VVD-fractieleider Frits Bolkestein, gymnasiast in de politiek; Noemt u mij alstublieft geen intellectueel

 

H.M. van den Brink

 

Hartstochtelijk pleit hij voor een zakelijke aanpak van politieke problemen. Maar tegenover zakenmensen verdedigt hij de politiek. Een fundamenteel debat en meer diepgang zouden het landsbestuur naar zijn mening zeer ten goede komen. Maar in de Tweede Kamer en de regering horen intellectuelen beslist niet thuis. Zelf ziet hij niets in godsdienst - en die houding strookt volledig met de liberale beginselen. Maar de maatschappij kan niet zonder mythes en daarom horen de christelijke waarden in het VVD-programma thuis. Frits Bolkestein ordent zijn gedachten.

 

Na verloop van tijd brengt hij het onderwerp zelf ter sprake. 'Er was een Romeins politicus, in de eerste eeuw voor Christus, die er kennelijk veel aan gelegen was om zijn presentatie te verbeteren. Hij heette, zeer aristocratisch, Claudius. Toen is hij zich Clodius gaan noemen. Dat klonk volkser. Hij zal ook wel platter zijn gaan spreken. Daar zou ik niets voor voelen. Soms is mijn accent een handicap, maar ik maak me er niet druk over. Ik dacht dat het ook niet zo opvallend meer was. Iedereen zou zich een kriek lachen als ik mijn naam zou veranderen om beter in de smaak te vallen. Die Claudius was trouwens een onguur sujet.''

 

De deftige tongval van Frits Bolkestein, door zijn gast aanvankelijk bedeesd omschreven als een 'in sociaal opzicht gemarkeerd' accent, blijkt dus best bespreekbaar. Zoals eigenlijk alles wat ter tafel komt - want de lijsttrekker van de VVD zit er ontspannen bij. Met het begin van de campagne in dit driedubbele verkiezingsjaar lijken de affaires en de ruzies in zijn partij bezworen. Van nu af kan het alleen maar beter gaan.

 

Naast de antieke schrijftafel in zijn stijlvolle en perfect opgeruimde studeervertrek staat een sporttas klaar. Drie ochtenden per week tennist hij de spieren los, om 's avonds de met zang en dans omlijste partijbijeenkomsten toe te spreken. Tijdens het talkshow-gedeelte van die avonden beantwoordt hij ook vragen over zijn privé-leven. En tegenwoordig kloppen zelfs de roddelbladen niet tevergeefs bij hem aan. 'Als je het wilt, moet je ook willen'', zegt hij ferm. 'En niet halverwege terugdeinzen omdat je er te fijnbesnaard voor bent.'' Sommige opiniepeilingen wezen de laatste weken naar een resultaat van bijna dertig zetels bij de Kamerverkiezingen, doorgerekend op basis van de uitslag bij de gemeenteraadsverkiezingen zouden het er achtentwintig zijn. Daarmee zou Bolkestein het resultaat evenaren dat de VVD in de hoogtijdagen van Hans Wiegel haalde - de bekroning van het leerproces voor een politiek leider die in bijna alles het tegendeel is van zijn nog altijd populaire voorganger.

 

Met een licht afgrijzen herinnert hij zich zijn eerste optreden als fractievoorzitter tijdens de algemene beschouwingen, in 1990. 'Toen heb ik het niet goed gedaan. Er waren twee of drie interrupties waarop ik niet snedig genoeg antwoordde. Daardoor wekte ik de indruk niet zeker te zijn van mijn zaak. Een jaar later heb ik die discussie op papier nagelezen en tot mijn verrassing bleek het aan de woorden eigenlijk niet te liggen. Die waren van beide kanten heel redelijk, heel normaal.

 

Het was de manier waarop ze werden uitgesproken. Ik ben een perfectionist en geneigd om eerst eens goed na te denken over de volgorde van wat ik wil zeggen. In een politiek debat kan je je dat niet permitteren.

 

'Ik heb me aangeleerd om lange zinnen te vermijden, om handzame uitspraken te doen. Want ik streef helderheid na en geen mist, zoals Lubbers of Van Mierlo - twee sprekers die nauw verwant zijn aan elkaar; ze komen dan ook uit dezelfde school. Misschien speelde mijn klassieke opvoeding mij vroeger ook wel parten. Rem tene, verba sequuntur placht mijn vader te zeggen; als je de zaak beheerst zullen de woorden volgen. Dat is helaas niet altijd waar in de politiek.''

