Ouders en peren; JUDITH HARRIS' AANVAL OP HET EFFECT VAN OPVOEDING

Hendrik Spiering

Judith Rich Harris: 'The Nurture Assumption. Why Children turn out the way they do'. The Free Press 1998. 462 blz. f64,95. In februari 1999 verschijnt de Nederlandse vertaling bij uitgeverij Contact: Het misverstand opvoeding, f49,90. Op het Internet is veel informatie over de controverse te vinden. Een goed uitgangspunt is http://home.att.net/ xchar/tna/

'Het boek dat zegt dat ouders er niet toe doen.' Met haar stelling dat kinderen vrijwel uitsluitend worden gevormd door genen en andere kinderen keert Judith Rich Harris zich met haar boek The Nurture assumption tegen een respectabele onderzoekstraditie.

EEN PAAR FEITEN over ouders en kinderen kunnen door iedereen wel zo'n beetje worden vastgesteld. En ze zijn op uitputtende wijze wetenschappelijk bevestigd. Ouders die hun leven op orde hebben en goed met andere mensen kunnen opschieten, hebben meestal kinderen met een goed leven en een rijk sociaal bestaan. En andersom: kinderen van probleemgevallen zijn ook vaak probleemgevallen. Verder blijken kinderen die met liefde en aandacht zijn behandeld, later meestal sociaal vaardiger en maatschappelijk geslaagder dan kinderen die dat niet zijn.

So far so good. Maar hoe is deze samenhang tussen ouders, kinderen en vriendelijke behandeling te verklaren? Op deze vraag zijn vele antwoorden mogelijk. 'De opvoeding door de ouders heeft grote invloed op de persoonlijkheid en prestaties van de kinderen', luidt tegenwoordig de meest algemene opvatting onder ouders en wetenschappelijke onderzoekers. In traditionele samenlevingen bestaat de zorg over de 'juiste' opvoeding veel minder, juist omdat daar de maatschappelijke eisen veel duidelijker zijn. Het belang van opvoeding gaat terug op het begin van de grootscheepse industrialisatie, in de vorige eeuw. De voorbereiding van kinderen op de snel veranderende samenleving werd steeds belangrijker en moeilijker. En tegelijkertijd kwam onder invloed van Freudiaanse ideeen de (mis)vormende rol van het ouderlijke huis steeds centraler te staan. Sindsdien wordt in de moderne samenleving veel wetenschappelijk onderzoek en veel ouderlijk getob besteed aan de vraag wat de beste opvoedtechniek is.

'Nee!' zegt hierop echter de psychologe Judith Rich Harris in haar inmiddels geruchtmakende boek The Nurture Assumption. Why children turn out the way they do, dat in augustus verscheen in de Verenigde Staten.

Haar verklaring van de samenhang tussen ouders en kinderen is een heel andere. Dat kinderen op hun ouders lijken komt niet door de opvoeding. Die gelijkenis is volledig genetisch bepaald. Een ouder kan met zijn gedrag een kind ongelukkig maken, en hun onderlinge relatie kan volledig verpest worden. Maar een effect op het latere karakter van het kind heeft dat niet, concludeert Harris.
''Er is geen natuurwet die zegt dat ellende altijd nawerkingen heeft.'' En andersom: ''Gelukkig zijn vandaag beschermt een kind niet tegen ongelukkig zijn morgen.'

En de vele verschillen tussen kind en ouder worden buitenshuis bepaald. De karaktervorming van een kind vindt plaats in de peer group waartoe het kind zich rekent: de groep van de 'gelijken' en soortgenoten - op school en op straat. Kinderen kijken niet naar hun ouders, maar naar andere kinderen als voorbeelden voor hun gedrag en ideeen, aldus Harris
. Ouders maken zich dus volkomen ten onrechte zorgen over hun opvoedingsmethoden een punt dat Harris vaak benadrukt in haar boek. De belangrijkste invloed die Harris nog toekent aan ouders is de beinvloeding van de peer group van hun kinderen - door in een bepaalde buurt te gaan wonen bijvoorbeeld of door het kroost naar die ene en niet die andere school te sturen. Het negatieve effect dat scheiding van de ouders vaak heeft op de kinderen verklaart Harris dan ook uit het feit dat zo'n scheiding vaak leidt tot verhuizing naar een armere buurt.

