Euan Cameron, The European Reformation, Clarendon Press 1991; Alastair Duke, Reformation and Revolt in the Low Countries, The Hambledon Press 1990

Peter van Rooden

NRC/Handelsblad 23.11.1991

De negentiende eeuw heeft de Reformatie op veel manieren verbeeld. De religieuze en politieke conflicten die in de zestiende eeuw tot de scheuring van de christenheid leidden zijn afgeschilderd als de strijd van het vrije denken tegen het bijgeloof, maar ook als de ondergang van de solidaire samenleving, verwoest door het egoïstisch individualisme en de ongebreidelde speculeerzucht van intellectuelen. De Reformatie is beschouwd als de worsteling van de germaanse volken om hun vrijheid van romaanse overheersing, maar ook als een vroegburgerlijke revolutie, die het begin van de doorbraak van het kapitalisme markeert en zelfs als de strijd om de ware orthodoxe leer.

De beelden van de Reformatie konden zich zo vermenigvuldigen, omdat in de negentiende eeuw het christendom voor het eerst in meer dan duizend jaar de basis werd voor de organisatie van grote groepen, die binnen de samenleving een aparte plaats innamen. Dat was sinds de dagen van de vroege kerk eigenlijk alleen door ketters gedaan. In de negentiende eeuw werd het de normale sociale vorm voor het georganiseerde christendom.

De conflicten die toen op de politieke agenda werden geplaatst zijn de laatste decennia verdwenen. Dat heeft een nieuw zicht op de Reformatie mogelijk gemaakt, terwijl het materiaal daarvoor geleverd is door het recente, sterk sociaal-historisch geïnspireerde onderzoek naar die religieuze en politieke omwenteling. Euan Camerons The European Reformation is het eerste algemene overzichtswerk dat deze ontwikkelingen verwerkt. Zijn werk is een handboek in de beste Britse stijl. Het berust op bestaande literatuur en behandelt alle als belangrijk beschouwde gebeurtenissen. Maar Cameron hanteert ook een samenhangende conceptie die aan ieder deel van zijn overzicht ten grondslag ligt. Met die conceptie probeert hij de harde vraag te beantwoorden waarom de Reformatie nu eigenlijk succes had.

ONWAARSCHIJNLIJK

Dat is een belangrijke vraag, want de Reformatie was geen conflict in de kerk, dat vervolgens door de staat beslecht werd.
Aan het begin van de zestiende eeuw waren de geestelijke en wereldlijke overheid de twee vormen van ordenende autoriteit binnen iedere Europese samenleving. De leden van de samenlevingen waren vanzelfsprekend aan beide vormen van gezag onderworpen. Iedere burger was christen - niet omdat hij of zij zo gelovig was, maar simpelweg omdat hij burger was. Iedereen werd na de geboorte gedoopt en werd zo lid van de samenleving. In een dergelijke wereld raakt een fundamenteel godsdienstig conflict onmiddellijk de algemeenheid, niet omdat een groot aantal burgers zich er persoonlijk druk om maakt, maar omdat het direct te maken heeft met de ordening van de samenleving zelf.

De vraag naar het succes van de Reformatie is ook klemmend, want aan de vooravond van de breuk leek zo'n fundamenteel conflict zeer onwaarschijnlijk. In het laatmiddeleeuwse Europa verkeerde de georganiseerde godsdienst niet in een crisis. Ze vervulde de bestaande behoeften. Op het platteland was de godsdienst stevig ingebed in directe aardse bezigheden en belangen. Godsdienstige rituelen speelden een rol rond de oogst, het weer, de gezondheid van mens en beest. Deze mensen - de overgrote meerderheid van de Europese bevolking - zou de Reformatie weinig te bieden hebben. Wie naast deze aardse belangenbehartiging zich ook om zijn ziel wilde bekommeren kon geestelijken inschakelen en missen voor zijn zielenheil laten houden. De uitgaven voor dergelijke missen stegen sterk in de halve eeuw voor de Reformatie. Niet alleen nam de elite meer diensten af - keurvorst Frederik van Saksen liet in het jaar 1520 zo'n tachtig priesters bijna tienduizend missen voor zich lezen - maar het gebruik verspreidde zich ook onder lagere sociale groepen, zoals de stedelijke burgers.

Ook op andere gebieden bloeide de godsdienst. Er werd meer gepreekt dan ooit tevoren en meer mensen luisterden naar die preken. Er werden meer relieken verzameld. Er werden meer bedevaartplaatsen gesticht. Dit alles is wel afgeschilderd als een botte, uitwendige, gecommercialiseerde vroomheid. Cameron beklemtoont terecht dat de mensen dit wilden, dat het allemaal even populair was. Juist de geestelijken die voor zichzelf de hoogste standaarden aanlegden, waren het sterkst betrokken bij de verspreiding van deze vroomheidsvormen. Andere geestelijken hadden wel bezwaar tegen deze zaken, maar het volk bijna nooit. Godsdienst was iets om bij te wonen en iets om aan mee te doen, niet iets om te leren.

