Voor de verzorgingsstaat Nederland dreigt degradatie

 

Frank van Empel; Frank van Empel is redacteur van NRC Handelsblad.

 

Het kabinet-Kok steekt de kop in het zand. Het staart zich, aldus Frank van Empel, blind op de aantrekkende economie en veronachtzaamt ondertussen structurele tekortkomingen van het Nederlandse bestel. Daarom zal het snel gedaan zijn met de rust in het Catshuis.

 

De economie groeit naar verwachting dit en volgend jaar met 3 procent. Een aantal economische problemen wordt daardoor minder heikel, zo lijkt het. Toch is dat geen reden voor politieke apathie. De gunstige economische ontwikkeling, zo waarschuwde de hoogste ambtenaar van het ministerie van economische zaken L. A. Geelhoed begin dit jaar in het economenblad ESB, heeft "de riskante bedriegelijkheid van een bloeiende klimroos aan een bouwvallige gevel". Ingrijpende maatregelen zijn volgens de topambtenaar dan ook "onvermijdelijk". Hij doelde met name op het overvloedige gebruik en de hoge kosten van het sociale zekerheisstelsel.

 

Minister Melkert (sociale zaken en werkgelegenheid) heeft zich inmiddels ingegraven voor de oorlog die Geelhoed aankondigt. In het huisorgaan FNV Magazine van de grootste vakcentrale stelt het sociale boegbeeld van de PvdA resoluut dat "hoogte en duur van de uitkeringen niet ter discussie staan". Toch zal juist dat bolwerk van PvdA-zorg doelwit zijn van aanvallen.

 

Soortgelijke schermutselingen rondom de WAO in de jaren 1991 en 1992 vaagden de PvdA bijna weg van de kiezersmarkt. Het schrikbeeld van een nieuw WAO-debâcle wordt wat minder dreigend. Voor het eerst sinds 1967 - het jaar dat de Wet op de arbeidsongeschiktheid in werking trad - neemt het aantal WAO'ers immers af. De prominente PvdA-bewindslieden Kok en Melkert halen dan ook opgelucht adem. De wind lijkt deze keer mee te zitten.

 

Nadere beschouwing van de cijfers, recent onderzoeksmateriaal en onderkenning van trends in het bedrijfsleven verschaffen echter een heel wat minder rustgevend beeld. Tegenover een daling van het aantal arbeidsongeschikten in 1994 staat een toename van het aantal werkloosheidsuitkeringen met ongeveer 3.000 per maand. Veel bij strengere herkeuring niet langer arbeidsongeschikt verklaarde Nederlanders worden simpel doorverwezen naar de loketten van de WW en de Bijstand.

 

De sociale zekerheid is een wijd vertakt stelsel van met elkaar in verbinding staande (communicerende) vaten. Als de ene uitkering geforceerd naar beneden wordt gedrukt (WAO) loopt het peil in de andere vaten (WW, VUT, Bijstand) dienovereenkomstig op. De WAO-teller stond volgens de Sociale Verzekeringsraad eind 1994 op 896.000. De teller van het aantal werkloosheidsuitkeringen was in november al opgelopen tot 770.000. Hoewel het vorige kabinet-Lubbers/Kok met een majeure ingreep in de WAO het totale aantal uitkeringen en het beslag daarvan op het nationaal inkomen wilde terugdrukken, groeiden de totale uitgaven voor sociale zekerheid sinds 1989 onafgebroken, zowel in ronde bedragen als in procenten van de totale nationale welvaart.

 

Er is geen land ter wereld dat ook maar in de buurt komt van Nederland als het gaat om aantallen zieken en arbeidsongeschikten. In 1992 ging 14,3 procent van de totale welvaart (bruto binnenlands produkt) daaraan op. Dat is veel meer dan de 9,5 procent die de twaalf landen van de Europese Unie - de landen waarmee Nederland zich moet meten - hieraan gemiddeld uitgaven. Wat betreft de concurrentiekracht staat Nederland er evenmin goed voor. Volgens de net verschenen World Bank Atlas is Nederland sinds 1980 op de ranglijst van de 25 rijkste landen ter wereld gezakt van de subtop (positie 7) naar de degradatiezone (nummer 18).

