Voor de neoliberaal is het algemeen belang onzin, voor de liberaal is het juist de kern

Frank Ankersmit

Opinie | Zaterdag 03-01-2009 | Sectie: Overig | Pagina: O04 | Frank Ankersmit

Zelden is met de markt zo geknoeid als onder het naÔeve neoliberalisme dat uitgaat van harmonie van private belangen

Tot voor kort werd van politiek links tot rechts gedacht dat de economie aan zichzelf moest worden overgelaten. Staat en politiek konden het ragfijne spel van de economie immers alleen maar verstoren. Met de kredietcrisis bleek deze gedachte een fatale illusie. Staat en politiek staan nu voor een uitdaging waar zij noch praktisch noch theoretisch op voorbereid zijn. De kredietcrisis is daarom niet alleen een economische, maar vooral ook een politieke crisis. Wat 1989 was voor het sovjetblok, is 2008 voor de westerse liberale democratieŽn. Vorig jaar bracht ons het failliet van het financiŽle kapitalisme. Rest ons nog het industriŽle kapitalisme; maar juist daar is de concurrentiestrijd met China en India moeilijk meer te winnen.

Het financiŽle kapitalisme van de afgelopen vijftien jaar verhief de verzekeringsmaatschappij tot model van heel ons financiŽle systeem. Het werd mogelijk om je tegen beleggingrisicos te verzekeren, zoals je je altijd al tegen brand kon verzekeren. Op het eerste gezicht het mooiste wat zich denken laat: je belegt en tegen de risicos ervan kun je je weer indekken. Maar die beleggingsrisicos zijn uiteraard afhankelijk van het reilen en zeilen van heel het financiŽle systeem. Daar ligt het wezenlijke verschil met brand- of schadeverzekeringen. Hiermee deed een nieuw en levensgevaarlijk element zijn intrede. Verzekeren werd nu gokken op de soliditeit van heel het financiŽle systeem. Anders gezegd, alle individuele risicos werden geaccumuleerd binnen ťťn groot superrisico (de moeder van alle risicos, om met Saddam Hussein te spreken). Namelijk het risico dat je er door onvoorziene omstandigheden naast zit met je gok op de onverwoestbaarheid van het financiŽle systeem.

Een Chinese parabel zegt het zo. Er was eens een rijk man die zijn vele bezittingen tegen diefstal wilde beschermen. Zijn geld en kostbaarheden verborg hij op verschillende plaatsen. Soms ontdekten dieven toch zon plaats. Dat verdroot de rijke man. Hij liet daarom een heel grote brandkast bouwen waar hij al zijn kostbaarheden accumuleerde, om de juiste terminologie te gebruiken. Pas nu voelde hij zich verzekerd tegen diefstal. Inderdaad was hij nu tegen kleine dieven beschermd. En hij was zeer gelukkig. Maar toen kwam de Grote Dief die de hele brandkast stal, met alles wat daar inzat. Die Grote Dief is vannacht bij ons langs geweest.

De kredietcrisis, en alles wat daarmee te maken heeft, gaat over geld en economie. Geld is iets heel moois - het valt niet te ontkennen. Je kunt er van alles mee kopen. Geld is zelfs beter dan politiek. Wat je voor geld niet krijgen kunt - levensgeluk, intelligentie, jeugd et cetera - kan de politiek je ook niet geven. Verder, over je geld kun je zelf beschikken, terwijl je in de politiek altijd te maken hebt met anderen, wat alles mateloos compliceert. Veel loopt in de soep wat goed zou gaan zolang je bij je eigen geld blijft. Kunnen we de politiek dan niet naar de wereld van het geld modelleren? Dat zou een grote stap vooruit zijn. Dat is de basisgedachte van het neoliberalisme.