BEANGSTIGEND

Al voor verschijning van het boek in september brak er - door voorafgaande publicaties in onder meer de New Yorker - in de VS enig tumult uit onder wetenschappers en ouders, die hun investeringen in opvoeding ruw opzij geschoven zagen.

'It won't be your fault if the kid becomes a serial killer', vatte de populaire krant USA Today het boek samen. ''Het is beangstigend om te zien hoe populair dat idiote nieuwe boek is'', liet de Amerikaanse nestor van de kindergeneeskunde, T. Berry Brazelton (80) weten, ''en daaruit kun je afleiden hoe schuldig ouders zich wel niet voelen dat ze hun kinderen in het kinderdagverblijf achterlaten''. In Nederland is het boek door de psycholoog D. Kohnstamm al afgedaan als 'onzin, natuurlijk'. Maar de bekende cognitiewetenschapper Steven Pinker van het MIT in Boston voorspelt in zijn voorwoord bij The Nurture Assumption dat het boek over een tijdje ''zal worden gezien als een keerpunt in de geschiedenis van de psychologie''.

De psychologe Harris (60) is niet verbonden aan een universiteit. In 1961 mislukte haar promotie aan Harvard. Daarna werkte ze een paar jaar als onderzoeker aan het MIT en de Universiteit van Pennsylvania. Ze trouwde met een mede-student, kreeg een dochter, adopteerde een tweede en kreeg in 1977 een chronische auto-immuunziekte waardoor ze aan huis gebonden raakte (en ze ook nu vrijwel geen interviews geeft). In die tijd werd ze schrijver van handboeken over (ontwikkelings)psychologie, werk waaraan ze nu haar grote belezenheid dankt. Haar wetenschappelijk doorbraak kwam in 1995 toen ze een artikel publiceerde over groepssocialisatie in het toonaangevende tijdschrift Psychological Review. Ze kreeg voor dat artikel (waarvan de Nurture Assumption een uitwerking is) zelfs een prijs van de American Psychology Association, de George A. Miller-prijs, ironisch genoeg genoemd naar de Harvardpsycholoog die in 1961 haar ontslagbrief ondertekende.

In haar aanval op de invloed van de ouderlijke opvoeding kan Harris een paar krachtige argumenten - alle op basis van gedegen onderzoek - aanvoeren.

Haar belangrijkste uitvalsbasis is het genetische argument. Overeenkomsten tussen ouder en kind zijn goed te verklaren uit de erfelijke basis van gedrag en karaktereigenschappen. Tenslotte delen ouders met hun kinderen de helft van hun genetische materiaal. Dankzij onderzoek naar door adoptie van elkaar gescheiden eeneiige tweelingen (die genetisch identiek zijn) is het redelijk goed mogelijk het effect van verschillende opvoeding op hetzelfde genetische materiaal te meten. Dat effect blijkt vrijwel nihil.

Het verschil in karakter en persoonlijkheid dat eeneiige tweelingen vertonen nadat ze door adoptie gescheiden zijn opgegroeid, is niet groter dan dat tussen eeneiigen die samen zijn opgevoed door hun ouders. Vijftig procent van de verschillen in eigenschappen worden door de genen bepaald, aldus de conclusie uit dit uitgebreide tweelingonderzoek dat sinds de jaren zeventig aan de Universiteit van Montana wordt verricht.

En de uitkomsten van onderzoek naar adoptiekinderen die in hetzelfde gezin opgroeien (die dus wel hun opvoeding maar niet hun genen gemeenschappelijk hebben) zijn ook al niet erg gunstig voor de invloed van de opvoeding. Deze kinderen blijken evenveel van elkaar te verschillen als kinderen uit andere gezinnen. Het gaat hierbij om vergelijking tussen de uitkomsten van allerhande psychologische persoonlijkheids- en intelligentietesten dezelfde die worden gebruikt om het effect van ouderlijke opvoeding op kinderen te bepalen.