 

Van een strategisch plan om Nederland weer terug aan de top te brengen is geen sprake. Het kabinet-Kok houdt zich hoofdzakelijk bezig met het zo gelijkmatig mogelijk verdelen van opgelopen en nog komende schade over alle Nederlanders. In het vormgeven van de verzorgingsstaat van de toekomst ontpopt Melkert zich als waar erfopvolger van Tinbergen en Den Uyl.

 

Net als deze twee inmiddels overleden PvdA-economen is Melkert overtuigd van het economisch nut van een gelijkmatige inkomensverdeling. "Landen met een meer gelijkmatige inkomensverdeling, zoals Nederland, Japan en Duitsland", stelde hij op 24 december in de Volkskrant, "blijken de hoogste arbeidsproduktiviteit te hebben; landen met een veel ongelijkere inkomensverdeling, zoals Nieuw-Zeeland, Australië, de Verenigde Staten en Zwitserland scoren veel lager".

 

Melkert heeft gelijk. Actieve Nederlandse werknemers produceren meer dan hun evenknieën in de VS en Zwitserland, maar houden daarvan na belasting en premies netto aanzienlijk minder over. Het probleem van Nederland is namelijk dat relatief weinig actieven het levensonderhoud van bijna drie keer zoveel landgenoten moeten zien te verdienen. Worden alle inactieve Nederlanders (kinderen, zieken, werklozen, WAO'ers, VUT'ers en ouden van dagen) meegerekend dan ontstaat een diametraal tegenovergesteld beeld van dat van Melkert. Op Nieuw-Zeeland na staan alle genoemde landen dan ineens hoger op de ranglijst dan Nederland. De indeling van Nederland in dezelfde categorie als Japan en Duitsland (respectievelijk nummer 7 en 8) doet ook nogal naïef aan.

 

De Wereldbank, die de ranglijst heeft opgesteld, kiest het bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking als indicatie voor de levensstandaard in een bepaald land. Dat zijn alle goederen en diensten die door de bevolking van een land worden voortgebracht, gedeeld door de omvang van de bevolking. Volgens internationale boekhoudregels is de waarde van deze voortgebrachte produkten en diensten gelijk aan het inkomen dat de ingezetenen van een land met elkaar verdienen: het nationaal inkomen.

 

De indicatie is volgens de Wereldbank nog beter wanneer rekening wordt gehouden met de goederen en diensten die voor dit inkomen kunnen worden gekocht. Daarom heeft de Wereldbank het bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking herleid tot het aantal eenheden van de nationale munteenheid die vereist zijn om in het betreffende land eenzelfde hoeveelheid goederen en diensten te kopen als voor 1 dollar kunnen worden gekocht in de VS. Op deze manier berekend is Luxemburg het rijkste land ter wereld, op de voet gevolgd door de VS en Zwitserland (zie tabel). Elke Zwitser had in 1993 gemiddeld genomen 23.620 dollar (45.823 gulden) te besteden. De gemiddelde Nederlander bleef daar met 18.050 dollar (35.017 gulden) ver bij achter. Natuurlijk: het is nog altijd meer dan de welvaart van iemand uit Zimbabwe (1.900 dollar), maar sommige andere wereldbewoners, zoals de ingezetenen van de Tsjechische republiek (7.700 dollar), rukken behoorlijk op en bedreigen de positie van Nederland in de top-20.

 

Melkert tracht het werkloosheidsprobleem op de geijkte Nederlandse wijze op te lossen: via verdeling. "Voor een duurzaam draagvlak voor de verzorgingsstaat", aldus Melkert in het eerder aangehaalde artikel, "is het van vitaal belang dat we op weg gaan naar een arbeidsmarkt waarop - op langere termijn - deeltijd de norm zal zijn en voltijd de uitzondering".

