Zonder permanente kritiek bloedt het moderne liberalisme dood

 

Dr. S. W. Couwenberg; Dr. S. W. Couwenberg is emeritus hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam.

 

De burgerlijk-liberale samenleving is er dankzij haar principiŽle openheid en aanpassingsvermogen in geslaagd alle oorspronkelijk anti-liberale stromingen, groeperingen en instellingen van haar geest te doordringen, betoogt S. W. Couwenberg. Maar zij blijft kwetsbaar en behoeft, zeker na het wegvallen van het communistische alternatief, permanente kritiek.

 

In de loop van deze eeuw is niet alleen door marxisten, maar ook door niet-marxistische filosofen, wetenschapsbeoefenaars en schrijvers de naderende ondergang van de burgelijk-liberale ideologie en samenleving voorspeld. Die ideologie en samenleving heeft echter alle kritiek en aanvallen waaraan zij in die eeuw bloot stond, succesvol afgeslagen.

 

De politieke en economische principes van die ideologie en samenleving hebben tot dusverre gezegevierd in de strijd over de inrichting van de samenleving. Vandaar ook dat Ben Knapen in zijn artikel over het moderne liberalisme (NRC Handelsblad, 29 december) met recht kan stellen dat dit liberalisme als beschavingsconcept de enig authentieke Westerse methode is om samenlevingen in beter vaarwater te brengen.

 

Die stelling heeft enige kritiek uitgelokt. Is de sociaal-democratische methode eigenlijk niet superieur aan die van het liberalisme, zo werpt Bas van Stokkom (3 januari) in zijn kritiek tegen. Met die methode bedoelt hij het zoeken naar compromissen tussen kapitaal en arbeid. Maar is dit de sociaal-democratische methode? Die methode was toch primair gericht op polariserende klassenstrijd?

 

In het PvdA-beginselprogramma van 1976 vindt men daarvan nog de sporen terug. Ook een prominent sociaal-democraat als Ed. van Thijn legt in een recent interview grote nadruk op overbrugging van tegenstellingen als politieke opgave. Maar dat is typisch een christen-democratische methode van politiek bedrijven: het overbruggen van linkse en rechtse politiek vanuit het politieke centrum. Die centrumpositie is door sociaal-democraten jarenlang zů denigrerend bejegend, dat christen-democraten zich geneerden voor die centrumpositie en haar daarom tegen beter weten in ontkenden.

 

De dominerende ideologie in Europa is niet het liberalisme, maar een mengsel van liberalisme, socialisme en christelijke maatschappijleer, zo stelt H. L. Wesseling (5 januari). Dit lijkt mij geen juiste weergave. De burgerlijk-liberale ideologie, zoals belichaamd in de principes en instellingen van de liberale democratie en economie, geeft onmiskenbaar de toon aan in de Westerse wereld, zoals blijkt uit het CVSE-handvest van Parijs voor een nieuw Europa van november 1991. Dit spreekt zich namelijk uit voor de principes van de democratische rechtsstaat en de markteconomie als meest verkieslijke samenlevingsvorm. Zij maken tevens deel uit van een internationale gedragscode inzake goed bestuur, die is opgesteld als grondslag voor het ontwikkelingsproces in ontwikkelingslanden. Die ideologie heeft de sociaal- en christen-democratische kritiek geleidelijk aan zodanig geabsorbeerd en verwerkt in de burgerlijk-liberale rechtsorde, dat sociaal- en christen-democratie daardoor nog slechts vervagende varianten binnen de burgerlijk-liberale ideologie zijn. Sociaal-democraten hebben zich zelfs zozeer door die ideologie laten inkapselen dat zij nu vaak vooraan staan in het aanprijzen van het marktmechanisme als grote probleemoplosser.

