Alleen een daad van God kon Calvijn bevrijden

de Volkskrant, Folio, 13 augustus 1994 (pagina 17)
HENK MULLER

Het calvinisme zou zonder meer een vijand van de kunsten zijn. In ÚÚn opzicht klopt dat in ieder geval. Volgens Calvijn mochten kerkgebouwen geen afbeeldingen bevatten van God. In die zin doet zijn houding sterk denken aan die van de geestelijk leiders van de islam, die dergelijke afbeeldingen al bij het onstaan van hun religie hadden verboden.

Calvijn vreesde, net als de islamitische geestelijken, dat afbeeldingen van God het pad zouden effenen naar afgoderij, waardoor de verering van de enige ware God, die zich in de Bijbel - 'Zijn Woord' - had geopenbaard, gevaar zou lopen. Hij zette zich met zijn verbod ook af tegen de steeds drukkere barokke kerkversieringen in de rooms-katholieke en later ook in de lutherse bedehuizen. Andere stromingen zagen in religieuze beelden en schilderingen namelijk wel visuele hulpmiddelen voor de gelovigen om hen tot grotere vroomheid te brengen.

Voor Calvijn was de taal van de Schrift al beeldend genoeg
. Zijn volgelingen zaten daar een beetje mee. Zijn aanhangers behoorden tot de stedelijke elite bij wie het calvinisme als eerste aansloeg. Het calvinisme was in die tijd zeker niet de religie van wat later 'de kleine luiden' zijn gaan heten. Gelukkig waren er tal van andere onderwerpen die de kunstenaars, werkend in opdracht van die stedelijke elite, wŔl konden gebruiken. Ze mochten dan God niet afbeelden, maar de Noordnederlandse en Vlaamse schilders, die zelf ook tot de eerste aanhangers van de reformatie behoorden, wisten met Calvijn dat God ook uit zijn schepping gekend kon worden. Niets belette hen daarom om onderwerpen uit de geschiedenis en vooral de natuur af te beelden.

In de ogen van barok-kunstenaars laadde Calvijn met zijn stellingname de verdenking op zich een tegenstander te zijn van de schone kunsten
. Het calvinisme bracht in de westerse cultuur in brede zin wel veranderingen teweeg die diepe en onuitwisbare sporen hebben nagelaten. De invloeden van Calvijn, weliswaar essentieel gebleken voor de westerse beschaving, zijn echter subtiel. Voor de komst van de reformatie was het christendom in Europa naar binnen gericht. Zonder veel overdrijving kun je zeggen dat de drijvende kracht de monastieke traditie was. Monniken bedreven de meest indrukwekkende vormen van theologie, wijsbegeerte en spiritualiteit. Maar voor de wereld hadden ze weinig of geen aandacht - voor de ware christen was de aarde een vergankelijke plek. Het was beter om zich uit die wereld terug te trekken in een klooster, teineinde zich voor te bereiden op het onvergankelijke en eeuwige leven.

Calvijn brak radicaal met deze traditie. Zijn theologische opvattingen waren daarbij essentieel. Terwijl zijn theologische ideeŰn aan de ene kant het afbeelden van God onmogelijk maakten, maakten zij anderzijds een nieuwe kijk mogelijk op het aardse, het seculiere. Dat had positieve gevolgen voor het beoefenen van van natuurwetenschappen en economie. Gerichtheid op het aardse had tot gevolg dat handel drijven een legitiem onderdeel werd van de door God geschapen werkelijkheid, waarvan alle aspecten ter meerdere glorie van de Allerhoogste ook praktisch-wetenschappelijk bestudeerd mocht worden.

Net als in de ogen van eerdere theologen was voor Calvijn de wereld de schepping van God. Nieuw was dat hij er de nadruk op legde dat de wereld wel onderscheiden was van God, maar niet gescheiden. Met andere woorden: een christen kan zich niet van de wereld afwenden. De opvatting dat kennis van God niet los gezien kan worden van kennis van de wereld verschafte een legitimatie en een impuls aan diegenen die de natuur op systematische, wetenschappelijke wijze wilden bestuderen.

Een christen - in die tijd was iedereen dat - kon zich niet uit de wereld terugtrekken, want wie de wereld afzwoer, zwoer God zelf af. De wereld was na Calvijn niet langer synomiem met het aardse, het materialistische, het kwade. Zondige christenen waren geroepen die wereld tot een betere plek te maken. De aarde werd een essentieel onderdeel van het heilsplan van God.