Neoliberalen waren diep onder de indruk van de verzekeringsmaatschappij als model voor de economie Als dat model daar zo goed werkt, zo redeneerden zij, laten we het dan ook in de politiek en de staat introduceren. Zij stelden daarom voor om de staat te zien als ťťn grote verzekeringsmaatschappij. Nu heeft die nationale verzekeringsmaatschappij een rommelige polis en de te betalen premies - dat wil zeggen onze belastingen - vallen bepaald hoog uit. Aan die nationale verzekeringsmaatschappij valt volgens de neoliberalen dus heel wat te verbeteren. Laten we daartoe eerst al onze risicos - vrede, veiligheid, bereikbaarheid, ziekte, gebrek aan adequate scholing et cetera - eerst eens netjes uitsplitsen en daar allemaal individuele verzekeringsmaatschappijen voor oprichten. Daarmee kunnen we vervolgens individueel scherp over de premie onderhandelen.

Aldus de neoliberale gedachtengang. Vandaar die ongeremde neoliberale privatiseringslust van voormalige overheidstaken. Verzekeraars zullen op alle mogelijke terreinen voormalige staatstaken overnemen. Voor de staat zelf blijft dan weinig of niets meer over.

Maar die neoliberale gedachtengang is in strijd met de essentie van het liberalisme. Want in het echte liberalisme is de staat wezenlijk meer dan alleen maar een onoverzichtelijke en inefficiŽnte verzekeringsmaatschappij. De neoliberale staat als een superieure verzekeringsmaatschappij laat alleen ruimte voor private belangen. Neoliberalen kiezen voor de volstrekte egocentriciteit van de burger; voor hen heeft de burger net zo weinig een band met staat en samenleving als een verzekerde met zijn brandverzekeringsmaatschappij. Het publiek of het algemeen belang zien zij als een collectivistische, zo niet protototalitaire illusie en als een constante bedreiging van de individuele vrijheid. Voor de neoliberaal is het algemeen belang onzin, maar voor de echte liberaal is hetjuist het hart van staat en politiek.

Dat brengt ons tot de kern van de zaak. Het beroemdste boek uit de geschiedenis van de politieke theorie is wellicht Hobbes uit 1651 daterende Leviathan. Thomas Spragens vatte Hobbes werkwijze als volgt samen:

,,Van de politieke uitgangssituatie zou Hobbes kunnen zeggen dat hij meer lijkt op de situatie van een kapot horloge. De horlogereparateur moet die dan uit elkaar halen en op juiste manier in elkaar zetten met de delen gerangschikt volgens hun natuur. Zo, zou Hobbes zeggen, kwam ik in een samenleving die aan stukken lag door burgeroorlog, haalde hem in gedachten uit elkaar en herstelde het in een geordend geheel dat overeenstemt met de natuur van de samenstellende onderdelen.

Vooral economen zullen zich aangetrokken voelen tot een dergelijke conceptie. Wat niet verwonderlijk is. Toonde Joseph Schumpeter in zijn geschiedenis van het economisch denken al niet aan hoe natuurlijk en vanzelfsprekend de wetenschap van de economie zich bij Adam Smith ontwikkelde uit natuurrechtelijke speculaties als die van Hobbes Leviathan? Het 17de en 18de eeuwse natuurrecht is nog steeds onder ons in de vorm van de sociale wetenschappen - en met name van die van de economie.

Maar het model is onjuist. Het veronderstelt immers dat het met de menselijke samenleving net zo is als met de onderdelen van een kapotte klok en dat die allemaal zo in elkaar gezet kunnen worden dat je een goed lopend uurwerk krijgt. Maar waarom zou dat zo zijn? Stel dat de onderdelen die de klokkenmaker aangeleverd kreeg, de onderdelen waren van een wekker, van een kerkklok, van uw horloge en van de pendule van uw tante. Daar kun je nooit een goedlopend uurwerk van maken. En waarom zou het met mens en samenleving anders wezen? Kant zei al dat der Mensch ist ein so krummes Holz, dass daraus nichts ganz Gerades gezimmert werden kann (vert. de mens is zon krom stuk hout, dat daar niets rechts van te timmeren valt). Het idee dat dat anders zou zijn, is een metafysische illusie waar economen en neoliberalen gaarne in geloven, maar die au fond niets meer is dan een onbewezen aanname.