Belangrijk voor deze grote verklarende waarde van erfelijkheid zijn wat Harris noemt de 'indirecte genetische effecten': een genetisch bepaalde eigenschap roept een bepaalde reactie bij de omgeving op die eigenschap verder vormgeeft.

Ouders passen hun opvoedingsmethoden aan aan het kind. De vriendelijkheid van een kind is dus de oorzaak van de welwillende opvoedmethode door de ouders, niet het gevolg. Op die manier creeren de gescheiden tweelinghelften een vergelijkbaar 'milieu' om zich heen. En door die onvermijdelijke - en voorspelbare - reactie van de omgeving op bepaalde aangeboren eigenschappen kunnen ook andere trekken worden gecreeerd. Lelijke kinderen worden bijvoorbeeld vaak strenger gestraft dan mooie kinderen.

Die vijftig procent van de eigenschappen die de erfelijkheid verklaart, is veel sterker dan de tot nu toe gevonden verbanden tussen opvoeding en kindergedrag (waarbij met erfelijkheid geen rekening wordt gehouden). En dan gaan die verbanden ook nog eens alleen op voor het gedrag in het ouderlijk huis zelf. Want ouders mogen er in slagen om hun kind netjes te leren eten, dat thuisgedrag zegt verrassend weinig over de wijze waarop het kind voedsel in zijn mond stopt als hij onder vrienden is.

Een uitweg om het primaat van de ouderlijke opvoeding te handhaven is de stelling dat die opvoeding kennelijk per kind verschillend is en daarom niet te meten met een vergelijking tussen het effect van opgroeien in hetzelfde gezin. Maar ook daarvoor zijn nooit harde bewijzen gevonden. Met een beroep op de Zwitserse onderzoekers C. Angst en J. Ernst, die alle beschikbare onderzoeken analyseerden en ook zelf uitvoerige onderzoek deden, veegt Harris bijvoorbeeld de these van tafel dat geboortevolgorde een groot verschil zou uitmaken voor de karaktervorming van kinderen (de Born to Rebel-these van Frank Sullaway). Sociaal gedrag, extraversie agressiviteit, depressie, dominantie, openheid, enzovoorts: geen enkel karakterverschil blijkt samen te hangen samen met de plaats in het ouderlijk huis: oudste, jongste, middelste etcetera.

Het enige duidelijke effect van geboortevolgorde is dat de gezinsgenoten zeggen dat ze de oudst 'bazig' vinden, en de jongste zoveel 'vrijer', maar uit de persoonlijkheidstesten blijkt dat verschil niet.

EVOLUTIE

Ouders exit, de genen slechts geldig voor 50 procent. Waardoor wordt de andere helft van het karakter van de kinderen dan beinvloed? Volgens Harris blijft er niet veel anders over dan het niet-gezinsleven van kinderen: de omgang met andere kinderen. En dat is ook precies het gezelschap waarin kinderen in primitieve maatschappijen de meeste tijd doorbrengen. Harris poneert zelfs een evolutionaire oorsprong voor de voorliefde van kinderen voor kinderen. Nog altijd willen kinderen het liefst bij andere kinderen zijn, zoals menig ouder soms tot zijn verdriet merkt. Kinderen boven een jaar of vijf, zes kunnen misschien al best zonder ouders of verzorgers, zolang ze maar een stabiele peer group hebben, speculeert Harris.

Harris' bewijzen voor de invloed van de kindergroep op het latere karakter zijn indirect. In een barrage van voorbeelden en analyses zet ze een krachtig betoog neer over 'groepsdenken'. Mensen (en kinderen in het bijzonder) zijn bijzonder sterk geneigd om zich, soms op volstrekt willekeurige gronden, bij een groep in te delen en de verschillen met andere groepen te benadrukken. En kinderen beschouwen zichzelf primair als 'kinderen', en kijken dus naar andere kinderen voor gedragsvoorbeelden en niet naar volwassenen (die ze vaak ook helemaal niet mogen imiteren).