Waar iets mee mis was - maar daar was iedereen het over eens - was met de kerk in de zin van de georganiseerde geestelijkheid.
Belasting werd geheven, landerijen waren apart gezet om uit de opbrengst daarvan geestelijken te bekostigen.

ONGEHOORDE GEDACHTE

Maar die geestelijkheid deed te veel. Het onderwijs was grotendeels in haar handen. Veel geestelijken deden niets dan dodenmissen lezen. Een ander deel deed niets anders dan het eigen bestuur van de geestelijkheid als beroepsgroep verzorgen. Weer anderen vormden de ambtenaren voor de bureaucratie van de vorsten. Geld dat bedoeld was voor het onderhoud van een plaatselijke geestelijke verdween doorgaans naar elders, waar het gebruikt werd voor zulke secundaire taken. De geestelijkheid als institutie wekte de indruk tegelijk verarmd, hebberig, en verkwistend te zijn. Maar zoveel individuen en groepen hadden baat bij de verschillende misbruiken, dat verbetering vrijwel onmogelijk was. Dat is een oncomfortabele combinatie, zoals de verdedigers van de verzorgingsstaat bekend is.

Maar uiteindelijk waren dit slechts uitwassen. In laatste instantie was de geestelijkheid - ook daar was iedereen het over eens - onmisbaar. De godsdienstige praktijk berustte op de voorstelling dat de mens telkens door zijn zonden de juiste verhouding tot God verstoort, maar die verhouding weer kan herstellen door het sacrament van de boetedoening. Over deze voortdurend alternerende cyclus van zonde naar genade presideert de geestelijkheid. Het is de priester die de sacramenten kan bedienen die de mens in staat stellen zijn staat van zonde te verlaten en weer rechtvaardig te worden.

De hervormers, zelf geestelijken, verwierpen nu juist deze voorstelling. De juiste verhouding tussen God en mens werd in hun ogen alleen door God hersteld. Dat is een eenmalige en volledige gebeurtenis. God neemt de mens aan in diens staat van zonde. Hij hult de vuil geworden ziel in een mantel van rechtvaardigheid en ziet haar zonden over het hoofd. Natuurlijk veronderstellen en verwachten de hervormers dat de zo gerechtvaardigde mens zijn best zou doen braaf te leven. Maar dat had in principe niets met het herstel van de juiste verhouding tussen God en de mens van doen.

Dit was een nieuwe, originele en ongehoorde gedachte. Zelfs Augustinus, de kerkvader die de hervormers als geen andere vereerden, bleek zich op dit punt minder helder, zelfs verkeerd, te hebben uitgedrukt. Het bleek ook een buitengewoon radicale gedachte, die met een meedogenloze logica tot de ontmanteling van de traditionele kerkelijke organisatie leidde. Toen de hervormers door tegenstanders gewezen werden op de consequenties van hun voorstellingen, waren ze zonder meer bereid die te aanvaarden. Inderdaad, het overgrote deel van het werk van de geestelijkheid is overbodig. En ja, een aparte organisatie van geestelijken, half vakbond, half internationale organisatie is niet nodig. Zeker, officiële vergaderingen van geestelijken kunnen zich vergissen en gewone leken mogen over godsdienstige zaken oordelen.

HET VERBOND

Voor de in theologie geïnteresseerden bleek dat een buitengewoon aantrekkelijk gedachtecomplex. Nooit eerder in de geschiedenis van het christendom, en nooit meer sindsdien, zijn zoveel geestelijken afgevallen van de traditie waarin ze waren opgeleid. Juist jonge, hoogopgeleide geestelijken bleken gevoelig voor de boodschap van de Reformatie. Maar dit vormt niet het antwoord op Camerons fundamentele vraag. De Reformatie had succes, maar niet omdat ze over een intellectueel sluitende en theologisch vernieuwende boodschap beschikte, die allerlei geestelijken overtuigde. Uiteindelijk hadden die geestelijken geen echte macht.

De Reformatie slaagde omdat die geestelijken gewone christenen vroegen hen te ondersteunen en inderdaad bij deze leken steun vonden. Dit verbond tussen hervormingsgezinde geestelijken en betrokken leken vormt het fundamenteel sociaal-historische gegeven van de Reformatie. De vraag naar het succes van de Reformatie betreft het ontstaan van dit verbond en dus de aantrekkingskracht van de opvattingen van de geestelijken voor de leken.