 

Nederland is met 33 procent van de werkenden in een deeltijdbaan reeds wereldrecordhouder. Melkert wil dat record kennelijk nog wat meer glans geven, zich niet realiserend dat het niets toevoegt aan de concurrentiekracht en welvaartspositie van Nederland. Het werk en het daarmee verdiende inkomen wordt wat gelijkmatiger over Nederlanders uitgesmeerd, maar met zijn allen worden we daar geen cent rijker van. Hetzelfde geldt voor de andere remedies die Melkert in zijn binnenkort verschijnende werkgelegenheidsplan opvoert, zoals het bijna vijftien jaar oude plan (copyright André van der Louw, 1981) om mensen tot werk met behoud van uitkering te dwingen.

 

De creatie van nieuwe welvaart is een ondergeschoven kindje in het kabinet-Kok. De goede voornemens komen hier van D66-minister Wijers (economische zaken), maar het is de vraag of hij in het komend politiek geweld staande kan blijven. "Het uitblijven van nieuwe investeringsimpulsen voor toegepaste wetenschap en technologie, onderwijs, politie en justitie, infrastructuur en stedelijke vernieuwing kan niet zonder gevolgen blijven voor de stabiliteit en concurrentiekracht van onze samenleving", geeft Melkert toe, maar het inmiddels gevoerde kabinetsbeleid is wat dat betreft contraproduktief.

 

Bezuinigingen op onderwijs, technologie en wetenschap zijn keurig ingevuld. Maar een besluit over aanleg van de Betuwelijn laat op zich wachten. Wel tekent premier Kok een verdrag met Vlaanderen over het uitdiepen van de Westerschelde. De havenwethouder van Antwerpen lachte in zijn vuistje. Voor het NOS-Journaal opperde hij dat Nederland maar af moest zien van de fel bediscussieerde Betuwelijn die naar Rotterdam verscheepte containers moet vervoeren naar Duitsland. Als de Westerschelde is uitgebaggerd kunnen de containerschepen Antwerpen immers makkelijker bereiken. "Wij zorgen er dan wel voor dat die containers via het spoor Duitsland bereiken", aldus de Antwerpse wethouder.

 

Terwijl het Nederlandse kabinet zich suf peinst over hoe werk en inkomen in Nederland het eerlijkst kunnen worden verdeeld, vindt in het bedrijfsleven een omwenteling plaats, die grote invloed zal hebben op de arbeidsmarkt. Zo is produktie bij een rap toenemend aantal Nederlandse bedrijfsleven gereduceerd tot een "afgeleide activiteit". Bedrijven leggen zich steeds meer toe op produktontwikkeling, marketing, verkoop en after-sales service.

 

De kosten van door Océ-van der Grinten geproduceerde kopieerapparaten bestaan bijvoorbeeld nog maar voor 8 procent uit zelf maken. Tien procent van de inspannignen gaat naar research, 42 procent naar service en marketing en de rest is inkoop en financiering. Ook Stork is bezig deze omslag van produktie- naar hoogwaardige zakelijke dienstverlening te maken. Andere ondernemingen, zoals het starre Fokker, ontdekken nu pas dat een vliegtuigverkoper niet per se vliegtuigen zelf hoeft te fabriceren. Als Fokker zich eerder had toegelegd op het ontwerpen en marketen van vliegtuigen en de produktie had uitbesteed aan de goedkoopste en kwalitatief beste toeleverancier had het concern er financieel wellicht beter voorgestaan.

