datum: 17-02-1994 | rubriek: Themapagina Secularisatie | pagina: 8

Gods Huis stroomt leeg in Nederland
DICK VAN EIJK

Heeft God zijn beste tijd gehad in Nederland? Nog maar een kwart van de bevolking gelooft onvoorwaardelijk in God. Nog eens een kwart gelooft, maar twijfelt wel eens. De rest kan het stellen zonder de God van de Bijbel. Daarmee is Nederland een van de meest seculiere landen ter wereld.

Dat is wel eens anders geweest. Nog in het begin van de jaren zeventig verbaasden buitenlandse onderzoekers zich over de combinatie die ze hier aantroffen van een moderne economie en conservatieve denkbeelden over religie en gezin, onder meer tot uiting komend in een hoog geboortecijfer. Het waren de restanten van de vrome natie die Nederland eens was. De afgelopen 25 jaar is het percentage onkerkelijken meer dan verdubbeld en is het geboortecijfer gehalveerd. Onder druk van communistische regimes zijn ook in Oosteuropese landen de kerken snel leeggelopen, maar geen land ter wereld raakte zo snel van de christelijke God los als Nederland.

"De resultaten van de internationale vergelijking waren een verrassing voor me", zegt J.W. Becker, die met R. Vink het SCP-rapport Secularisatie in Nederland, 1966-1991 schreef. "Ik wist eigenlijk niet dat het al zo ver was voortgeschreden." Voor het rapport voerden ze analyses uit op enquêtemateriaal uit verschillende jaren en op gegevens uit kerkadministraties. Verder lazen ze vrijwel alles wat er de afgelopen decennia over kerkelijkheid en kerksheid in Nederland is geschreven. Het werd een kroniek van een volk op levensbeschouwelijke drift.

Secularisatie is een veelomvattende term, die vaak aanleiding geeft tot verwarring. Op individueel niveau gaat het zowel om veranderingen in opvattingen als om veranderingen in gedrag. Voor de duidelijkheid komt het goed uit dat een aantal ontwikkelingen de afgelopen decennia tegelijk plaatsvonden: steeds minder Nederlanders geloofden in God, steeds minder gelovigen bleven lid van een kerk, steeds minder kerkleden bezochten regelmatig kerkdiensten en degenen die nog wel regelmatig naar de kerk gingen, gingen minder vaak dan vroeger. Binnen die algemene tendens zijn er aanzienlijke verschillen tussen katholieken, hervormden en gereformeerden; tussen jongeren en ouderen; en tussen stedelingen en plattelandsbewoners.

Over kerkelijkheid - de vraag of men lid is van een kerk - is historisch gezien het meest bekend. Via de volkstellingen werd dit al in de vorige eeuw onderzocht. Ook toen waren er mensen die zich niet tot een kerk rekenden. In 1879 ging het om 0,3 procent van de bevolking. Sindsdien is dit percentage wel gestaag toegenomen, tot 18,3 in 1960. De grote sprong moest toen echter nog komen: dertig jaar later, in 1991, was 57 procent van de bevolking buitenkerkelijk.

Terwijl op individueel niveau de Nederlanders van hun geloof raakten en de kerk verlieten, begonnen op maatschappelijk niveau de zuilen af te brokkelen. Een verband ligt voor de hand. Becker: "Het gaat om een complex van veranderingen die ongeveer gelijk plaatsvonden en waarin heel moeilijk een causale lijn is te ontdekken."

Becker noemt vijf belangrijke ontwikkelingen. Ten eerste de voltooiïng van de emancipatie van achtergestelde religieuze groepen als rooms-katholieken. Ten tweede de opkomst van televisie, waardoor mensen veel gemakkelijker konden kennisnemen van denkbeelden in andere zuilen. Ten derde de toename en spreiding van de welvaart. Becker: "Geef je mensen geld, dan geef je ze vrijheid." Ten vierde de toenemende scholing. En tenslotte: de beschikbaarheid van de pil.

"Het is niet verwonderlijk dat een traditionele structuur, die misschien zichzelf al enige tijd had overleefd, verdwijnt", aldus Becker. "Maar dat is vertellen achteraf. Er zijn niet veel mensen die hebben voorspeld wat er midden jaren zestig zou gebeuren. En er waren er toen overigens ook weinig die hebben voorzien dat vijftien jaar later weer conservatieve bisschoppen zouden worden benoemd."

Niet alle kerken kalfden even snel af. Voor 1960 waren buitenkerkelijken vooral afkomstig uit de Nederlands hervormde kerk, daarna uit de rooms-katholieke. De massale uitstroom uit de katholieke kerk duurt nog steeds voort, maar ook het percentage hervormden daalt nog gestaag. De gereformeerden zijn de kerk relatief trouw gebleven.

