Dirk Vlasblom

Historicus Juan Cole ziet kiemen van democratie in sji'itisch Irak

George Bush had geen flauw benul van de religieuze krachten die vrijkwamen bij de omverwerping van het regime-Hussein. Juan Cole legt uit waarom kennis van de sji'itische islam uitglijders had kunnen voorkomen.

DE SJI'ITISCHE ISLAM staat weer in de belangstelling. Dat is niet te danken aan woelingen in Iran, het gedoodverfde bolwerk der sji'ieten, maar aan de Amerikaanse bemoeienis met Irak. Sinds de invasie van 2003 en de val van Saddam Hussein weet de wereld weer dat deze grote zijtak van de islamitische hoofdstroom niet ontspringt in Perzi�, maar meer naar het westen, tussen de Eufraat en de Tigris. Najaf en Kerbala, steden die nu regelmatig opduiken in het nieuws, zijn de heilige plaatsen der sji'ieten en liggen in Centraal-Irak. De verkiezingen van januari maakten duidelijk dat sji'itische moslims, met zestig procent ruim in de meerderheid, een beslissende stem hebben in deze democratie in opbouw.

De strategen in Washington die besloten tot een interventie in Irak zijn geen kenners van de sji'itische islam. Onderminister van Defensie Paul Wolfowitz zei in februari 2003, kort v��r de invasie: `De Irakezen zijn heel seculier. De meesten zijn sji'ieten en kennen niet de gevoeligheden van de wahabbieten in Saoedi-Arabi�. De heilige plaatsen van de islam liggen immers niet in hun land.' Deze uitglijder werd vorige week gememoreerd door een andere Amerikaan: Juan R.I. Cole, hoogleraar geschiedenis van het Midden-Oosten aan de universiteit van Michigan en een kenner van de sji'itische islam. In de Amsterdamse Beurs van Berlage hield hij de jaarrede van het interuniversitaire Instituut voor Studie van de Moderne Islam (ISIM). Zijn voordracht kreeg de titel mee `Ayatollahs en democratie in het huidige Irak'.


Het woord sji'ieten is afgeleid van sji'a-i-Ali, de Partij van Ali. Ali bin Abu Talib was een neef en vroege volgeling van de profeet Mohammed. Hij trouwde met Mohammeds dochter Fatima en zij hadden twee zonen: Hoesein en Hasan. Ook voor sji'ieten is Mohammed de gezagsbron bij uitstek, maar zij vereren Ali en zijn gezin als een heilige familie. Cole liet een Iraanse prent zien waarop de vier staan afgebeeld met een stralenkrans om het hoofd. Deze bijna katholieke devotie is onbekend binnen de soennitische hoofdstroom. Die beroept zich alleen op de openbaring en op de handelingen van de profeet en vindt de Ali-cultus een dwaling.


Het schisma tussen soennieten en sji'ieten voltrok zich niet lang na de dood van Mohammed (632) en draaide om het leiderschap van de jonge gemeente, die toen al een groot stuk van Arabi� beheerste. Een meerderheid koos Abu Bakr, schoonvader en vriend van Mohammed, als opvolger (khalifa, kalief), maar een minderheid vond dat alleen een naaste verwant van de profeet voor die titel in aanmerking kwam en koos voor Ali. Hij werd viermaal gepasseerd, maar werd in 656 alsnog kalief. Er brak een felle machtsstrijd uit die Ali het leven kostte. Hij werd begraven in Najaf en rond zijn tombe verrees een stad. Voor soennieten is Ali slechts de vijfde kalief, maar voor sji'ieten is hij de eerste charismatische Imam. Zij menen dat alleen hij en de imams die van hem afstammen de goddelijke openbaring kunnen uitleggen en leiding kunnen geven aan de geloofsgemeenschap
. Ali's zoon Hoesein leidde een opstand tegen de zesde kalief, Moeawija, die Damascus als zetel koos. Hoesein sneuvelde bij Kerbala, zijn hoofd werd afgehakt en in triomf meegevoerd naar Damascus.