 

Frits Bolkestein werd op 4 april 1933 geboren in de Johannes Verhulststraat in Amsterdam-Zuid. Tegenwoordig bewoont hij nog geen tweehonderd meter verder een bovenhuis met zijn tweede echtgenote, de actrice Femke Boersma. Het gezin waarin hij opgroeide was 'bemiddeld, maar sober'. Een familie van ambtenaren en geleerden, met een beetje Indisch bloed. Godsdienst speelde in de opvoeding geen enkele rol. Literatuur wel, en muziek. Het Concertgebouw lag op een steenworp afstand en hij herinnert zich nog het moment tijdens een jeugdconcert toen de Derde suite van Bach een kleine, maar definitieve verschuiving in zijn jongensziel aanrichtte. Grootvader Bolkestein was, hoewel al gepensioneerd en geen lid van een politieke partij, minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen in het oorlogskabinet-Gerbrandy geworden. Aan het begin van de oorlog werd zijn zoon, de vader van Frits, daarom opgepakt en als gijzelaar naar Buchenwald gevoerd. Later heeft hij in Sint-Michielsgestel en Vught gezeten.

 

'Mijn vader was vier jaar weg. Natuurlijk was dat een gemis. Maar ik was te jong om bang te zijn dat hem iets zou overkomen'', herinnert Frits Bolkestein zich nu, met een kenmerkend gebrek aan overdrijving. 'Uit die hele groep van honderd man zijn er ten slotte ook maar vijf doodgeschoten. In '44 heeft de commandant van het kamp Vught de poorten opengedaan en mochten alle gevangenen een goed heenkomen zoeken. Hij heeft de hongerwinter bij ons doorgebracht. Ik heb het later nooit meer met hem over die tijd gehad.''

 

De oorlog was dus nauwelijks dramatisch. Spannend werd het pas in het najaar van 1945, toen hij naar het gymnasium mocht. De zes jaren op het Barlaeus noemt hij nog steeds en zonder aarzelen 'een gouden tijd' en 'de belangrijkste, de meest uitdagende periode van mijn leven''. Hij heeft er dan ook nadien 'niets fundamenteels meer bijgeleerd''.

 

Hij staat op en leidt het bezoek naar een tafeltje met daarop het ingelijste portret van dr. J.D. Meerwald, zijn leraar klassieke talen. 'Een buitengewoon mens, in ieder opzicht. Ik heb ook privé-les van hem gehad, want ik deed de bèta-opleiding op school en alfa in mijn vrije uren. Er waren trouwens veel leraren die buitengewoon inspirerend waren. Ook zij hadden na de oorlog het gevoel: we beginnen opnieuw, alles wordt nu anders. Er was een enorm enthousiasme en verder bijna niets, in 1945. Wat stoelen, een bord, een krijtje. Meer heb je ook niet nodig. Goed onderwijs is geen zaak van geld. Mijn liefde voor de Franse taal en cultuur heb ik bijvoorbeeld ook aan de school te danken. Maar de studie van de klassieke teksten maakte toch de meeste indruk. De acribie, de nauwkeurigheid die dat vereiste. Zien wat er wèrkelijk staat. Dat waren zulke indringende lessen, die neem ik tot mijn dood met mij mee. Later heb ik natuurlijk technieken opgedaan, meer kennis verworven. Maar al mijn fundamentele inzichten heb ik op die school gekregen.''

 

Hoe hard was die school?

 

'Hard. Er golden hoge, bijna wetenschappelijke normen. Het was presteren, of afvallen. En uit de klas waarin ik begon haalde nog niet de helft het eindexamen. Ik vond het er niet kil. Maar mijn vrouw zat op diezelfde school - we gingen ook toen al met elkaar om - en heeft het allemaal heel anders ervaren. Ze kwam uit Amsterdam-Oost, dat destijds zo rood was als een kreeft. Haar ouders stonden links van de communistische partij. Zo'n milieu onttrok zich grotendeels aan onze waarneming.