CALVIJN WAS ZICH als geen ander van zijn roeping bewust. Zoals Paulus radicaal met het jodendom brak om zich, door God ge´nspireerd, voor de christelijke gemeenten in te zetten, zo meende Calvijn dat God hem had laten breken met zijn katholieke achtergrond. Niemand werd in het begin van de zestiende eeuw als protestant geboren. Wie dat wilde worden, moest bewust afstand doen van het verleden.

Niet bekend

In zes boeken voert McGrath de lezer mee op een ontdekkingsreis naar een wereld die weliswaar voorgoed verdwenen is, die van de humanisten, van Luther en Calvijn, maar waarvan nog alom sporen aanwezig zijn. Als geen ander is hij er zich van bewust hoezeer de secularisatie is toegenomen, met als gevolg een navenant gebrek aan kennis over het christendom en zijn cultuurgeschiedenis. In plaats van daarover te jeremiŰren presenteert hij die wereld op een boeiende en begrijpelijke manier.

Een probleem voor historici is altijd de plotselinge bekering van Calvijn geweest, zijn roeping in 1533. Dat komt doordat Calvijn, een gezagsgetrouw man die op aandringen van zijn vader rechten ging studeren terwijl theologie zijn voorkeur had, heel weinig over zijn persoonlijke leven op schrift heeft gesteld. Calvijn was plotseling doordrongen van de almacht van God en zag zichzelf als instrument in Zijn handen.

Zo schrijft hij jaren later dat hij een 'plotselinge bekering' had doorgemaakt en verzekert hij dat hij 'zozeer was verknocht aan de bijgelovigheden van het pausdom' dat alleen een daad van God hem daaruit kon bevrijden. Het tekent de man: alles gaat van God uit. Calvijn is passief, God handelt. Dat is zo ongeveer alles wat Calvijn over zijn persoonlijke opvattingen openbaar wilde maken.

Overigens wijst McGrath erop dat Calvijn's gevoel uitverkoren te zijn geen teken van arrogantie was in die tijd. Door God geroepen te zijn was naar menselijke maatstaven eerder een teken van volledige mislukking, want God roept de ongelukkigen, de onrechtvaardigen en de gebrokenen van hart, schrijft McGrath.

Met zijn wilskracht, zijn discipline en de absolute zekerheid dat zijn overtuigingen juist waren, streefde Calvijn zijn doel na: het scheppen van een levende kerk op aarde, die alle mensen zou omvatten.
De man die aan zichzelf twijfelde bezat een niets ontziende moed die grensde aan overmoed.

Calvijn was een sober mens, een puritein voor wie zelfs zijn vrienden weinig affectie voelden. Het was voor hem niet moeilijk menselijke zwakheden te veroordelen, om de eenvoudige reden dat hij die nooit aan den lijve ervoer, schreven eerdere biografen. Maar McGrath is realistischer en wijst erop dat er te weinig over hem bekend is om een historisch verantwoord profiel te schetsen. Het beeld van de hervormer is ook blijvend gekleurd door de vijandige biografie die zekere Jerome Bolsec in 1557 schreef, zes jaar na een twistgeprek met Calvijn waaraan hij slechte herinneringen had overgehouden. Volgens zijn Vie de Calvin was de hoofdfiguur onverbeterlijk saai, boosaardig, bloeddorstig en gefrustreerd.

Calvijn liet zich volgens Bolsec vereren als God, hij beschouwde zijn woorden als God's woorden. Ook gaf hij niet alleen regelmatig toe aan zijn homoseksuele neigingen, hij had volgens de biograaf de neiging zich op te dringen aan elke vrouw op loopafstand. McGrath wijst erop dat die biografie wel lekker leest, maar dat Bolsec's werk - naar diens zeggen gebaseerd op getuigenissen van 'geloofwaardige personen' - de toets der historische kritiek niet kan doorstaan.

Jammer genoeg maakt ook McGrath de belofte op de flaptekst van de Nederlandse vertaling niet waar. Daarop staat dat zijn boek 'een hele reeks nieuwe en meeslepende onthullingen over de man achter het calvinisme' bevat.