We mogen er dus niet van uitgaan dat alle private belangen onder ťťn noemer te brengen zijn, en dus ook niet van de reduceerbaarheid van het algemene publieke belang tot private belangen. Het publieke belang behoudt dan zijn eigen status tegenover het private belang, de Staat het zijne tegenover die van de samenleving en de politiek zijn prioriteit ten opzichte van de economie. Daar ligt dus het gelijk van de liberalen tegenover de neoliberalen.

In de geschiedenis van het liberalisme ligt een beslissende cesuur rond 1800. Het liberalisme van vůůr 1800 was voornamelijk defensief: het wilde vooral een private sfeer demarkeren die vrij zou zijn van de grillen van absolute monarchen. We danken daaraan onze burgerlijke vrijheden. Dat liberalisme van voor 1800 was van nature sterk economisch gericht, pleitbezorger van vrijhandel en voor het overige apolitiek. Het neoliberalisme en (helaas) ook de huidige VVD zijn er de erfgenaam van.

Dat veranderde na 1800. De liberalen hadden nu de staat veroverd op de absolute monarchie en het was hun hoge taak die in te richten. Dat vereiste denkarbeid. Denkarbeid waaraan in Engeland minder behoefte was dan op het Europese continent, omdat de overgang van absolute monarchie naar een liberale parlementaire democratie zich daar in anderhalve eeuw langs wegen der geleidelijkheid voltrok. Maar in Frankrijk en elders op het Europese continent lag dat anders. Hier moest men de politieke ervaringen sinds 1789 nauwkeurig doordenken en de resultaten van die denkarbeid verwoorden in scherpe, begrijpelijke en praktisch toepasbare conclusies. Het defensieve op de economie gerichte liberalisme van voor 1800 werd aldus verruild voor een scheppend liberalisme, dat met zelfvertrouwen vorm gaf aan de Staat en zijn relatie tot de samenleving.

Allereerst de politieke vrijheid, het recht tot participatie aan de publieke besluitvorming, werd nog slechts voorzichtig opgeŽist in de 18de eeuw. Zelfs in Engeland. Tekenend is John Lockes notie van government by consent, waar het initiatief voor de politieke besluitvorming nog bij de vorst bleef. Maar na 1830 werd in continentaal Europa de liberale burgerij de baas in eigen huis. De staat werd nu drager en uitdrukking van de collectieve wil. De burgerlijke vrijheid werd gecomplementeerd met de politieke vrijheid.

Het liberalisme van na 1800 omarmde daarom ook de notie van de nationale staat. Niet uit nationalisme, maar vanuit het volstrekt juiste besef dat wij eerst dankzij de staat de sociaal-politieke orde kunnen realiseren die wij rechtvaardig en wenselijk achten. L ťtat, cest nous, om Lodewijk XIV te parafraseren; en wantrouwen tegen de staat is het wantrouwen van de eigen collectieve wil en daarmee ook het wantrouwen van de democratie zelf. Absolute voorwaarde is wel dat de democratische staat steeds in optimale conditie is. Juist daar valt tegenwoordig een wereld te winnen, want dat hebben we grandioos verwaarloosd. In ons land meer nog dan elders.

