven aan het onderzoek naar mogelijke illegale aspecten van de affaire. Die bleken er inderdaad te zijn: de verscheping van HAWK-wapenonderdelen was, zag Meese, in strijd met de Arms Export Control Act. Het probleem was dat Reagan zelf zijn goedkeuring aan de verscheping had gegeven. Dat plaatste Meese voor een dilemma: of met de waarheid naar buiten komen, of de president in bescherming nemen. Hij verkoos loyaliteit boven zijn geweten: in een persverklaring gaf de minister van justitie even later te kennen dat zijn onderzoek geen enkele onwettigheid aan het licht had gebracht.

 

Was er dan toch reden te overwegen een afzettingsprocedure tegen Reagen te beginnen, zoals Walsh vorige week tijdens een persconferentie nav de verschijning van het eindrapport leek te suggeren. De vraag is alleen van theoretisch belang, omdat de infornatie die Walsh heeft opgedolven nog niet bekend was toen de Towercommissie en het Congres zich over de afaire bogen. Maar al was dat wel het geval geweest, dan nog was het volgens hem onwaarschijnlijk dat Reagen de richting van Nixon was opgegaan. In het rapport zelf schreef de openbare aanklager, suggeren de naakte feiten weliswaar dat Reagen bewust had deelgenhemen aan of op zijn zachtst gezegd berustte in ee coverup, maar daar staat volgens hem tegenover dat een dergelijke conclusie strijdig is met president Reagens klaarblijkelijke onv ermogen om de realiteit onder ogen te zien..De president had zich ervan overtuigd geen wapens te hebben verhandeld met het doel de gijzelaars op vrije voeten te krijgen.

 

Bizar

Reagans favoriete beeldspraak over de kwestie was 'dat als je kind wordt gegijzeld, en je hebt kennissen die toevallig ook in contact staan met de gijzelhouders en je vraagt die kennissen om namens jou te onderhandelen over de vrijlating van je kind, dat dat de gewoonste zaak van de wereld is.'' Het probleem hiermee was, dat de kennissen in dit geval op de lijst van terroristische landen stonden, en dat contact daarmee door de president zelf uitgesloten was. Volgens oud-minister van buitenlandse zaken Shultz had Reagan de unieke gave om, als het erop aankwam, 'te verdoezelen dat wat gebeurd was, ook werkelijk gebeurd was'': 'Hij liet 'het script' van een gebeurtenis aan z'n geestesoog passeren, ongeacht of die nu in het verleden of het heden plaatsvond, en als hij zich het script had eigen gemaakt, was dat de waarheid - geen feit, betoog, beroep tot heroverweging, kon hem op andere gedachten brengen.''

 

Het argument van Walsh om Reagan te ontzien is natuurlijk bizar: gebrek aan realiteitszin zou een extra reden kunnen zijn om een president uit zijn functie te ontheffen. Maar nee, volgens de speciale aanklager had Reagan ondanks zijn fantasieŽn het beste met het land voor. Daarmee sluit hij zich in feite aan bij de conclusie die het merendeel van de Amerikanen trok nadat Poindexter de verantwoordelijkheid op zich nam voor de overheveling van de opbrengst uit de verkoop van wapens aan Iran naar de Contra's. Reagan had volgens velen een fout gemaakt, een blunder begaan wellicht, door ouvertures te maken naar Teheran. Maar van 'het donkerste geheim van de affaire'' (North in een dramatisch moment) was hij gelukkig niet op de hoogte.

 

Het publiek verloor daarna zijn interesse in de afwikkeling van de affaire. Het vormde, schrijft Wroe, 'zijn eigen ruwe versie van het schandaal naar aanleiding van wat op de televisie was vertoond. Op iedere herhaling van de vragen over Iran-Contra - tijdens de getuigenverklaringen, de hoorzittingen, de rechtszaken van North en Poindexter - kwamen steeds zwakkere en minder toereikende antwoorden, als de laatste vage echo van een schreeuw op de bergtop.''

 

 

Datum:††††††††††† 29-01-1994

Sectie:†††††††††††

Pagina:†††††††††† 1

Onderschrift:†† †† Foto: Oliver North tijdens de hearings in 1987

Geografie:†† ††††† Verenigde Staten; Amerika; Noord Amerika

Persoon:†† ††††††† Theodore Draper; Ann Wroe; P. Kornbluh; M. Byrne

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.

†††††††††††