 

Opvallend is hoezeer voormalige linkse intellectuelen nu de lof zingen op de burgerklasse en haar liberale ideologie. Zo prijst Hans Magnus Enzensberger nu de overlevingskracht en het historische succes van die klasse. Haar ideologie en cultuur domineren tegenwoordig in alle hoogontwikkelde landen op onweerstaanbare wijze, zo schrijft hij. En de eens links-radicale Amerikaanse historicus Christopher Lasch zet zich in The True and Only Heaven (1991) krachtig af tegen de verachting waarmee een lange reeks van linkse intellectuelen de burgerlijk-liberale moraal heeft bejegend.

 

Dat die moraal weinig meer voorstelt dan formele en procedurele beginselen en normen, zoals vaak beweerd wordt - nog door J. H. J. van den Heuvel in deze krant van 2 januari - is een misvatting. Die moraal bevat fundamentele inhoudelijke beginselen, zoals het beginsel van menselijke waardigheid, het beginsel van individuele en sociale verantwoordelijkheid, het respect voor leven en lichamelijke en psychische integriteit en voor andermans goed, de beginselen van burgerlijke vrijheid en gelijkheid, de beginselen van redelijkheid en billijkheid en van zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer, het evenredigheidsbeginsel, allerlei zorgplichten (zowel in privaat- als in publiekrecht), enzovoorts. Door deze andere beginselen zoals gepositiveerd in de rechtsorde, te handhaven treedt de overheid ook steeds als zedenmeester op.

 

Tot die moraal horen ook burgerlijk-liberale deugden als vrijheidszin, netheid en ordelijkheid, gematigdheid, arbeidzaamheid en spaarzaamheid, plichtsbesef, tolerantie, regels van burgerlijke beleefdheid, enzovoorts. Het zijn deugden waarvan de meeste sinds de culturele rebellie der jaren zestig in diskrediet geraakt zijn, maar nu weer meer waardering krijgen. In onze postmoderne cultuur, waarin geen algemeen geldende normen en waarden meer lijken te bestaan, functioneert toch nog altijd een burgerlijk-liberale moraal als grondslag en algemeen referentiekader van onze burgerlijk-liberale rechtsorde en van de jurisprudentie, waarin die rechtsorde concreet gestalte krijgt.

 

De burgerlijk-liberale idee van de civiele (burger-)maatschappij, met andere woorden van de zelf verantwoordelijke burger, die deze verantwoordelijkheid met medeburgers in eigen autonome verbanden in praktijk brengt, maakt momenteel overal in de Westerse wereld furore. Het CDA-concept van de verantwoordelijke samenleving is daarvan een interessante variant.

 

Dankzij haar principiŽle openheid en verwerkingscapaciteit is de liberale samenleving erin geslaagd alle oorspronkelijk anti-liberale stromingen, groeperingen en instellingen van haar geest te doordringen. Dit is een formidabele prestatie. Maar - en daar wijst Knapen terecht op - het gaat hier niettemin om een kwetsbare samenlevingsvorm, zeker in tijden van achteruitgang en polarisatie.

 

Er manifesteren zich overal weer allerlei negatieve tendenties en krachten zoals politieke en ambtelijke corruptie, georganiseerde criminaliteit, structurele massawerkloosheid, legitimiteitsverlies van democratisch gekozen gezagsdragers, te ver doorschietende individualisering en commercialisering van de samenleving, verloedering van het milieu, allerlei verslavingsverschijnselen enzovoorts.

 

De verworvenheden van de nationaal-georganiseerde democratische rechts- en verzorgingsstaat komen ook steeds meer onder druk te staan en dreigen uitgehold te worden door de globalisering van de economie en van de informatie- en communicatienetwerken. Hierdoor ontstaan namelijk nieuwe anonieme en autonome machtsstructuren, die zich steeds meer onttrekken aan nationale besluitvorming en dus aan de principes van de democratische rechts- en verzorgingsstaat.

 

Nu de permanente pressie van het communistische alternatief is weggevallen, is er temeer behoefte aan de permanente druk van interne maatschappij- en cultuurkritiek, wil de liberale samenleving haar vitaliteit en aanpassingsvermogen in stand houden. De huidige sterk verambtelijkte politiek schiet in dit opzicht duidelijk tekort.