 

'Ik herinner me dat we met een paar vriendjes De avonden lazen en het vooral zagen als een dolkomisch boek, een aandoenlijk portret van de familie Van het Reve. Het ging niet over Amsterdam, voor ons was het niet beklemmend. Ik had thuis juist alle vrijheid. Wij gingen roeien op de Amstel, tennissen in het Vondelpark. Kinderen uit die andere buurten waren op onze school een minderheid, al waren ze er wel. Ze werden flink gepest met hun Amsterdamse accent. Dat werd er op die manier snel uitgeslagen. Maar als ze talent hadden, kwamen ze er wel.''

 

Uw accent werd niet vreemd gevonden?

 

'Daar heb ik nooit iets van gemerkt.''

 

Politiek speelde geen rol in de eerste veertig jaar van zijn leven. Thuis werd er niet over gesproken. Hem interesseerde het niet, hij stemde op Drees. Hij studeerde twee jaar wiskunde aan een kleine universiteit in de Verenigde Staten, besloot toen dat hij zich toch 'te Europees' voelde om te blijven en keerde terug naar Amsterdam om zijn kandidaats in de wis- en natuurkunde te halen en zich verder te bekwamen in het Grieks, de theologie en de filosofie. Daarnaast bekleedde hij allerhande functies in het studentenleven: het corps, de belangenvereniging ASVA, het studentenreisbureau NBBS. De redactie van het ook toen al omstreden weekblad Propria Cures zette hem na korte tijd buiten, 'omdat ik nog geen mening had. Iedereen had naar mijn gevoel wel een beetje gelijk, en je moet nu eenmaal een mening hebben om te kunnen schrijven.''

 

Hij studeerde in de breedte. 'Ik wandelde wat door de universiteit en als ik iets interessants hoorde, bleef ik een tijdje hangen. Ik had geen moment het gevoel dat ik moest denken aan de toekomst, aan geld verdienen.'' Later heeft hij wel eens gedacht dat hij zich misschien beter in één vak had kunnen verdiepen. Maar hij weet ook dat hij daarvoor destijds te nieuwsgierig was en nog altijd veel te ongeduldig is. Alleen op een kamer met een potlood en een stuk papier - dat past slecht bij zijn karakter.

 

Zijn manier van studeren is intussen door tempobeurs en studieduurverkorting onmogelijk geworden. 'Die ontwikkeling naar een steeds praktischer, op concrete doelen gerichte universiteit is verschrikkelijk. Daar is het beroepsonderwijs toch voor? De functie van de universiteit als cultuurdrager wordt zwaar onderschat. Zo'n uitdrukking als 'de ondernemende universiteit' strijkt mij dan ook recht tegen de haren in.

 

'Er zijn tegenwoordig leeropdrachten met een zeer hoge toepassingsgerichtheid, waarvan ik denk: 'Is dat nou werkelijk een professoraat waard?' En als het VNO pleit voor studies die meer op de maatschappelijke vraag zijn afgestemd, heeft men daar een aantal belangrijke zaken niet goed begrepen. Wie theologie heeft gestudeerd beschikt namelijk over een uitstekende basis om bij een oliefirma te gaan werken. Een doctoraal Frans is een goed uitgangspunt voor de handel in krenten en rozijnen.

 

'Ik heb zestien jaar bij Shell gewerkt na het behalen van mijn doctoraal in de filosofie. Ik studeerde af op de vraag waarom Pythagoras in zijn 'Tafel van tegengestelden' het oneindige slecht noemde en het eindige goed - overigens een typisch Griekse, voor-christelijke gedachte die mij nog steeds bevalt. Dat was eerder een aanbeveling dan een belemmering om mij in dienst te nemen.''

 

Is Shell niet een uitzondering op dit punt, meer een maatschappij-in-het-klein dan een onderneming?

 

'Robert McNamara, de vroegere Amerikaanse minister van defensie, heeft een keer tegen me gezegd: Shell is the best-managed human institution. Het is inderdaad ook een subcultuur, en wel een heel aangename. Aan de manier waarop een telexbericht was opgesteld, aan de stijl daarvan, kon ik zien of de afzender in die subcultuur was opgegroeid of op latere leeftijd bij de maatschappij was gekomen. Shell is zeer informeel, gedecentraliseerd, soms zelfs rommelig. Er werd veel tijd gestoken in het intensief onderhouden van persoonlijke contacten.