Nu ontstond zo'n verbond niet op één, maar op tal van plaatsen. Om de religieus-politieke omwenteling die iedere Reformatie met zich mee bracht te voltrekken moest zo'n alliantie ontstaan binnen een effectieve politieke eenheid. Dat kon een stad zijn, maar ook een provincie, hertogdom, koninkrijk of bisdom. Welke sociale groep in zo'n gebied voor de Reformatie gewonnen werd, hing af van de plaatselijke verhoudingen. Het was niet een gevolg van de boodschap van de hervormingsgezinde geestelijken. In het Duitse Rijk werden de meeste grote steden voor de Reformatie gewonnen. De pogingen van de vrije rijksridders en van de boeren om wat zij van de boodschap van de hervormer begrepen door te zetten werden daarentegen in bloed gesmoord. Dat contrast zegt niets over het burgerlijk, antifeodaal karakter van de boodschap van de Reformatie, maar wel iets over de machtsverhoudingen binnen het Duitse Rijk.

In het algemeen is het niet mogelijk de aantrekkingskracht van de boodschap van de hervormers voor leken te verklaren door te verwijzen naar een band tussen de ideële inhoud van de beweging en bepaalde sociale groepen. Op lokaal niveau was de invoering van de Reformatie vrijwel altijd de uitkomst van politieke en sociale strijd, simpelweg omdat het een ingrijpende politieke beslissing was. Maar op Europese schaal beoordeeld kan men niet anders zeggen dan dat alle sociale groepen zich tegen de Reformatie konden keren of er juist voor konden kiezen. Zo ontkracht Cameron de marxistische interpretatie.

Sommige leken kozen voor de Reformatie uit de meest directe vorm van eigenbelang.
Hertog Ulrich van Württemberg confisqueerde om te beginnen al het bezit van de kloosters in zijn hertogdom, wat zijn jaarlijkse inkomsten verdrievoudigde. Uiteindelijk naastte hij driekwart van al het kerkelijk bezit. Hij liet het goud van de altaarstukken afkrabben. De Engelse politieke elite profiteerde zeer direct van de breuk met Rome en de daarop volgende onteigening van de kerkelijke goederen. Dit soort voorbeelden kan vrijwel onbeperkt worden uitgebreid. Maar aan de andere kant bracht de invoering van de Reformatie voor overheden ook grote gevaren met zich mee. Stedelijke overheden gingen er doorgaans met de invoering van de Reformatie financieel niet op vooruit. De hervormingsgezinde geestelijken wisten ook meer groepen voor zich te winnen dan alleen zij die direct financieel van de omwenteling profiteerden. Zo sneuvelt de traditionele katholieke interpretatie.

Cameron wil de aantrekkingskracht van de boodschap van de hervormers echter evenmin verklaren door, op traditioneel-protestantse wijze, aan te nemen dat de Reformatie aansloot bij de spirituele behoeften van de leken. Er is geen enkele aanwijzing dat de laat-middeleeuwse godsdienst de bevolking onbevredigd liet. En er zijn voldoende aanwijzingen dat op veel plaatsen de bevolking, toen ze merkte wat de hervormers eigenlijk nastreefden, besliste dat ze dat niet wilde. Het is evenmin moeilijk om aan te tonen dat de boodschap van de hervormers vaak verkeerd begrepen werd. De leken hoorden iets anders dan er werkelijk gezegd werd. Ze hoorden een aanklacht tegen corrupte geestelijken en tegen de paus te Rome, of een pleidooi voor meer beschaving of voor meer ethische handelingen in plaats van ritueel, terwijl de boodschap in werkelijkheid veel meer consequenties met zich mee zou brengen.

OPWINDEND

De aantrekkingskracht van de Reformatie zoekt Cameron - eigenlijk heel simpel - in de manier waarop de hervormende geestelijken de leken vleiden door hen überhaupt om hun oordeel en steun te vragen. De hervormers schilderden de leek af als de hoeder van bijbelse en religieuze waarheid. Vragen betreffende het geestelijk heil, die altijd voorbehouden waren geweest aan academisch geschoolde specialisten, werden nu door integere geestelijken aan de leken voorgehouden om daar over te beslissen.

Dat was een opwindende ervaring, die resulteerde in een naar aard en wezen tijdelijke coalitie. De geestelijken en de leken zouden er na verloop van tijd, bijna binnen één generatie, achter komen dat ze verschillende zaken nastreefden. Op het gebied van de godsdienst vroegen de hervormende geestelijken vooral kennis. Op het gebied van de ethiek bepleitten ze vooral orde en gehoorzaamheid. De overgrote meerderheid van de leken vond het verwerven van meer kennis vervelend en het pleidooi voor meer orde betuttelend. De interesse en opwinding over het betrokken zijn bij religieuze zaken ebden snel weg.

