TOBBEN OVER HET SOCIAAL-KAPITALISME

 

Folkert Jensma; Folkert Jensma is politiek redacteur van NRC Handelsblad

 

Sociaal-democratie tussen zakelijkheid en moraal

 

door C. J. M. Schuyt, S. Stuurman, D. Pels, P. Scheffer, P. Kalma.

 

137 blz., Wiardi Beckmanstichting 1991, f 20, -

 

Te verkrijgen door overmaking van f 20, - op giro 3479700 PvdA-brochures Amsterdam, bestelnr. 752

 

ISBN 90 6855 001 2

 

Wat heeft een socialist in Nederland anno 1991 nog te wensen? De arbeiders klasse is geemancipeerd, de welvaart tot grote hoogte gestegen (en verdeeld) en de sociale verzorgingsstaat voltooid. De oude tegenstelling arbeid-kapitaal is verdrongen door het milieuvraagstuk, het solidariteitsideaal is ingehaald door de individualisering. De echte politieke dilemma's zijn of inkomen boven milieu moet blijven gaan, hoe de informatica-revolutie kan worden beheerst en welke positie in Europa moet worden ingenomen. Vakbeweging en partij hebben er nog geen erg duidelijk antwoord op. Intussen gaat in Oost-Europa voor de kapitalisten de loper uit en wordt behalve de historie ook het socialistische ideaal aan de kant gezet.

 

Er is dan ook verwarring in de PvdA - en dus een hele serie rapporten waarin de afgelopen jaren de partijcultuur en het ideologisch erfgoed werd geanalyseerd. Al die rapporten ('Schuivende panelen', 'Bewogen beweging', 'Socialisme op sterk water', 'Politiek a la Carte') liepen uit op een roep tot vernieuwing, maar erg veel resultaat heeft het nog niet gehad.

 

In november 1989 kon de partij immers opeens meeregeren en sindsdien ondergaat de sociaal-democratie een wisselbadenkuur. De onvrede- en actiegroepensfeer moest in Den Haag acuut ingeruild worden voor zakelijkheid en verantwoordelijkheid, en dat terwijl de achterban in het land dezelfde bleef. Op de nieuwe vragen durfde in de PvdA nog vrijwel niemand hardop een aangepast antwoord te geven. In het PvdA-CDA kabinet wordt dezer dagen bij de tussenbalans dan ook oudergewoonte om koopkrachteffecten gevochten. Een extra strip voor een stadsrit of een eigen risico-bedrag bij ziekte, daar draait het politieke debat om. Bij de jongste algemene beschouwingen werd bijna een crisis veroorzaakt om een bedrag van enkele tientjes voor de bejaarden met een klein pensioen.

 

PUBERTEIT

 

Maar stilletjes wordt er toch opgeschoven. 'Nieuw flinks' mag kritisch zijn over uitkeringstrekkers, Kok prijst de 'trouwe belastingbetaler' en Woltgens probeert aardig te zijn voor automobilisten en middeninko-mens. De Partij van de Arbeid zit in een geforceerde puberteit - ze wil zo snel mogelijk volwassen worden en afstand nemen van het klassieke socialisme met zijn nadruk op de zwaksten, maar tegelijk toch het erfgoed niet verloochenen. Woltgens heeft het niet over 'de' automobilist, maar over de kleine automobilist; ook een steenrijk land heeft per slot van rekening nog een onderkant.

 

Zo kan de Golf-discussie in de partij ook begrepen worden - de aanvankelijke verdeeldheid werd gevierd als een bewijs van goed gedrag, als een mooie karaktertrek. Geen belangrijke karaktertrek natuurlijk, maar net voldoende om de aanspraak op de erfenis niet te verliezen.

 

Intussen dringt de tijd voor de PvdA. Europa verandert razendsnel; politiek en economisch bestuur groeien boven de nationale staten uit. Binnenkort worden in Brussel en Straatsburg de nationale beleidsmarges bepaald, in Luxemburg de inhoud van de wet, in Frankfurt de monetaire politiek, en in Londen of Tokio het economische klimaat. Waar moet het straks in de Nederlandse sociaal-democratie nog over gaan, als het verdelingsvraagstuk uit handen is genomen?