 

'Veel van mijn collega's waren classici, historici, architecten. Er werden vrij veel mensen uit de wind gehouden om na te denken, onderzoek te doen. Echte intellectuelen. Studie werd op alle mogelijke manieren aangemoedigd. Toen ik in Afrika werkte werd er van mij verwacht dat ik Swahili leerde en toen ik daarin een diploma haalde, kreeg ik een premie uitbetaald. Zoiets heeft natuurlijk geen direct effect op de jaarcijfers, maar het getuigt van een visie op de lange termijn. Shell is eigenlijk een internationaal nutsbedrijf. Veel Shell-mensen kun je nauwelijks zakenlieden noemen. Op de kleine posten waar ik heb gezeten - in Afrika, in Honduras, in El Salvador - waren ondernemerskwaliteiten natuurlijk wel nodig. Je werd daar zeer vrij gelaten, je moest het echt zelf uitzoeken.

 

'Maar op de grote kantoren, in die enorme bureaucratie is het omgaan met mensen toch het belangrijkste om vooruit te komen. De vaardigheden die je daar nodig hebt liggen dicht in de buurt van wat een echte politicus moet kunnen. In het algemeen zijn ondernemers te zeer op direct resultaat gericht om succes te hebben in de politiek. Maar Gerrit Wagner, onze president-directeur, had heel goed minister-president kunnen worden.''

 

Jan Timmer niet?

 

'Nee. Het grote probleem van Philips lijkt me, dat het zich in een isolement bevindt. Er wordt hiërarchisch gedacht. Het idee is: zet een stel kerels een weekeinde op de hei om een plan te maken en dan voeren we dat daarna uit. Ik weet niet zeker of je een multinational zo kunt besturen, maar ik weet zeker dat het voor een land niet werkt. In een democratie kun je alleen maar praten, trachten te overtuigen, impulsen geven. Meer is ook niet nodig. Philips wil zich verdedigen tegen de rest van de wereld, terwijl je bij Shell juist leert om wereldburger te zijn.''

 

Vonden ze het bij Shell niet onzinnig dat u na zestien jaar wereldburgerschap opeens de Nederlandse politiek in wilde?

 

'Integendeel. Ik ben aangemoedigd. En geholpen. Shell vond het van belang dat er in de Nederlandse politiek mensen zitten uit het bedrijfsleven. Ik heb een televisietraining van ze gekregen, in Londen. En hoewel ik vrijwillig weg ging, heb ik een som geld gevraagd ter hoogte van de gouden handdruk die normaal gesproken wordt gegeven aan mensen die overtollig zijn. Om het gat tot mijn mogelijke verkiezing als lid van de Tweede Kamer te overbruggen. Daar had men geen problemen mee.''

 

Dus u heeft geld gekregen van Shell om in de politiek te gaan?

 

'Shell heeft absoluut niets onoirbaars gedaan. Er was geen terugkeergarantie. Nadien is die wel ingevoerd, voor vier jaar, één parlementaire ronde.''

 

Niet bekend

 

'Er is nooit rechtstreeks naar gevraagd. Ik werd in Nederland wel met argwaan bejegend. Men was in die tijd nog zeer tegen het bedrijfsleven gekant. Sommigen dachten dat ik ontslagen was. Anderen meenden dat ik een pion was die door Shell het politieke veld werd ingeschoven. Geen van beide was waar. Het was een puur persoonlijke beslissing.''

 

Aangekomen op de helft van zijn leven besloot Frits Bolkestein nog eens naar zijn verleden en naar de toekomst te kijken. Hij werkte op het hoofdkantoor van Shell Chimie in Parijs, was getrouwd, had drie kinderen en stond aan de vooravond van een nieuwe overplaatsing, naar Rotterdam. Hij had prettig werk en kon langzamerhand overzien hoe het hem tot zijn pensionering verder zou gaan. President-directeur zou hij niet worden, maar hij mocht rekenen op iets 'hoog in de boom'. Toen stelde hij zich de vraag: als het inderdaad zo gaat, zou ik dan tevreden terugkijken, als ik straks zestig ben? Het antwoord was nee. 'Repliek: doe er wat aan.''