Cameron beklemtoont dat alleen dit inzicht in het tijdelijk karakter van de coalitie tussen geestelijken en leken de verschillende aspecten van de Reformatie verklaren kan. Ze begon als een verzet tegen de tyrannie van het pausdom, die de simpele leek onderdrukte, maar binnen twee generaties ontstond een nieuwe, protestantse geestelijkheid, met een sterk gevoel van eigenwaarde, die zich boven de ongeleerde leken voelde staan. Die geestelijkheid propageerde met meer kracht ethische verplichtingen die strikter waren dan de oude kerk ooit had gedaan. De nieuwe protestantse geestelijken ontleenden hun vooraanstaande positie aan hun kennis van uitgewerkte dogmatische leerstelsels, waarmee vergeleken de laatmiddeleeuwse scholastiek, waartegen de hervormers zo geprotesteerd hadden, eigenlijk tamelijk simpel en ruim was.

NEDERLAND UNIEK

Anders dan Camerons handboek, dat een strakke eenheid vormt en uit één algemene interpretatie geschreven is, bestaat het werk van Alastair Duke uit een bundeling van artikelen. Ze betreffen de Nederlandse kerkgeschiedenis tussen ongeveer 1520 en 1620. De meeste ervan waren al eerder gepubliceerd. Ze zijn specialistisch en bieden geen samenhangend overzicht van de hele Nederlandse Reformatie. De fraaie artikelen maken echter wel duidelijk, zeker tegen de achtergrond van Camerons interpretatie, hoe uniek de voortgang en uitkomst van de Nederlandse Reformatie was.

Traditioneel is die uniciteit gezocht in het eigen geestelijk karakter van de reformatorische bewegingen hier te lande, een karakter dat terug zou gaan op inheemse, prereformatorische tradities. Nog het laatste algemene overzicht van de Nederlandse Reformatie verdedigde, kort na de oorlog, zij het twijfelend, een dergelijke conceptie. In het specialistisch onderzoek is deze voorstelling sindsdien een zachte dood gestorven en bij Duke speelt ze geen rol mee. De ware eigenaard van de Nederlandse Reformatie bestond in haar sociaal karakter, in de bijzondere manier waarop godsdienst, religieuze groepen en samenleving zich hier tot elkaar verhielden.

In de Nederlanden kwam het succesvolle verbond tussen hervormingsgezinde geestelijken en leken, waarin Cameron het wezen van de Reformatie ziet, nooit van de grond. In de jaren 1520 leek het daar in verschillende steden, waar men de boodschap van Luther en Erasmus probeerde te volgen, wel toe te komen, maar Karel V had hier, in zijn erflanden, veel meer macht dan in het Duitse Rijk en liet al heel vroeg de hervormingsgezinden resoluut vervolgen.

Het doperdom, dat zich in de jaren 1530 vanuit Duitsland in de Nederlanden verspreidde, was geen reformatorische beweging. De dopers waren niet uit op de hervorming van de hele samenleving, maar op het vormen van groepen die buiten de bestaande maatschappelijke orde stonden. Ze werden gerecruteerd uit lagere sociale groepen, niet zoals de leken die zich met de hervormers verbonden, uit de politiek invloedrijke kringen. Een interessante aanwijzing daarvoor, waar Duke terloops op wijst, is dat de dopers er nooit in slaagden de taalgrens te passeren, iets waar de uit het zuiden oprukkende calvinisten moeiteloos in zouden slagen. Toen ze revolutionaire neigingen ten toon spreidden, werden ze woest vervolgd, niet alleen door de centrale, maar ook door de plaatselijke overheden. Het grootste deel van de ongeveer anderhalfduizend tot 1566 om hun geloof in de Nederlanden terechtgestelden kwam uit hun kring.

De groepering die uiteindelijk de Reformatie hier zou doorvoeren kwam uit Frankrijk. Daar hadden volgelingen van Calvijn eigenlijk bij toeval het principe van een eigen kerkelijke organisatie ontdekt, los van de burgerlijke gemeenschap. Zo organiseerden ze zich ook in de Nederlanden, tegen de verdrukking in, en zo werden ze na 1572 tot de publieke kerk van sommige van de opstandige gewesten. Maar van een nauw verbond tussen stadsbestuurders en predikanten was geen sprake.

De leken wisten, in het laatste kwart van de zestiende eeuw, maar al te goed wat een strikte Reformatie kon betekenen. De meesten wilden dat eenvoudig niet. Aan de andere kant - Duke legt er in een fascinerend artikel de nadruk op - streefden de calvinisten er niet werkelijk naar de kerk voor alle leden van de samenleving te worden. Het gevolg van deze wederzijdse weigering was dat in de Republiek de Reformatie uitliep op een pluraliteit van georganiseerde religieuze groepen, die geen van alle samenvielen met de burgerlijke samenleving. De verbijsterende originaliteit van deze ontwikkeling is in het historisch onderzoek nog nauwelijks serieus genomen.