 

Ook de burger voor wie het allemaal was bedoeld, is allang niet meer de oude - hij is individualist, hedonist, consument, automobilist, toerist en zwevende kiezer, en geen een-dimensionaal slachtoffer van de klassenstrijd. Als hem wat scheelt dan meldt hij zich bij een patientenvereniging, Greenpeace of de ANWB. Ontwaakt, verworpenen der aarde, zingt het PvdA-congres. Maar de geadresseerden zijn allang wakker, opgestaan en doorgelopen.

 

Toch bestaan die sentimenten nog, de gevoelens over het socialisme als project tot hervorming van de maatschappij. Dat is ook het mooie van het zojuist verschenen boek Sociaal-democratie tussen zakelijkheid en moraal. Er zit emotie in, boosheid en passie. Daaraan is in de hedendaagse politiek een schrijnend tekort. Een aantal auteurs van deze bundel is kennelijk tot op het bot geprovoceerd geweest door het rapport 'Socialisme op sterk water' van Paul Kalma, en zaagt nu alsnog in deze bundel van dik hout planken.

 

Kalma is directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA en een van de weinigen die op de nieuwe vragen wel antwoord gaf. Hij wordt door auteur D. Pels dan ook zonder omhaal ingedeeld bij de 'verburgerlijkte renegaten' en wankelmoedige intellectuelen " die verraad plegen aan de zaak van de arbeidersklasse" door een vorm van yuppie-socialisme te bepleiten. Want volgens Kalma, die zijn betoog in dit boek nog eens dunnetjes overdoet, is die zaak van de arbeidersklasse langzaam maar zeker synoniem geworden met de belangen van de liberale kapitalistische samenleving.

 

Het utopische verlangen naar een nieuwe wereld, het heimwee naar de radicale maatschappijhervorming die in de jaren zeventig nog mogelijk leek - dat verlangen zit volgens Kalma de PvdA anno 1990 alleen maar in de weg. De sociaal-democratie zou inspiratie moeten putten uit de successen die zijn geboekt. Kapitalisme en individualisme zijn door de socialisten juist georganiseerd ten bate van het eigen belang. Uiteindelijk bleek dat parallel met het algemeen belang.

 

Zo zorgde de strijd om hogere lonen, beter onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting en sociale zekerheid voor welvaartsgroei bij de gehele bevolking. De ondernemer had daar baat bij: de nieuwe consumenten boden groeiende afzetmarkten en bleken ook nog gezondere werknemers dan ooit tevoren. Dat er ook meer loon betaald moest worden, dwong de ondernemer weer tot innovatie maar verschafte hem op termijn wel een betere concurrentiepositie.

 

SOCIAAL-KAPITALISME

 

Volgens Kalma is er zo in Nederland het sociaal-kapitalisme ontstaan - een nieuw historisch compromis tussen kapitaal en arbeid. De klassieke tegenstelling is vervangen door wederzijdse verstrengeling. Een goed betaalde, goed opgeleide en juridisch beschermde beroepsbevolking en een goed functionerende ondernemersklasse zijn van elkaar afhankelijk geworden. De revolutie heeft wel degelijk plaatsgevonden, alleen via de omweg van de 'sociaal-democratische methode'. Het resultaat noemt Kalma een 'rechtsorde van de arbeid' - 'Walden' aan de Noordzee, als het ware.

 

Het politieke streven van de PvdA moet van hem gericht zijn op verdere integratie van arbeidskrachten in de markteconomie en niet op 'maximale afscherming tegen die markteconomie'. Die wederkerigheid verplicht bijvoorbeeld tot onderwijs dat precies aansluit op de arbeidsmarkt en een uitkeringsstelsel dat alleen tijdelijk ondersteunt - ter voorbereiding van de terugkeer op de arbeidsmarkt. Ieder die kan werken, moet ook werken. Dan ben je pas echt solidair met degenen die niet kunnen werken.