 

De beslissing om in de politiek te gaan werd voor een groot deel door ergernis ingegeven. Ergernis over het Nederlandse politieke en maatschappelijke klimaat met zijn onwerkelijke mensbeeld, over het idee dat presteren niet meer hoefde, over de cultuur van de laksheid en het naïeve vertrouwen in de goedheid van de mens, over de breiende meisjes in de collegezaal. Hij was vanaf 1960 zestien jaar in het buitenland geweest, zestien jaren waarin Nederland ingrijpend veranderde, en was ervan overtuigd dat het land de aansluiting met de rest van de wereld had verloren. Het was een eiland geworden. En ook al zou hij daar uiteindelijk niets aan kunnen veranderen, hij wilde in ieder geval dat zijn stem gehoord zou worden.

 

Een oude vriend, de vorig jaar overleden uitgever en classicus Johan Polak, was één van de weinigen die hem aanmoedigde om zijn woede in daden om te zetten. Polak had zijn in het Engels geschreven drama-in-verzen Floris V, Count of Holland uitgegeven, dat ook al uit woede was geboren, na het zien van een onbegrijpelijk maar succesvol stuk van Peter Handke. Dat hij hem nu stimuleerde om de overstap naar de politiek te maken, betekende misschien wel dat Polak geen echte schrijver en geen echte intellectueel in hem zag. Glimlachend zegt hij: 'Dat zou kunnen.''

 

En dan, met stemverheffing: 'Intellectuelen hebben niets te zoeken in de politiek. Intellectuelen zijn preutse mensen die hulpeloos de camera instaren en zeggen dat zij het ook niet weten. Ik bèn geen intellectueel! Noemt u mij alstublieft niet zo, want dat betekent dat ik de verkiezingen ga verliezen.''

 

In 1975 werd hij, na enig aarzelen, lid van de VVD. De partij werd in die jaren gekenmerkt door het populisme van Hans Wiegel en de aanstormende Ed Nijpels. Bij D66 zaten intussen erg veel aardige mensen, vond hij - 'en nog steeds, trouwens.'' Maar het was het VVD-programma dat de doorslag gaf. 'Politiek is wel mensenwerk, maar een partij is niet in de eerste plaats een vriendenclub. Mijn vrienden kies ik los van mijn politieke voorkeuren. In de politiek heb je geen vrienden, alleen maar medestanders en tegenstanders. Je sluit je aan bij een partij om het beleid dat zij voorstaat. Ik zit niet in de politiek voor het spel. Het gaat om de knikkers. Dan moet je je bij je keuze ook niet door affiniteit voor een persoon laten leiden. Hele onaangename mensen kunnen hele waardevolle doelen nastreven.

 

'Of ik me thuis voel in de VVD is dus ook geen relevante vraag. In alle grote partijen heb je delen van de achterban waarvan je zegt: hè, moet dat nou. Ik ga onze kiezers geen examen afnemen. Ik heb niets te maken met de wijze waarop mijn aanhang leeft. Het politieke debat in Nederland gaat zo vaak over de grondhouding en de bedoelingen. Terwijl het gewoon over de uitkomsten moet gaan.''

 

Met die boodschap ging hij in de zomer van 1976 de VVD-afdelingen in den lande af, om een plaats op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer te bemachtigen. Niemand kende hem, hij kende niemand. Zelfs de Nederlandse taal leverde af en toe moeilijkheden op. De eerste stukken die hij voor de krant schreef werden om allerlei redenen afgewezen. Hij kwam op de onverkiesbare vierendertigste plaats terecht. Pas na de totstandkoming van het kabinet Van Agt-Wiegel belandde hij in de Kamer.

 

In 1982 werd hij staatssecretaris van economische zaken en van september 1988 tot november 1989 was hij even minister van defensie. Na de val van Joris Voorhoeve veroverde hij het politiek leiderschap. Maar bij de VVD-aanhang heeft hij nog altijd niet het grote vertrouwen dat leiders als Lubbers en Van Mierlo bij hùn partij wel hebben. 'Nog niet'', zegt hij. 'Daarvoor is tijd nodig. Ze moeten aan me wennen.''

 

U introduceerde een nieuwe stijl, met heel andere accenten. U begon over plichten.