Urgent werd daarmee de vraag naar de soevereiniteit die men zojuist aan de absolute vorst ontnomen had. Die vond men in de zogenoemde soevereiniteit van de Rede - het begrip werd gemunt door de staatsman en politieke theoreticus FranÁois Guizot (1787-1874). Het idee was dat niemand kon beweren de Rede in zijn bezit te hebben en dat dat dus ook voor de soevereiniteit gold. Maar net als met de Rede moest je er wel altijd naar op zoek blijven. De politieke representatie is het beste instrument daarvoor. Geen enkele private partij - zelfs niet geheel het electoraat als de som van alle private partijen tezamen - kan daarom de soevereiniteit voor zich opeisen. De soevereiniteit is daarom een soort lege plek in ons politieke systeem, om Claude Leforts terminologie te gebruiken. Alles draait erom, het is de bron van onze publieke, soevereine wil; maar niets en niemand kan/mag zich die plek toe-eigenen. Aldus ontstond een haarscherpe scheiding tussen publiek en privaat, tussen staat/soeverein en samenleving. Het publieke domein werd radicaal ontprivatiseerd. Juist hier brak het scheppend liberalisme radicaal met feodalisme en Ancien Rťgime, waar je publieke bevoegdheden kon kopen en verkopen alsof het privaat bezit was. Het neoliberalisme kent alleen private belangen en wil dus terug naar het feodalisme. Het scheppend liberalisme ziet naar de toekomst en heeft het publiek belang daarbij als kompas.

Het neoliberalisme is even naÔef als gevaarlijk. Het is naÔef omdat het de weinig plausibele metafysica aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen. Van de gevaren ervan weten we alles sinds de kredietcrisis. Velen, onder wie Alan Greenspan, zeiden zelfs dat de kredietcrisis de empirische weerlegging zou zijn van het dogma dat de markt altijd gelijk heeft. Maar zo is het ook weer niet. Allereerst, er is niets marktvreemds aan de kredietcrisis. Die heeft zich op en door de markt voltrokken. De markt zelf heeft het financiŽle kapitalisme ontmaskerd. Maar de markt heeft daar wel lang over gedaan omdat er onder het neoliberale regime veel met de markt geknoeid werd. Iedere keer wanneer zich op de markt een financiŽle crisis aandiende, blies Greenspan weer een nieuwe luchtbel in het financiŽle systeem. Kortom, niks vrije markt, niks tucht van de markt, waar de neoliberalen altijd zo hoog van opgaven. Hadden we die maar gehad. Zelden werd de markt zo gemanipuleerd als onder het neoliberalisme. In die zin is de huidige omarming van Keynes niet zo nieuw als die lijkt.

Ondertussen accumuleerden al die crises tot ťťn supercrisis waartegen geen bel meer te blazen viel. Zelfs niet met alle Greenspans van de wereld. Dat de supercrisis ťťn keer komen zou, hebben daarom velen voorzien. Voorspelbaar was evenzeer dat wanneer de Kladderadatsch zou komen, het woord weer aan de politiek zou zijn. Die zou dan het roer van de economen weer over moeten nemen. Kortom, wie met de meest verfijnde wiskundige methoden de grenzen van de economie wil verkennen, die valt vroeger of later in de handen van de politiek.

Dat heeft iets bevredigends. De economie pretendeerde altijd wetmatigheden te ontdekken die uitgaan boven wat mensen wensen of willen - en daarmee boven de politiek. De realiteit is echter dat de economie zich onvermijdelijk in impasses werkt waar slechts de politiek en de publieke besluitvorming een antwoord op heeft. Zo was het in 1929 en zo is het nu weer. Dat is de les die wij moeten leren uit de kredietcrisis. De economie, oikos-nomos (= wetgeving voor het huis), is een sociale wetenschap waarvan het bereik zich beperkt tot het private domein. Daarbuiten ligt het publieke domein van de collectieve besluitvorming en van de politiek. De neoliberaal wil ons ook daar onder curatele stellen van de econoom; de scheppende liberaal weet daarentegen dat dit het einde zou betekenen van ons hoogste bezit: onze politieke vrijheid.

Over geld kun je zelf beschikken, terwijl je in de politiek te maken hebt met anderen WŠs er maar sprake geweest van tucht van de markt dan was de situatie nu heel wat beter