Dat valt de auteur niet kwalijk te nemen, temeer omdat hij duidelijk maakt dat Calvijn een opmerkelijk teruggetrokken persoon was, 'dus het is onvermijdelijk dat hij naar voren komt als een nogal kleurloze figuur, als een man wiens diepste gedachten, opvattingen en ambities grotendeels voor ons verborgen blijven'. McGrath slaagt er wel in de sociaal-culturele omstandigheden te schetsen waaronder Calvijns ideeŰn in vruchtbare aarde vielen. Het einde van de vijftiende eeuw gaf een niet verklaarde groei te zien van de zogeheten volksvroomheid. Ook bij intellectuelen nam de belangstelling voor religie sterk toe.

Begin zestiende eeuw leerden steeds meer volwassenen lezen en schrijven en dank zij de opkomende boekdrukkunst en papierindustrie verwierven de geschriften van de reformatoren in bredere kring bekendheid. Minsten zo belangrijk was de toenemende invloed van de renaissance-idee van het belang van het individueel bewustzijn. Niet langer waren het collectief en het instituut kerk zaligmakend. Geloof moest men zich persoonlijk eigen maken.

Daarbij had de kerk het zicht op de bron van het christendom, het Nieuwe Testament, weggenomen. Net zoals de humanisten de schrijvers uit de klassieke oudheid herontdekten, richten de hervormers zich op de teksten van het Nieuwe Testament en de kerkvaders, van wie Augustinus verreweg het belangrijkst werd gevonden. McGrath licht toe dat over Calvijn's eerste jaren als hervormer weinig bekend is. In tegenstelling tot Luther heeft hij in die cruciale periode vrijwel niets op schrift gezet. En wat er is, zijn commentaar op Seneca's De clementia ('Over de mildheid') uit 1532, laat weinig los over de auteur. Wel wordt duidelijk dat Calvijn de ambitie had een humanistisch geleerde te worden.

Volgens McGrath is Calvijn's commentaar in de eerste plaats geleerd en in de tweede plaats saai. Dr J. van Eck is het niet met hem eens en gebruikt dit commentaar om de 'humanitas' uit te diepen, de menselijkheid die volgens hem bij Calvijn zo'n belangrijke rol speelt. Deze classicus en theoloog schetst in God, mens, medemens de invloed van het oorspronkelijk uit de sto´cijnse wijsbegeerte stammende idee van de mildheid op het denken van Calvijn. Een deugd die Seneca, een van de belangrijkste sto´cijnse filosofen uit het begin van onze jaartelling, als leermeester van harte aanbeval aan zijn pupil, de Romeinse keizer Nero, die daar weinig oren naar bleek te hebben.

Calvijn mag dan een kille persoonlijkheid zijn geweest, Van Eck weet in zijn boek duidelijk te maken dat de van oorsprong sto´cijnse gedachte dat de mensheid ÚÚn is en dat mensen elkaar daarom als medemensen menswaardig dienen te behandelen, diep ligt verankerd in diens opvattingen.
Calvijn wenste dat de hele samenleving doortrokken zou zijn van godsdienst. Maar aangezien de reformatorische kerken in de zestiende eeuw protestbewegingen waren en nog lang geen staatskerken, kwam van dat ideaal weinig terecht.

IN ZIJN Calvijn en de zelfstandigheid van de Kerk beschrijft dr H. Speelman uitvoerig hoe Calvijn worstelde met het ideaal van een ongedeelde religieuze maatschappij en de realiteit van een kerk die door de opkomende nationale staten niet werd erkend, laat staan direct een bepalende rol kreeg. Speelman promoveerde deze zomer op dit onderwerp aan de Vrije Universiteit. Zijn boek behoort tot de grondige detailstudies waarop mensen als McGrath overzichtswerken kunnen baseren.

McGrath vergelijkt de impact van de reformatie met een reusachtige, blijvende krater in het westerse culturele landschap, waaraan te zien is hoe groot de kracht van de explosie geweest moet zijn. Nog altijd kent de samenleving een residu van sociale, politieke, morele en economische opvattingen die oorspronkelijk verbonden waren met de calvinistische levensovertuiging.

Hij illustreert dat met het voorbeeld van de Engelsman die ergens in NoordIerland, waar de sektarische strijd woedt tussen protestanten en katholieken, wordt aangesproken door een groepje vijandige jongeren die hem vragen of hij protestant is of katholiek. De Engelsman aarzelt en antwoordt dat hij athe´st is, waarop de jongeren onmiddellijk vragen: 'Ja, maar bent u een protestantse of een katholieke athe´st?'

Alister McGrath: Johannes Calvijn.