Kenmerkend voor de sji'itische islam is de vrome aandacht voor het lijden van Ali's familie. Wie weent om Hoesein en zich kastijdt op diens sterfdag, gaat naar de hemel. Cole: ``Wie iets wil begrijpen van de sji'itische pi�teit moet kijken naar Mel Gibson's The Passion of the Christ. Dat is een film als een godsdienstoefening, vol liefdevolle bewondering voor louterend lijden.''


De lijn van Ali werd tegen de verdrukking in voortgezet. De overlevering wil dat toen de elfde imam in 874 stierf, zijn zoon wegens voortdurende vervolging onderdook. De meeste sji'ieten wachten nog altijd op de terugkeer van deze twaalfde, Verborgen Imam. Zij verboden hun geestelijken eeuwenlang deel te nemen aan de wereldlijke macht. Totdat in de jaren zeventig van de twintigste eeuw een mystiek ge�nspireerde Iraanse in ballingschap, Ruhollah Khomeini,een nieuwe doctrine onderwees: in afwachting van de Verborgen Imam mag een geestelijke die de goddelijke wet kent de natie regeren. De Iraanse revolutionairen die in 1979 te hoop liepen tegen sjah Mohammed Reza Pahlevi omhelsden deze doctrine van Velayat-i Faqhi (voogdij der rechtsgeleerden), maar de meeste sji'ieten buiten Iran zien dit als ketterij.


Zo ook Groot-Ayatollah Ali al-Sistan
i. Hij werd in 1930 geboren in Mashad, Oost-Iran, en trok in 1951 naar de heilige stad Najaf, waar hij onder het seculiere schrikbewind van Saddam Hussein een teruggetrokken bestaan leidde van studie en gebed. Hij trad uit de coulissen toen Paul Bremer, de Amerikaanse landvoogd in Irak, zijn plannen ontvouwde voor een Irakese weg naar democratie. Sistani vaardigde een fatwa uit waarin hij zich uitsprak voor een spoedige terugtrekking van de Amerikaanse troepen en zei dat Bremers plan voor een grondwetgevende vergadering ``geen waarborgen biedt dat het product strookt met de Irakese volkswil, de islam en nobele sociale waarden.'' Zijn interventie ontketende een kettingreactie. De Amerikanen draaiden bij en in januari werden rechtstreekse verkiezingen gehouden.


Juan Cole volgde in zijn rede het spoor van de denkbeelden van Sistani naar het begin van de twintigste eeuw, toen sji'itische geestelijken en seculiere politici in Iran ijverden voor een grondwet en een parlement ter beteugeling van de absolute macht van de regerende Qajar-dynastie. Een dag later lichtte Cole een en ander toe tijdens een gesprek op het ISIM in Leiden.


Had de Amerikaanse regering echt geen flauw benul van de krachten die ze losmaakte door de omverwerping van Saddam Hussein?


``We beschikken over documenten die vertellen wat de regering in Washington dacht. Het is duidelijk dat zij geen enkel begrip had voor de Irakese samenleving. Ze vond dit ook niet nodig. Ze had bondgenoten in de gemeenschap van Irakese ballingen en zou het land simpelweg aan hen overdragen. Wat kon het schelen wat er in Irak onder de oppervlakte leefde? De zienswijze van de regering-Bush was elitair. Zij kon zich niet voorstellen dat een leider in de sloppen van Oost-Bagdad haar iets in de weg zou kunnen leggen. Zij kon zich ook niet voorstellen dat een ayatollah in Najaf haar zou uitdagen. Ze wist niet eens van hun bestaan.''



U bent een erkend expert op het gebied van de sji'itische islam. Bent u geraadpleegd v��r deze operatie?


``Nee, nooit, ofschoon ik een contemporain historicus ben en belangstelling heb getoond voor actuele ontwikkelingen. Ik heb niet de indruk dat de regering-Bush ge�nteresseerd was in de opinies van deskundigen. Ik heb eerder de indruk dat ze haar uiterste best deed om hen zover mogelijk te houden van de beleidsvorming. Ze had immers al besloten dat ze ten oorlog wilde trekken en informatie kon die plannen alleen maar hinderen. Hoe meer je van iets weet, hoe ambivalenter je staat tegenover een ingrijpende beslissing. Ignorance is bliss.''