Jongeren zijn veel vaker buitenkerkelijk dan ouderen. Van de huidige 17 tot 30-jarigen is maar liefst 72 procent buitenkerkelijk. Van de 51 tot 70-jarigen is dat 41 procent. De andere groep zit daar tussenin. Dat jongeren in hogere mate buitenkerkelijk zijn dan ouderen is een betrekkelijk recent verschijnsel. Het tekent zich pas in het begin van de jaren zeventig af. Daarna worden zowel jongeren als de 30- tot 50-jarigen in toenemende mate buitenkerkelijk. Voor de 50-plussers is dit niet het geval. Dat doet vermoeden dat het in de eerste plaats om een generatie-effect gaat: het hangt niet zozeer samen met leeftijd, als wel met geboortejaar. Becker: "Dat jongere generaties seculierder zijn dan oudere is waar, maar dit bepaalt de ontwikkeling niet volledig. Daarnaast speelt namelijk een rol dat alle Nederlanders seculierder zijn geworden. Dat is de tijdsinvloed. Nu kun je je afvragen wat er gebeurt als mensen ouder worden. Je zou kunnen denken dat ze dan meer over het leven gaan nadenken, meer met het einde worden geconfronteerd en dergelijke. Die bezinning sluit ik niet uit, maar uit de gegevens blijkt dat ze niet terugkeren naar de kerk."

In de verspreiding van onkerkelijkheid bestaan geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen. Mensen met een hogere sociaal-economische status hebben een voortrekkersrol gespeeld in de ontkerkelijking, maar sinds 1970 speelt dat geen rol meer. Rijk en arm verlaten de kerk even hard. Opmerkelijk is dat hoger opgeleide jongeren - die bij veel maatschappelijke ontwikkelingen, zoals ongehuwd samenwonen, voorop lopen - dit bij ontkerkelijking niet doen. Sterker nog, als er een categorie is die de afgelopen jaren meer de kerk de rug toe heeft gekeerd dan andere dan is dat die van làger opgeleide jongeren. De verschillen met andere categorieën zijn echter gering. Becker haalt een verklaring aan van de godsdienstsocioloog Van Hemert: "Jongeren storen zich aan bepaalde opvattingen, en verlaten om die reden de kerk. Ouderen en hoger opgeleiden relativeren meer. Zij hebben ermee leren leven of stappen eroverheen."

Aanvankelijk was buitenkerkelijkheid een verschijnsel dat zich het sterkst voordeed in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Sinds 1975 zijn de middelgrote steden (meer dan 100.000 inwoners) gaan inhalen. In 1991 haalden zij hetzelfde niveau van buitenkerkelijkheid alsde grote drie: 74 procent. Op het platteland blijft de kerk aanzienlijk populairder en gaat de ontkerkelijking ook minder snel.

Godsdienstonderzoekers maken onderscheid tussen kerkelijkheid en 'kerksheid'. Onder het laatste begrip wordt verstaan dat men regelmatig (ten minste één keer per twee weken) een kerkdienst bijwoont. Wie schattingen van kerksheid alleen baseert op enquêtes, krijgt wel een iets vertekend beeld, want kerkleden hebben de neiging te antwoorden dat ze vaker naar de kerk gaan dan ze in werkelijkheid doen. Enquêtes vormen echter het enige onderzoek dat vaak genoeg is herhaald om over langere termijn iets te kunnen zeggen over veranderingen in kerkgang. In Nederland is nu nog maar 16 procent van de bevolking een regelmatig kerkganger; in Noorwegen overigens nog maar 5 procent.

Duidelijk is dat gereformeerden verreweg de trouwste kerkgangers waren en zijn
. Nog altijd gaat bijna driekwart van hen ten minste eens per twee weken naar de kerk. Voor hervormden is dat 43 procent, voor katholieken 30. In 1970 gingen katholieken overigens nog aanzienlijk meer naar de kerk dan hervormden, 71 tegen 50 procent bezocht ten minste eens per twee weken een dienst. Bij katholieken is ook het leeftijdseffect het meest geprononceerd: jongeren komen nauwelijks meer, ook al zijn ze nog kerklid. Van de katholieken tussen 17 en 30 bezocht in 1991 13 procent ten minste een keer per twee weken een mis. Slechts 3 procent ging elke week naar de mis. Bij gereformeerden neemt met name het aantal mensen af dat méér dan eens per week naar de kerk gaat.

Onderschrift: Grafieken: 1. De bevolking van 21-70-jarigen naar kerkelijke gezindte; 2. De buitenkerkelijkheid naar leeftijd; 3. Het geloof in God in een aantal landen, 1991; 4. De kerkgang van Nederlands hervormden; 5. De kerkgang van gereformeerden; 6. De kerkgang van rooms-katholieken

Trefwoord: Religie; Levensbeschouwing; Welzijn; Maatschappij

Persoon: R. Vink; J.w. Becker