 

'De slagzin waarmee Ed Nijpels de verkiezingen van 1986 inging was 'gewoon jezelf kunnen zijn'. Dat vind ik onvoldoende. Iedereen heeft de plicht om het buitengewone uit zichzelf te halen. Het zijn een paar woorden, maar het maakt een wereld van verschil.''

 

Het verschil tussen uw academische benadering en de volksmennerij van Wiegel.

 

'Hans Wiegel is een weergaloze redenaar. De beste van Nederland. Hij is een showman. Ik zou die kwaliteit ook moeten ontwikkelen. Het is niet juist wanneer er een tegenstelling tussen politiek spektakel en bedachtzaam redeneren wordt gecreëerd. Dat is Nederlands hokjesdenken. In een politieke partij heb je beide nodig, in de VVD is ook plaats voor beide.''

 

Waarom voert u dan niet samen met Wiegel campagne?

 

'Het is anders gelopen dan wenselijk was geweest. Het is eigenlijk allemaal een groot misverstand. Hans Wiegel heeft mij nooit ook maar de geringste indicatie gegeven dat hij terug wilde naar de landspolitiek. Hij had mij kunnen bellen. Hij had de boodschap via anderen kunnen geven. Dat heeft hij niet gedaan. Ik had de indruk dat hij alleen maar een plaats in de Eerste Kamer ambieerde. Uit dat misverstand zijn alle moeilijkheden voortgekomen. Maar er zijn wel degelijk collega's van mij die heel anders zijn ingesteld dan ik. Robin Linschoten doet sommige dingen verdomd goed en op een manier die je aan Wiegel doet terugdenken.''

 

U maakt niet alleen gebruik van het spreekgestoelte, maar publiceert ook boeken en artikelen om een openbaar debat op gang te brengen.

 

'Ik weet niet waarom andere politici dat niet ook wat vaker doen. Het is een van de manieren om je politieke doeleinden te bevorderen. Wanneer ik me meng in de discussie over Salman Rushdie is dat niet louter een persoonlijke hobby. Hoe meer mensen je kunt beïnvloeden, hoe beter. Daar komt bij dat het debat in de Tweede Kamer niet erg veel voorstelt. Er wordt nauwelijks over fundamentele zaken gesproken. Wij willen altijd meteen naar consensus.

 

'Je zag het aan de manier waarop werd gereageerd toen ik in september 1991 over het minderhedenbeleid schreef en stelde dat er grenzen zijn aan een multiculturele samenleving. Er stak een storm van verontwaardiging op. Nee, ik heb me dat niet aangetrokken. Inmiddels worden mijn standpunten door vrijwel iedereen gedeeld. Men vond alleen dat ik het niet zo duidelijk had mogen zeggen.''

 

U vindt dat de overheid pal moet staan voor bepaalde waarden in de samenleving. Bent u wel een echte liberaal?

 

'Daar raakt u aan een moeilijk punt.''

 

In de twee bundels met essays en gesprekken die Frits Bolkestein tot dusver publiceerde (De engel en het beest, 1990, en Woorden hebben hun betekenis, 1992) en ook in zijn onlangs in boekvorm verschenen vraaggesprekken met de islamitische geleerde Mohammed Arkoun (Islam , de democratie) geeft hij blijk van standpunten die veel liberalen niet met hem delen.

 

Zo vindt hij de mensenrechten een belangrijk uitgangspunt bij het voeren van buitenlandse politiek en voor het geven van ontwikkelingshulp. Hij heeft dus groot respect voor oud-bewindsman Van der Stoel en acht de manier waarop Jan Pronk de kwestie-Timor aansneed in Indonesië eerder onhandig dan principieel onjuist. 'Je moet geen hulp geven aan landen die de mensenrechten schenden. Mensenrechten staan in het hart van de liberale overtuiging.''

 

Ook wil Bolkestein het omroepbestel ingrijpend wijzigen, maar geheel vrij geven gaat hem te ver. Er moet op zijn minst één televisiezender blijven met programma's van algemeen en cultureel belang. Hij maakt bezwaar tegen het 'potverteren' van de aardgasbaten door de overheid. Maar in plaats van ze door te geven aan de burger, in de vorm van belastingverlaging, pleit hij voor storting in een fonds voor infrastructurele werken. En in het minderhedenbeleid tenslotte, verdedigt hij bepaalde vormen van affirmative action, zoals neergelegd in de Wet Bevordering Arbeidskansen.

