De beproevingen van Mekka - Joost Vermeulen;

Ergens halverwege de weg die van Edfou, in het Zuiden van Egypte, naar de Rode Zee loopt, ligt midden in de onherbergzame woestijn aan de rechter kant van de weg een klein uivormig gebouwtje. Op het koepeltje dat ooit wit gepleisterd moet zijn geweest wappert een door de zon verschoten groene vlag. "Op deze plek, zo vertelde mijn Egyptische reisgezel, is tijdens een pelgrimstocht aan het begin van de vorige eeuw een rijke moslim gestorven. De leider van de karavaan waarmee hij op weg was naar Mekka heeft voor hem dit graf gebouwd. De naam van de ongelukkige is verloren gegaan maar omdat het een gelovig man was die stierf wordt zijn graf tot op de dag van vandaag onderhouden".

Deze naamloze pelgrim heeft, zo blijkt na lezing van het boek, The Hajj. The Muslim pilgrimage to Mecca and the Holy Places van de Amerikaanse historicus en islamoloog F.E. Peters, nog geluk gehad. De jaarlijkse pelgrimstocht naar Mekka heeft in de loop der eeuwen vele honderdduizenden slachtoffers gevergd. En het overgrote deel daarvan liet niet meer na dan wat verbleekte botten in het zand. Tot aan het begin van deze eeuw, toen moderne verbindingsmethoden hun entree begonnen te doen was de tocht naar Mekka voor de meeste pelgrims een enorme beproeving.

Talloos waren de gevaren en problemen onderweg. In de bergen langs de Rode Zee, in het Syrische hoogland maar vooral in de meedogenloze Arabische woestijn, overal lag dood en verderf op de loer. Tienduizenden kwamen onderweg om van honger en dorst. Evenzovelen stierven wanneer hun karavaan door een epidemie van de cholera of de pest werd geteisterd. En wie dat alles overleefde liep nog de kans het slachtoffer te worden van aanvallen door roofzuchtige bedoeÔenen stammen. En was men eenmaal in Mekka dan was de kans groot dat men door de machthebbers ter plekke van zijn laatste bezittingen werd beroofd.

Ondanks al die ongemakken, en gevaren zijn er sinds het ontstaan van de islam elk jaar tienduizenden gelovigen op pad gegaan om in Mekka hun religieuze verplichting te volbrengen. Zelfs als de Hadj midden in de zomer werd ondernomen en de temperaturen in de woestijn opliepen tot 50 graden of meer vertrokken uit alle uithoeken van de islamitische wereld de karavanen op weg naar Mekka. Uit Istanbul, Samarkand, Bagdad en Cairo ging men gewoon op pad.

Hoewel het Arabische begrip Hadj meestal vertaald wordt als pelgrimstocht omvat dit begrip in feite meer. Ze bestaat niet alleen uit de tocht naar Mekka maar ze omvat ook alle voorgeschreven rituelen die de pelgrim daar moet uitvoeren.

Blootsvoets

De Hadj is daarmee een van de centrale elementen uit het islamitische geloof. Samen met de geloofsbelijdenis, het dagelijkse gebed (de salat), de jaarlijkse vasten (de ramadan) en de verplichting tot het geven van aalmoezen (zakat), behoort ze tot de pijlers waarop volgens de moslimgeleerden de Islam rust.

Iedere moslim droomt er dan ook van om ooit, op het vastgesteld tijdstip, de achtste, negende en tiende dag van de laatste maand van het islamitische jaar, in Mekka aanwezig te zijn. Blootshoofds en slechts gehuld in een wit gewaad omcirkelt hij dan zeven maal de Ka'aba, het heiligdom waarin zich de zwarte steen bevindt die Abraham daar heeft geplaatst. Na de zevende rondgang drinkt hij uit de heilige bron Zamzam en bidt bij het graf van Abraham. Daarna gaat de pelgrim naar een punt even buiten de moskee en vandaar rent hij naar een tweede iets hoger gelegen plek en weer terug. Daarmee zijn de rituelen in Mekka zelf beŽindigd. De rest van de Hadj speelt zich af buiten de stad. Net als de profeet dat ruim 1400 jaar geleden deed, trekt de pelgrim zich terug in de woestijn. Daar verblijft hij een nacht en ervaart in de nachtelijke stilte de
eenheid met zijn Schepper. De volgende morgen wordt op een berghelling in de omgeving een aantal steentjes geworpen (bedoeld om de Satan te verjagen) waarna de gelovige zich kaal laat scheren. Het hele ritueel wordt afgesloten met het brengen van een offer. Pas dan is de Hadj voltooid en mag de gelovige zich een Hadji noemen. Een eretitel die overal in de islamitische wereld respect afdwingt.

Hoewel er over de Hadj al talloze studies zijn verschenen vormt het boek van professor Peters toch een welkome aanvulling. Op een overzichtelijke manier rangschikt hij alle beschikbare bronnen, zowel de textuele als de, schaarse, archeologische. Aan de hand van deze gegevens, aangevuld met de relevante passages uit de Koran en de traditie (Hadith), laat hij zien dat
bijna alle onderdelen van de Hadj, sommige onveranderd en andere met een kleine aanpassing, afkomstig zijn uit pre-islamitische traditie
, zoals die ten tijde van Mohammed op het Arabische schiereiland bestond.