Zet twee baby's bij elkaar in een kamer en ze hebben vooral oog voor elkaar. Beeldend beschrijft Harris ook hoe ooit een experiment met twee willekeurig samengestelde groepen jongens in een zomerkamp volledig uit de hand dreigde te lopen.

Pas toen een externe vijand werd gecreeerd, gingen de Rattlers en de Eagles weer samenwerken en kon onderling geweld worden vermeden. Ze geeft verder duidelijke voorbeelden van groepsgedrag op scholen, waar de slechtere leerlingen zich met elkaar identificeren en zo een anti-schoolmentaliteit opdoen. In Amerika vindt deze zelf-identificatie vaak op raciale grondslag plaats, waarbij leergierige zwarten door hun groep acting white wordt verweten. Een ander duidelijk voorbeeld van groepsinvloed is de geslachtelijke identificatie. Kinderen leren elkaar heel snel: jongetjes doen dit en meisjes doen dat. En heb niet het hart die grenzen te overschrijden, Zodat moderne ouders tot hun verbijstering van hun peuterdochter kunnen horen dat meisje geen dokter mogen worden, dat is iets voor jongens.

Nergens wordt conformisme zo wreed en hard afgedwongen als onder kinderen. Zij willen nu eenmaal koste wat het kost ergens bij horen, desnoods bij een groep die hen afwijst. Hoe groter de groep kinderen, des te groter het aantal subgroepjes wordt. En in zo'n groepje worden de (aangeboren) eigenschappen van een kind versterkt of verzwakt, afhankelijk van de rol die hij te spelen krijgt. ''Een geestig kind wordt vaak alleen maar geestiger'' aldus Harris. En een gewelddadig kind gewelddadiger: ''Er zijn veel vicieuze cirkels in de ontwikkeling van kinderen.''

Echter werkelijk bewijzen doet Harris het absolute belang van de socialisatie en karaktervorming door de peers niet. Het enige bewijs dat ze aandraagt boven anekdotes en theoretische analyses, betreft de taal die kinderen spreken, of meestal: het accent waarmee ze die taal spreken. Kinderen nemen het accent van hun groepsgenoten over, zoals Hollandse ouders in Limburg (en andersom) meestal snel merken.

Een kind van Russische immigrantenouders leert op zijn school in Oxford perfect Engels spreken zolang zijn klasgenoten tenminste niet ook kinderen van recente immigranten zijn. Terecht beschouwt Harris dit feit als een belangrijke ondersteuning voor haar theorie. De taal die een kind leert spreken, is een van de weinige culturele elementen waarin erfelijke factoren geen enkele rol spelen en waarin een groot verschil kan bestaan tussen het ouderlijk milieu en de peer group. En precies daarin blijkt de invloed van de peer group gigantisch groot. Maar dit bewijst niet dat dit mechanisme ook voor karakter en persoonlijkheid opgaat.

Het blijft dus mogelijk dat het ouderlijk huis niet-erfelijke invloed uitoefent, hoe onvoorspelbaar en ongrijpbaar in psychologische testen die dan ook mogen zijn. ''De kindergeest is te complex om op het Procrustes-bed van een simpele theorie te worden gelegd'', schrijft ook Harris halverwege haar boek over de theorie van de alomvattende ouderlijke invloed. Die opmerking gaat natuurlijk evengoed op voor haar eigen theorie van de alomvattende peer-invloed. En op sommige plaatsen laat Harris die ouderlijke opvoedingsinvloed ook wel toe. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld een gezin de functie van de peer group overnemen. En ook waar de peer group geen conformisme eist is ruimte schrijft Harris, met haar eigen cursivering: ''Keuzes uit de kindertijd thuis gemaakt over carrieres, politiek, religie, kunnen repercussies hebben op het hele verdere leven. Die keuzes kunnen worden meegenomen naar de peer group, maar ze veranderen verder niet omdat de andere kinderen het niet opmerken, of omdat het ze niet kan schelen.''

Harris heeft een punt, maar ze overdrijft, luidt de algemene trend in de wetenschappelijke reacties op haar werk.