 

Waarom laat u dat niet allemaal over aan het vrije spel van maatschappelijke en economische krachten?

 

'Omdat ik betwijfel of een hoog ontwikkelde en zeer mobiele samenleving wel genoeg heeft aan een politieke filosofie die zich beperkt tot procedures. Als alles volgens de juiste processen verloopt hoeft de uitkomst nog niet aanvaardbaar te zijn.

 

'Het achttiende-eeuwse liberalisme ontstond in de strijd voor grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting en keerde zich dus fel tegen staatsinmenging. In de negentiende eeuw werd meer de nadruk gelegd op de staat als bemiddelaar, als schepper van gelijke kansen. Dat zorgde al voor een enorm debat binnen onze politieke stroming, van laissez faire naar actief ingrijpen. Ik ben daarin langzaam opgeschoven. Je hebt niet genoeg aan een louter formele ideologie, denk ik inmiddels. Een maatschappij heeft ook nog een algemeen aanvaard begrippenkader nodig om te functioneren. In mijn boek Woorden hebben hun betekenis heb ik het niet-stemmen verdedigd. Dat ligt geheel in de liberale lijn, maar toch zou ik het nu niet zo makkelijk meer doen. Ik heb daar ruzie over met mijzelf.

 

'Een samenleving heeft betrokkenheid nodig. Daarom heb ik in het kader van het minderhedendebat het cultuurrelativisme aangevallen. Zelfs de Europese Gemeenschap kan niet alleen als een economisch netwerk functioneren. Uiteindelijk rust die organisatie ook op het fundament van een gemeenschappelijke cultuur. De Oekraïne en Turkije kunnen daarom volgens mij geen lid worden van de EG en ook over delen van de Balkan aarzel ik. Hoe groter de fysieke en maatschappelijke mobiliteit, hoe meer behoefte er is aan een bezielend verband. Zo u wilt ben ik in dat opzicht naar links opgeschoven.''

 

Of in de richting van de christen-democratie.

 

'Het CDA is natuurlijk in een veel betere positie om dit verhaal te houden dan ik als liberaal. Maar ze durven het daar niet. Hirsch Ballin bepleit een herstel van normen en waarden, maar naar mijn idee durft hij niet te zeggen wat hij daarmee eigenlijk bedoelt. Namelijk: een christelijke, desnoods opnieuw verzuilde, samenleving.

 

'De overheid behoeft alleen maar de wet te handhaven en verder niets. De wetten zijn de muren van de staat, zeiden de oude Grieken. Alleen staat de overheid machteloos tegenover een massale overtreding van de wet. Als het besef ontbreekt dat het slecht is om de wetten te overtreden, hebben de muren van de staat geen fundament.

 

'Vroeger stond in het beginselprogramma van de VVD dat de partij zich baseerde op een aantal fundamentele waarden, waaronder het christendom. In de jaren zeventig, toen alles kon en mocht, is dat geschrapt. Dat klopt ook, voor wie zuiver denkt in de liberale traditie. Maar we leven nu in een maatschappij die op drift is geraakt, met een miljoen allochtonen in het jaar tweeduizend. Die verwijzing naar het christendom moet daarom misschien weer terug in ons program.''

 

Grappig, dat u met dit verhaal komt terwijl de christendemocratie nu al jaren regeert onder de no-nonsense-vlag.

 

'Het zou een overschatting van de christendemocratie en van de heer Lubbers zijn om hen de schuld van onze huidige toestand te geven. We hebben te maken met een verlies van zelfvertrouwen in de hele westerse wereld. Van San Francisco tot Warschau twijfelen we aan onze eigen identiteit. Het is alleen jammer dat de heer Lubbers nauwelijks een begin heeft gemaakt met het oplossen van de problemen in de afgelopen twaalf jaar. Aan de verloederde overlegeconomie had hij bijvoorbeeld best iets kunnen doen. Aan de dreigende de-industrialisering. Of aan de criminaliteit. Maar hij heeft geen visie, hij weet niet waar hij naar toe wil. Dat is zijn grootste zwakte. Ik hoop oprecht dat hij het voorzitterschap van de Europese Commissie krijgt, maar dan zal hij toch een idee moeten ontwikkelen over de toekomst van Europa. Of iemand moeten vinden die het voor hem bedenkt.''