Peters behandelt de geschiedenis van de Hadj aan de hand van een groot aantal Arabische en Europese bronnen. Die laatste zijn, uiteraard, veruit in de minderheid, want als Europeanen al naar Mekka reisden moesten ze moslim zijn of zich als moslim voordoen. Immers de heilige plaatsen rondom Mekka waren en zijn, op straffe van de dood, ontoegankelijk voor niet-
Moslims. Zo vermomde de negentiende-eeuwse Engelse ontdekkingsreiziger Richard Burton zich als een Afghaanse Pathaan om de reis naar Mekka te kunnen maken. In 1851 volbracht hij in die vermomming de Hadj. Heel lang vormde zijn verslag samen met dat van de Nederlandse islamgeleerde Snouck Hurgronje de enige bron van informatie in het westen over Mekka
en wat zich daar tijdens de Hadj afspeelde.

Karavaan
Sinds de Islam ook in Europa en Amerika aan een opmars is begonnen, is onze directe kennis van Mekka evenredig toegenomen. In het vorig jaar verschenen boek, The Hadj. An American pilgrimage to Mecca, doet de tot de islam bekeerde Amerikaanse auteur Michael Wolfe het verslag van de Hadj die hij in 1991, aan de vooravond van de Golfoorlog, maakte.

Hoewel dit boek hier en daar nogal pathetisch en zweverig is geeft het een goed beeld van hoe een gelovige moslim zijn pelgrimstocht ervaart en ook hoe het er heden ten dage in Mekka tijdens de Hadj aan toe gaat. De auteur heeft zich helaas wat te veel laten leiden door zijn religieuze gevoelens waardoor zijn verslag aan objectiviteit heeft verloren. Wolfe laat niet na te onderstrepen, dat de Hadj een ritueel is van tolerantie en de samenhorigheid en dat de islam een godsdienst is die geen nationaliteiten, rangen of standen kent. Des te opvallender is het dat Wolfe tijdens zijn, korte, verblijf vrijwel alleen met de paar bekeerde Amerikanen met wie hij in een hotel is ondergebracht, contact heeft. En zoals hij zelf opmerkt, worden bij aankomst op het vliegveld de pelgrims al naar nationaliteit gescheiden. En in Mekka worden, zoals Peters dat in zijn boek uitgebreid beschrijft, al sinds eeuwen de pelgrims uit de verschillende delen van de islamitische wereld in afzonderlijke wijken van de stad ondergebracht. Bovendien worden sinds de oorlog tussen Irak en Iran de Shiitische pelgrims uit dat laatste land ook tijdens de rondgang rond de Ka'aba van de overige, Soenitische gelovigen gescheiden. Over dit alles deelt Wolfe niets
mee. De door hem bezongen eenheid en tolerantie zijn eerder kosmetische dan werkelijke kwaliteiten.

Desondanks valt het niet te ontkennen dat de Hadj iets biedt dat boven alle dagelijkse dingen uitsteekt, waardoor gelovigen van zeer verschillende culturele of theologische achtergronden elkaar op een noemer kunnen treffen. Natuurlijk zijn er in de loop der eeuwen allerlei incidenten geweest in en om Mekka, zoals de getuigen van de bloedig neergeslagen demonstratie van
Iraanse demonstranten tijdens de Hadj van 1989 zich altijd zullen herinneren. Maar zelfs wereldoorlogen, opstanden en bloedige onderlinge twisten hebben de Hadj nooit onderbroken.

Een van de verklaringen die hiervoor wel wordt gegeven is dat de Hadj ook een economische en politieke rol speelt. De Hadj is altijd gebruikt om handel te drijven, contacten te sluiten en politieke onderhandelingen te voeren.Zo hebben verschillende Ottomaanse sultans, onder het mom van de bescherming van de pelgrims overal langs de route door de Arabische woestijn forten aan laten leggen. Uiteraard betekende dit dat zij daarmee tegelijkertijd de handelsroute door de woestijn naar de Rode Zee en verder naar Yemen hadden veiliggesteld. Het boek van de Turkse auteur Faroqhi, behandelt dit aspect van de Hadj uitgebreid. Sinds de zestiende eeuw vielen alle grote Hadj routes, waarvan die vanuit Istanbul, Cairo en Damascus de belangrijkste waren formeel onder het gezag van de Sultan. Het jaarlijks uitrusten van een karavaan, het
beveiligen van de route en alles wat daarbij kwam kijken, vergden een omvangrijke organisatie.

Een complicerende factor daarbij vormde nog centralistische bestuursstructuur van het Ottomaanse Rijk. Alle beslissingen van enig belang moesten in Istanbul worden goedgekeurd. De conclusie van Faroqhi is wat dat betreft veel zeggend. "De Hadj bezat gedurende al die eeuwen niets romantisch of exotisch. Er moest een heleboel hard werk gedaan worden, en er waren langdurige onderhandelingen en gecompliceerde financiŽle transacties nodig om het elk jaar weer mogelijk te maken dat de pelgrims en de handelaren op tijd konden vertrekken".

En dit alles ter ere van die ene God wiens heiligdom in Mekka ligt.

Onderschrift:

Foto: 1. 700.000 Pelgrimgangers bidden rond de Ka'aba; 2. Pelgrims in de woestijn; op de voorgrond de leider van de karavaan in zijn witte gewaad

Trefwoord:

Islam; Katholicisme; Levensbeschouwing; Religie; Christendom

Persoon:

Michael Wolfe; F.e. Peters; Suraiya Faroqhi


Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.