U zegt dat er een rechtstreekse lijn bestaat tussen de opvattingen van de 's die deelnamen aan de Constitutionele Revolutie in Iran in 1905, de stad Najaf en Sistani's interventie in het politieke proces in Irak sinds 2003. U construeert als het ware een genealogie van idee�n.


``Jawel. De ontwikkelingen in Irak voltrekken zich niet in een vacu�m; er zijn precedenten. De eerste ontmoeting tussen sji'itisch clericaal en scholastisch denken en moderniteit vond plaats in Iran aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Van 1905 tot 1911 voltrok zich in Iran een constitutionele revolutie die gaten schoot in het absolutisme van de sjahs. Die revolutie vertoonde overeenkomsten met de revolutie van 1905 in Rusland. In die jaren ontwikkelden sji'itische geestelijken idee�n over de verenigbaarheid van parlementaire democratie en islam. Het debat draaide hierom: als er een parlement zou zijn, zou dit dan wetten aannemen die indruisten tegen het islamitische canonieke recht? Omdat in zo'n parlement allerlei mensen zitting zouden hebben, zou wel niet iedereen even gelovig zijn.''


``Najaf, het sji'itische heiligdom rond het graf van Imam Ali en een centrum van theologie en rechtsgeleerdheid, was destijds deel van het Ottomaanse Rijk. Daar verzamelden zich Iraanse schriftgeleerden die zich wilden onttrekken aan de repressie van de sjah. Zij waren de mening toegedaan dat zolang er een waarborg bestond dat het parlement niet zou ingaan tegen de islamitische wet, constitutioneel bestuur verenigbaar was met de religieuze wet. Zij pleitten voor een raad van geestelijken met de bevoegdheid wetgeving die inging tegen de islam te herzien. Dit werd verwerkt in de grondwet van 1906.''


In hoeverre wijkt deze vorm van clericale supervisie af van Khomeini's doctrine over de `voogdij der rechtsgeleerden'?


``De sji'itische denkers die de Constitutionele Revolutie steunden, waren geen voorstanders van clericaal bestuur. Zij wensten geen geestelijken aan de macht. Die moesten in hun scholen blijven en daar hun godsdienstige, opvoedende rol spelen. Deze denkers omhelsden westerse opvattingen over volkssoevereiniteit en representatief bestuur. Zij maakten zich alleen zorgen over de mogelijkheid dat de volkssoevereiniteit in conflict kwam met de soevereiniteit van God. Daarom diende de geestelijkheid op afstand toezicht te houden op het politieke proces. Wat zij voorstonden, wijkt niet wezenlijk af van de verhoudingen in het Ierland van de jaren vijftig, waar de volksvertegenwoordiging zelden inging tegen de bisschoppen. Het experiment mislukte overigens. Er kwam een parlement, maar het resultaat was een zeer zwakke regering, die omver werd geworpen door de dictatoriale Pahlevi's. Maar de intellectuele traditie van de Najaf-geleerden leefde voort. Hun boeken werden in de jaren vijftig herdrukt. Groot-Ayatollah Ali Sistani ontleent zijn denkbeelden aan deze traditie. Zijn recente fatwa's ten gunste van volkssoevereiniteit, parlementair bestuur en algemeen kiesrecht stroken alle met de Najaf-traditie.''


Heeft Sistani expliciet verbanden gelegd die uw these over de continu�teit tussen 1905 en 2003 rechtvaardigen?


``Jazeker. Najaf heeft een rol gespeeld op beslissende momenten in de moderne geschiedenis. De clerus van Najaf hielp bij de revolte van 1920 tegen de Britse bezetting van Irak en Sistani heeft daar op gewezen. Hij is zich zeer goed bewust van zijn status als `Najafi' en plaatst zichzelf in een traditie die hij beschouwt als progressief, constitutioneel en anti-imperialistisch. Hij probeert Europese verlichtingsidee�n op te nemen in de jurisprudentie en rept in zijn fatwa's van volkssoevereiniteit, de volkswil, mensenrechten en pluralisme. Scheiding tussen kerk en staat betekent voor hem dat de geestelijkheid niet rechtstreeks is betrokken bij het bestuur en toeziet vanuit de maatschappij. Sistani incorporeert Rousseau in zijn jurisprudentie als hij zegt: `Legitiem bestuur is een afgeleide van de wil van het Iraakse volk.' Dit alles binnen de beperkingen van het sji'itische canonieke recht. Ik wil hem niet progressiever voorstellen dan hij is: hij veroordeelt homoseksualiteit en voor feministen is hij een mannelijke chauvinist. Sistani zag met lede ogen aan hoe de sji'itische clerus in Iran aan de macht kwam. Die werd volgens hem gecorrumpeerd, werd dictatoriaal en dat ging in tegen de intellectuele erfenis van de Najaf-school, zoals respect voor individuele rechten en de volkssoevereiniteit. Sistani zet het gedachtengoed van Najaf in tegen het khomeinisme, dat hij beschouwt als een afwijking van het sji'itische rechte pad.''