 

U heeft het dilemma van de Nederlandse politiek zelf als volgt geformuleerd: Om een probleem op te lossen moet je het zo hard mogelijk op tafel leggen. Maar wie dat doet wekt zoveel weerstand en irritatie dat de oplossing daardoor alleen maar verder weg komt te liggen. De premier weet met dat dilemma misschien beter om te gaan dan u.

 

'Dat is heel goed mogelijk. Maar waar meet je het succes van een politicus aan af? Aan het aantal jaren dat hij aan de macht is? Dan doet Lubbers het inderdaad uitstekend. Maar toch ook aan concrete resultaten. En dan koop ik niets voor de handigheid van Ruud Lubbers of Jan de Koning. De jaren van Lubbers zullen de geschiedenis ingaan als verloren jaren.''

 

Zijn er politici die u wèl hevig bewondert?

 

'Ik heb een grote bewondering voor Drees. De oude socialisten van kort na de oorlog waren praktische, sobere mensen. Drees, Hofstra, Lieftinck, Samkalden. Die hadden een goede visie.''

 

En de liberalen?

 

'Ik denk dat Stikker heel goed was. Maar daar ben ik niet zo in thuis.''

 

Hoe kijken we straks terug op de politicus Bolkestein? Als iemand met veel visie maar weinig resultaten?

 

'Mijn rol is nog niet uitgespeeld. Ik ontmoet weerstand. Maar er zijn toch meer mensen die mijn heldere taal waarderen dan die er zich aan storen. De samenleving is veel verder dan de politieke klasse. Ik heb het geheim van een Van Agt nog niet gevonden, die over de politiek heen het volk wist te bereiken, maar... Ik ga nu iets gevaarlijks zeggen. Ik denk dat Nederland verlangt naar...

 

Een sterke man?

 

'...een De Gaulle.''

 

Zou u dat kunnen zijn?

 

'Dat weet ik niet. Maar ik weet zeker dat men genoeg heeft van politici die geen echte visie op tafel leggen. Van iemand als Lubbers. Maar ook van Van Mierlo, die heeft alleen maar een 'houding' en zit verder met de handen in het haar. Van die algemene malaise wil ik, behalve de VVD, ook GroenLinks uitsluiten. Die mensen kun je ook niet op een gebrek aan standpunten betrappen.''

 

Waarom wilt u geen minister worden in een volgend kabinet?

 

'Ministers moeten zich conformeren aan het kabinetsbeleid. Het is altijd beter wanneer een partijleider vrij kan spreken. Maar zeker nu, want we krijgen een drie-partijenkabinet dat van compromissen aan elkaar zal hangen. Het is geen opoffering, want ik taal niet naar macht en status. Ik ben een parlementariër in hart en nieren. Het lijkt me heel prettig om vanuit de Kamer fris en vrolijk het kabinetsbeleid te bekritiseren. En ach, het vice-premierschap heeft natuurlijk veel minder gewicht wanneer de partijleider elders zit.''

 

Wanneer hij met pensioen gaat, maar dat duurt nog wel even, zal hij het dikke boek schrijven waar hij nu al jaren over denkt. Geen verzameling artikelen en toespraken, maar een echt boek, aus einem Guss, over dat verlies aan zelfvertrouwen in het Westen. Dat eigenlijk nergens voor nodig is. Misschien komt hij ook nog terug bij Pythagoras, die het romantische streven naar oneindigheid en onsterfelijkheid een kwalijke neiging noemde. En hij zal zeker de grote geschiedschrijvers herlezen: Homerus, Livius, Tacitus. Naar klassieke maatstaven is zijn leven dan volmaakt verlopen: eerst studeren, dan geldverdienen, vervolgens het dienen van de publieke zaak en tenslotte op een teruggetrokken plek de opgedane wijsheid aan het papier toevertrouwen. Hij heeft al een boerderij in Frankrijk.

 

Hoe wilt u dat men zich u herinnert? Niet als intellectueel.

 

'Als mercator sapiens. Een goeie Amsterdamse koopman.''

 

U heeft het over modernisering. Bedoelt u niet: renaissance?

 

'Dat lijkt me hetzelfde.''