VVD aangeduid als langdurig grootste partij

25 maart 1995
PETER GIESEN

De VVD heeft een goede uitgangspositie om voor langere tijd de grootste partij van Nederland te blijven. Haar 'natuurlijke achterban', de niet-kerkse middenklasse, is de afgelopen decennia bijna vier keer zo groot geworden. PvdA en CDA staan er slechter voor, omdat hun 'natuurlijke achterban' steeds kleiner wordt.

Van onze verslaggever

Peter Giesen

LEIDEN

Dit blijkt uit een onderzoek van de Leidse hoogleraar politicologie dr R. Andeweg, dat binnenkort verschijnt in het boek De Nederlandse kiezer 1994, onder redactie van J. van Holsteyn en B. Niemöller. De 'natuurlijke achterban' van de VVD is volgens Andeweg de niet-kerkse middenklasse. Die is gegroeid van 15 procent van de bevolking in 1956 tot 54 procent in 1994.

Dat maakt ook duidelijk waarom de VVD zo gegroeid is, aldus Andeweg: van dertien zetels in 1956 naar 31 zetels in 1994. Op basis van de statenverkiezingen van twee weken geleden zou de VVD in de Tweede Kamer zelfs de grootste partij zijn geworden, met 43 zetels.

Uit het onderzoek blijkt dat de groei van de liberalen vooral moet worden verklaard uit sociaal-economische en culturele verschuivingen, en veel minder door verrechtsing. Zo is de aantrekkelijkheid van de VVD voor de middenklasse ongeveer constant gebleven. In 1956 trok VVD-leider Toxopeus 32 procent van deze groep, in 1994 scoorde Bolkestein 30 procent.

Het verlies van de PvdA is vooral te wijten aan de afkalving van haar natuurlijke achterban, de niet-kerkse arbeidersklasse. In 1956 rekende 33 procent van de stemmers zich tot die categorie, in 1994 nog 21 procent. De arbeiders zijn de PvdA lange tijd trouw gebleven. In de jaren vijftig stemde 68 procent op Drees, in 1989 koos nog steeds 63 procent voor Kok. Pas in 1994 verloor de PvdA zeer fors onder de arbeiders. Nog maar 41 procent had vertrouwen in de sociaal-democraten.

De confessionele achterban van het CDA liep nog verder terug, van 52 procent in 1956 naar 24 procent vorig jaar. Bovendien stemt nog maar de helft van de katholieken en gereformeerden op een christelijke partij. In de jaren vijftig was dat meer dan 90 procent.

De groei van de niet-kerkse middenklasse verklaart ook de steeds grotere schommelingen bij verkiezingen. Deze groep is veel minder trouw aan één partij dan de aanhangers van de oude zuilen.