Welke richting is invloedrijker in de sji'itische wereld, khomeinisme of de Najaf-traditie?


``Er is een groot gevecht aan de gang tussen die twee binnen de sji'itische wereldgemeenschap. De voornaamste breuklijn loopt tussen de Irani�rs en alle anderen. In Iran domineert het khomeinisme, omdat het daar in wetgeving is verankerd. Het is onwettig om deze doctrine in twijfel te trekken en er zijn mensen om die reden onder huisarrest geplaatst. Buiten Iran bestaan aanzienlijke sji'itische gemeenschappen die de doctrine dat de geestelijkheid dient te regeren nooit hebben geaccepteerd. De meeste Irakese sji'ieten wijzen die af evenals de meerderheid van Pakistaanse sji'ieten, een belangrijk deel van de Libanezen en de meeste Bahreini. De meeste Zuid-Aziatische sji'ieten doen dat ook. Er is dus een scheiding der geesten tussen Iran en de rest en Sistani is de geestelijke leider van de niet-Iraanse sji'ieten.''


Sistani trekt zich na enkele interventies nu geleidelijk terug uit de politieke arena. Is hij teleurgesteld of tevreden?


``Hij is slechts met tegenzin tussenbeide gekomen in de politiek en heeft zich alleen uitgesproken over de grote kwesties. Toen de vraag aan de orde was wie de Iraakse grondwet moest schrijven, zei hij dat dit gekozen vertegenwoordigers moesten zijn van het Irakese volk. En de verkiezingen moesten worden georganiseerd op basis van `one man, one vote'. Sistani heeft grotendeels gekregen wat hij wilde: een parlementair bestel met zoveel islamitische wetgeving als verenigbaar is met het Irakese pluralisme. Hij kreeg zijn zin tegen de wil van de bezettingsmacht en andere spelers op het Irakese toneel. Het resultaat is een heel ander bestel dan in Iran.''


Luis in de pels van George Bush Juan R.I. Cole, hoogleraar moderne geschiedenis van het Midden-Oosten en Zuid-Azi� aan de University of Michigan, heeft zich regelmatig uitgesproken over de `Oorlog tegen het Terrorisme' en de oorlog in Irak. Hij schreef boeken en artikelen over moderne islamitische bewegingen in Egypte, de Perzische Golf en Zuid-Azi�. Zijn huidige onderzoek is gericht op de sji'itische islam in Iran en Irak en op de jihadi- of heilige oorlogsrichting in het islamitische radicalisme, waaronder Al-Qaeda en de Talibaan. Enkele van zijn publicaties: Colonialism and Revolution in the Middle East - Social and Cultural Origins of Egypt's Urabi Movement (Princeton, 1993) en Modernity and the Millennium - The Genesis of the Baha'i Faith in the Nineteenth-Century Middle East (Columbia, 1998). Cole's jongste boek is Sacred Space and Holy War (I.B. Tauris, 2002), een bundel artikelen over de geschiedenis van de sji'itische tak van de islam in het moderne Irak, Iran en het Perzische Golfgebied. Hij heeft een eigen website, waar hij een actueel weblog bijhoudt: www.juancole.com


Foto-onderschrift:

15 oktober 2005: sji'itische bewoners van een arme wijk in Bagdad houden portretten omhoog van Groot- Ali al-Sistani, nadat zij in een referendum vr de grondwet hebben gestemd