 

Uitbesteding is een internationale trend. Niet alleen produktieactiviteiten, maar ook eenvoudig ontwerp- en administratief werk, alsmede de afhandeling van orders wordt in toenemende mate overgelaten aan andere bedrijven in binnen- en buitenland. Steeds meer bedrijven houden zich bezig met de vraag: Wat kunnen we met harde guldens goedkoop inkopen, om het vervolgens weer te verkopen? Deze activiteit vergt een handelsgeest die Nederlanders in het bloed zit.

 

Om de winstmarges te verhogen huren bedrijven in toenemende mate ook flexibele arbeidskrachten in van onder meer uitzendbureaus en detacheringsbedrijven. Ook een vorm van uitbesteding. Het aantal flexibele arbeidscontracten groeide in 1994 onstuimig, zo meldde het CBS dezer dagen. Het aantal uitzend- en oproepkrachten nam met 30.000 toe, terwijl het aantal mensen met een vast dienstverband met 70.000 terugliep. Ook het aantal mensen dat in een eigen bedrijf of op freelance-basis werkt nam met bijna 35.000 spectaculair toe. Volgens werkgevers en directeuren van uitzendbureaus betreft het hier geen tijdelijk fenomeen, maar een trend. Kostenverlaging door flexibilisering en mondialisering staat als "strategische notie" expliciet in een interne notitie van Stork.

 

Flexibilisering, automatisering (onder andere in het bankwezen, waar elk jaar om deze reden de werkgelegenheid met 8 procent afneemt), mondialisering en uitbesteding jagen de door Melkert geroemde produktiviteit van het Nederlandse bedrijfsleven verder omhoog. Aan de factor arbeid worden scherpere eisen gesteld. Alleen goed opgeleide werknemers wier kennis voor ondernemingen onontbeerlijk is, kunnen in de toekomst rekenen op vaste dienstverbanden en goede honorering. Laag opgeleiden zijn gedoemd toe te treden tot het groeiende leger van flexibele arbeidskrachten dat alleen werk heeft als er rendabel werk is en dat werk ook alléén dàn betaald krijgt. Geen werk, geen inkomen, of alleen een lage door de overheid gegarandeerde uitkering. Dat zal het motto van begin volgende eeuw zijn.

 

Het efficiënter omgaan met de in Nederland dure produktiefactor arbeid zal in het bestaande bedrijfsleven waarschijnlijk meer arbeidsplaatsen kosten dan opleveren. De oplopende werkloosheidscijfers wijzen daar ook op. De pogingen van minister Melkert om het aantal uitkeringen terug te dringen lopen daardoor spaak. En dus komt de noodremprocedure van het Regeerakkoord in zicht. Dit schrijft voor dat bij het mislukken van het zogeheten volumebeleid (minder uitkeringen) hoogte en duur van die uitkeringen in het geding komen.

 

De les van de geschiedenis is dat volumebeleid altijd veel minder succesvol is geweest dan het aanpakken van de uitkeringshoogte. Verlaging van de uitkeringspercentages in 1984, 1985 en 1986 leverden een besparing op van in totaal ruim 4 miljard gulden. Doordat de uitkeringen in de jaren tachtig ook nog achterbleven bij de ontwikkeling van de lonen in het bedrijfsleven werd in totaal 12,4 miljard gulden op de hoogte van de uitkeringen bezuinigd. Dat is de helft van de besparingen die in de periode 1983-1993 op de sociale zekerheid zijn gerealiseerd.

 

Omdat zelfs de VVD om electorale redenen niet aan de hoogte van de laagste uitkeringen zal durven tornen, zullen alle bovenminimale uitkeringen worden geslachtofferd. Zo'n ministelsel vormde het kernbestanddeel van het VVD-verkiezingsprogramma. De PvdA heeft zich er altijd tegen verzet, en minister Melkert verzet zich er nog tegen. Alle trends in het bedrijfsleven wijzen in de richting van verdere uitstoot van arbeidskrachten. Het zal dan ook snel gedaan zijn met de rust in het Catshuis. Nog voor de rozen zijn uitgebloeid zullen de bouwvallige muren van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zichtbaar worden.