 

Afhankelijkheid van de markt heeft ook nadelen, erkent Kalma, maar die zijn altijd minder erg dan de maatschappelijke irrelevantie waarmee veel werklozen nu worden bedreigd. Hij zou het liefst de PvdA zien terugkeren naar het pragmatische reformisme uit de jaren vijftig: een nuchtere aanpak die aan de politiek geen hogere eisen stelt dan dat het de burger in staat stelt " om in welvaart en vrijheid zelf vorm en zin aan het leven te geven". Socialisme als moreel hervormingsproject van de samenleving met als doel het leven van de mensen zin te geven - dat past allemaal niet meer in de jaren negentig. 'Herverdelen' is uit, 'voorwaarden scheppen' is in.

 

KENNISKLASSE

 

De filosoof Pels vindt, blijkens zijn bijdrage aan Sociaal-democratie tussen zakelijkheid en moraal, dit allemaal historische en conceptuele 'onzin' en vooral 'tactloos' jegens de oudere generatie socialisten. Volgens hem vergeet Kalma ook dat naast arbeid en kapitaal de factor kennis steeds meer gewicht krijgt. Er dreigt een 'kennisklasse' over de hele linie van economie, politiek en cultuur te ontstaan en daarmee ook een nieuwe onderklasse. Kalma veronachtzaamt volgens hem sociologische bewegingen in de beroepsbevolking die voor nieuwe ongelijke bezitsverhoudingen zorgen: de 'vertechnisering' van het produktieapparaat, de 'intellectualisering' van de managersklasse, de bureaucratisering van de overheid, de professionalisering van het maatschappelijke middenveld.

 

Op allerlei terreinen ontstaan er volgens Pels nieuwe tweedelingen. Een klassentheorie moet dan ook uitgangspunt van het socialisme blijven, zij het dat de klassen nu wellicht anders gedefinieerd zullen zijn. 'Verworpenen der aarde' zullen er blijven, alleen zijn ze nu op een andere manier geknecht.

 

Ook maakt Pels bezwaar tegen Kalma's 'moraliseren' bij het thema arbeid; alsof het diploma burgerschap in die sociaal-democratische 'rechtsorde van de arbeid' alleen maar mag toevallen aan diegenen die zich voor betaalde arbeid beschikbaar stellen. Alsof de rest irrelevant zou zijn. Pels bepleit een arbeidsloos inkomen waardoor aan allerlei klemmende maatschappelijke behoeften toch kan worden voldaan. Veel loonarbeid is volgens hem eigenlijk zinloos en schadelijk. Als de verzorgingsstaat eens op die manier uitgebouwd kon worden, dat zou pas politieke zeggingskracht hebben, meent hij.

 

REFLEX

 

Bij de socioloog Schuyt is een andere authentiek sociaal-democratische reflex waarneembaar. Waar had Kalma in zijn sociaal-kapitalistische idylle de thema's vrijheid en gelijkheid eigenlijk gedacht, zo vraagt hij zich af. Volgens Schuyt produceert het sociaal-kapitalisme vooral consumptievrijheid: de burger als passieve bezitsindividualist, als consumerende persoonlijkheid. In de sociaal-democratie hoort het juist te gaan om de mondige, actieve en vrije mens, die solidair is met de gemeenschap, zoals de gemeenschap dat is met hem. De Partij van de Arbeid is eigenlijk de Partij van de Actieve Persoonlijkheid, aldus Schuyt.

 

De kapitalistische logica, die Kalma volgens Schuyt te gemakkelijk aanvaardt, is bovendien expansief en besmettelijk. In het onderwijs, de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt - het commerciele marktdenken rukt overal op. Over arbeid wordt bijvoorbeeld alleen nog gesproken in termen van economische produktiviteit, niet meer van sociale produktiviteit. Het leidt tot grootscheepse uitstoot van 'onrendabele', meestal arbeidsintensieve arbeid in de zor-gen dienstensector, waaraan de samenleving juist grote behoefte heeft. In het sociaal-kapitalisme van Kalma dreigt, zo betoogt Schuyt, de hoogproduktieve, geautomatiseerde arbeid daarentegen het standaardmodel te worden. De mogelijkheden van de rest van de bevolking om actief en produktief te zijn (om zich vrij te maken) worden zo verdrongen. Het nieuwe zakelijke socialisme van Kalma is Schuyt uiteindelijk te weinig ambitieus. Mensen mondig maken, daar draaide het toch allemaal om?