In een recensie in de New York Review of Books (5 november) schrijft bijvoorbeeld de Harvard-psycholoog Howard Gardner dat de terecht door Harris aangeklaagde rammelende theorieen over de ouder-kind-relatie meer zeggen over de huidige stand van de psychologische wetenschap dan over de ouders en kinderen zelf. Gardner: ''We weten gewoon niet waar we op moeten letten en hoe we moeten meten als het gaat om menselijke persoonlijkheidstrekken individuele emoties en motivaties, laat staan karakters.'' Het is dus nog veel te vroeg om harde conclusies te trekken, maar Gardner voorspelt al wel: ''Ouders en peers zullen complementair blijken te zijn. Ouders zijn belangrijker als het gaat om onderwijs, discipline, verantwoordelijkheid ordelijkheid, liefdadigheid en de omgang met gezagsdragers. Peers zijn belangrijker voor het leren van samenwerking, het vinden van populariteit en het bedenken van interacties met leeftijdsgenoten. Jongelui vinden hun peers waarschijnlijk interessanter, maar als het om hun toekomst gaat dan zullen ze naar hun ouders kijken.''

In Nederland wordt Gardners relativerende oordeel gedeeld. De Utrechtse hoogleraar jeugdstudie, Wim Meeus, zegt: ''Het onderzoek staat in de kinderschoenen. Natuurlijk zijn de peers belangrijk. Maar een kind moet in beide werelden kunnen overleven: tussen zijn leeftijdsgenoten, en met zijn ouders. En thuis doet een kind zijn basiscompetentie op. Grappig is dat wij met ons onderzoek juist weer een beetje afstand nemen van de grote invloed van de peer group. Uit een recent onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat roken en drinken door jongeren veel sterker wordt beinvloed door het gedrag van hun ouders dan het roken of drinken van hun vrienden.

Wie had dat gedacht?''

IN TWEEEN GEKNIPT

Aan het Paedologisch Instituut in Duivendrecht is Wim Slot 'hoofd onderzoek'. Hij ziet veel in het verhaal van Harris, maar begrijpt niet waarom ze de invloed van de peers zo verabsoluteert: 'De discussie over de invloed van erfelijkheid versus opvoeding loopt jaren. Dit is kennelijk het vervolg: de opvoeding wordt in tweeen geknipt: de ouders en de peers. Dat is goed, maar we moeten de invloed van ouders natuurlijk niet gaan onderschatten. Peer groups wisselen snel, maar de ouderlijke invloed blijft.'' Slot kan zelfs geen enkele reden verzinnen om juist de peer group zo'n allesoverheersende rol te geven. ''Want geen invloed overheerst altijd bij ieder kind. De mens is het meest flexibele wezen op aarde, en kinderen zijn dat ook. Een kind zoekt zijn hulpbronnen waar-ie ze maar kan vinden, bij zijn ouders, bij zijn peer group, op school, op straat, overal. Soms vindt hij het meest bij zijn peer group, maar heel vaak ook niet. Iedere situatie is verschillend. Dat maakt dit soort onderzoek zo complex. Sterker nog een goede opvoeding versterkt juist die flexibiliteit van een kind, om zich aan iedere situatie aan te passen en er het beste uit te halen.''

En ook de indirecte erfelijke effecten waar Harris zo op hamert moeten niet overdreven worden, zegt Slot. Zijn instituut heeft veel te maken met echte probleemjongeren, vol agressiviteit. ''Dat antisociale gedrag is waarschijnlijk erfelijk bepaald. Het heeft te maken met een onvermogen tot plannen en een gebrek aan remming: allemaal frontale functies in de hersenen. En inderdaad, die kinderen kunnen in hun gedrag gemakkelijk negatief versterkt worden door de reactie die ze oproepen bij hun ouders.

Maar dat hoeft dus niet. Er zijn heel veel aanwijzingen dat juist concrete training van ouders om beter met zo'n kind om te gaan succesvol zijn. Die zogenaamd vaste erfelijke neigingen zijn heel goed beinvloedbaar. Er zijn altijd herkansingen voor een kind. Zeker als dat vroeg in het leven gebeurt. Maar na het dertiende jaar kun je er meestal niet veel meer aan doen.''