God

Bas Heijne

Dat Jan Peter Balkenende een paar weken geleden tijdens een bezoek aan IndonesiŽ naar eigen zeggen 'pal' stond voor het homohuwelijk, door bij de eerste kritiek van studenten meteen te verklaren dat hijzelf eigenlijk ook tegen was - het lijkt het zoveelste voorbeeld van een haperend politiek instinct, een jammerlijk gebrek aan overwicht. Maar misschien is er meer aan de hand.

Het homohuwelijk is er destijds in Nederland zonder al te veel rumoer gekomen; ik kan me tenminste geen schuimbekkende Balkenende in de Kamer herinneren en ook geen uitzinnige christenen met plakkaten op het Binnenhof waarop stond dat God Adam en Eva heeft geschapen en niet Adam en Evert. Misschien, zou je je kunnen afvragen, is er toen iets te weinig over gedebatteerd.

Geconfronteerd met het agressieve onbegrip van moslims en christenen uit een cultuur waar homoseks natuurlijk heel veel voorkomt maar geen plaats krijgt, staat de christelijke minister-president van Nederland met zijn mond vol tanden. Ineens blijkt hij zelf geen argumenten te hebben waarmee hij het felle onbegrip van de studenten kan pareren; sterker nog, hij verklaart meteen dat hij er eigenlijk net zo over denkt. Maar ja, de democratie, dat krijg je ervan.

Een veelzeggend incident - en het zal niet het laatste zijn. Het in Nederland schoksgewijs doorgedrongen besef dat er op de wereld - en ook in Nederland zelf - mensen zijn die er fundamentele religieuze principes op na houden die zich slecht verstaan met het seculiere streven naar de grootst mogelijke persoonlijke vrijheid, heeft behalve paniek ook veel twijfel gezaaid. Sommige christenen die de afgelopen decennia constant water in de wijn hebben gedaan, omdat in het almaar meer ontkerstende Nederland anders helemaal geen plaats meer zou zijn voor God, zijn wakker geschud door de verbeten stelligheid waarmee de islam zich vaak manifesteert. Waarom hebben we ons zo mak opgesteld en gedwee aangepast aan al die afgedwongen vrijblijvendheid? Waarom zouden we eigenlijk vůůr het homohuwelijk zijn?

Meer dan honderd jaar geleden verklaarde Friedrich Nietzsche God dood, maar dat blijkt achteraf een foutje te zijn geweest. Hij is terug, with a vengeance. Dat is een lelijke streep door de rekening van overtuigde darwinisten en verlichtingsadepten, die ervan uitgingen dat godsdienst gaandeweg meer en meer folklore zou worden, en God zelf iets waar mensen alleen nog maar in konden geloven tegen beter weten in - zoiets als astrologie. Volgens hen is ieder geloof een vorm van bijgeloof - en nu blijkt dat God eigenlijk nooit is weggeweest, kent hun ontzetting geen grenzen. Het antwoord van de darwinisten, die ervan uitgaan dat alles op de wereld, ook wat zich in ons hoofd afspeelt, het resultaat is van zuiver biologische, mechanische processen, luidt dat ook God het product van natuurlijke selectie is. De hang naar geloof, zeggen wetenschappers als Daniel C. Dennett nu, is even natuurlijk als het feit dat de meeste mensen tien vingers hebben en een kat snorharen heeft.

Geloof is een evolutionair afweermechanisme, dat we nodig hebben om onszelf een plaats te geven in een ongrijpbaar en onbevattelijk universum. Als we niet in God geloven, geloven we wel in iets anders, in de verlossende kracht van Frans Bauer of in dwergkristallen, het zit nu eenmaal in ons. Geloven in het bovennatuurlijke - er is eigenlijk niets natuurlijkers dan dat.

Die manoeuvre doet denken aan de reactie van gelovige biologen in de 19de eeuw die aan het twijfelen werden gebracht door de theorie van Darwin. In opperste geloofsnood bedachten zehele theorieŽn om aan te tonen dat God eigenhandig verantwoordelijk was voor het darwinisme - Hij had in Zijn oneindige subtiliteit al die fossielen gewoon zelf in de grond gestopt om de mens op de proef te stellen. Zoals zij toen de evolutie krampachtig een plaats binnen het geloof probeerden te geven, zo proberen de overtuigde darwinisten van nu de kennelijk onuitroeibare neiging tot geloof in de mens tot onderdeel te maken van de evolutieleer.

Maar waar zelfs zij nu van overtuigd zijn, en dat is de grote ommekeer, is dat God niet weg te denken is. Dat besef brengt enorme consequenties met zich mee. De darwinisten hebben het geloof dan wel een plek gegeven in hun wereldbeeld, maar het houdt ook in dat ze erkennen dat ze God nooit klein zullen krijgen.

Het verklaart de schrille toon van gedreven seculieren die zich plotseling geconfronteerd zien met verschijnselen die ze niet meer voor mogelijk hadden gehouden: een minister van Onderwijs die een warm pleidooi houdt voor de 'wetenschappelijke' theorie van Intelligent Design, met God als Grote Programmeur, dezelfde minister die christelijk lesmateriaal op scholen toestaat waarin homoseksualiteit als een ziekelijk afwijking wordt beschouwd, een minister-president die openlijk het homohuwelijk afvalt, omdat hij er diep in zijn hart niks van moet hebben en last but not least een denker in de Partij van de Arbeid die religie plotseling hoog op de agenda zet en zich bereid verklaart pittige discussies aan te gaan met het grote aantal moslims dat op zijn partij heeft gestemd over onder meer, hoe kan het ook anders, homoseksualiteit.

Als het over God gaat, gaat het altijd ook al snel over homo's - hoe zou dat toch komen?

Dat maakt de wankelmoedigheid van Balkenende zo veelzeggend. Ten overstaan van het totale onbegrip van de Indonesische studenten hield hij geen vurig pleidooi ter verdediging van het homohuwelijk, maar schaarde hij zich meteen aan hun kant - omdat een huwelijk tussen twee mannen of vrouwen indruist tegen zijn eigen religieuze overtuigingen. Daar stond hij, hij kon kennelijk niet anders.

Het probleem is dus niet dat er alleen met koppige moslims binnen de PvdA pittige gesprekken gevoerd moeten worden, zoals Paul Kalma stelt. De religieuze geldingsdrang van overtuigde moslims blijkt ook een pijnlijke lakmoesproef voor christenen als Balkenende.

En de ongelovigen in Nederland? Die gaan het nog druk krijgen; de seculiere geloofsartikelen, waar het homohuwelijk een logisch gevolg van was, voeren ineens niet meer de boventoon, ze spreken niet langer meer vanzelf.

God is, zelfs de meest rationele wetenschappers zijn er nu van overtuigd, onvermijdelijk. Dat betekent dat Hij zo nodig hartgrondig moet worden tegengesproken - juist omdat Hij zo verdomd menselijk is.