Regering heeft omroep aan heidenen uitgeleverd

 

Milo Anstadt; Milo Anstadt is publicist. Van 1955 tot 1983 was hij medewerker van de VARA.

 

De ondergang van het publieke omroepbestel wordt tegenwoordig vaak aan de omroepverenigingen geweten. Ten onrechte, meent Milo Anstadt. Het is de regering die het bestel heeft opgezadeld met nieuwkomers die er niets te zoeken hebben en die de programmering verstoren.

 

De voorzitter van de Partij van de Arbeid, Felix Rottenberg, heeft onlangs in een radio-interview voor de zoveelste keer de staf gebroken over de omroepverenigingen. Zij zouden te lang beschermd zijn geweest en daarom nu niet bestand zijn tegen de druk van de commerciŽle omroepen. Volgens hem hebben de omroepverenigingen iedere personele doorstroming tegengehouden en zich bijgevolg onvoldoende vernieuwd. Hij constateerde met iets van leedvermaak dat zij over de hele linie het onderspit delven tegenover de commercie. Het is modieus om zo over het omroepbestel te oordelen; zonder enig onderzoek praat de een de ander na.

 

Laten we puntsgewijze nagaan wat hun betoog waard is. Ten eerste, de beschermde positie van de omroepen. Daar moet wel enige geschiedenis aan te pas komen. Er waren eens geestelijk en maatschappelijk geÔnteresseerde groepen in dit land die zich organiseerden om zendvergunningen te verwerven. Er waren parlementariŽrs die na veel wikken en wegen een omroepwet goedkeurden die een specifiek Nederlands omroepbestel een wettelijk grondslag gaf.

 

Is het absurd aan te nemen dat zich in de Nederlandse omroepstructuur lange tijd de wil van het Nederlandse volk manifesteerde? Het was voor die omroepverenigingen van vitaal belang hun honderdduizenden leden te vriend te houden en daarom een programma te presenteren dat aan hun wensen beantwoordde. Peilingen en allerlei sociologisch onderzoek verschaften hun een inzicht in die wensen. Zij trokken zich ook de kritiek van de pers aan in de wetenschap dat daarin een gezond kritisch oordeel en een niet geringe macht waren samengebald. Een en ander had tot gevolg dat in ons land zowel afzonderlijke groepen als de totale bevolking redelijk werden bediend.

 

De huidige criticasters mogen zich er rekenschap van geven dat Nederland voor een uitzonderlijk omroepbestel had gekozen omdat het inderdaad geestelijk en politiek een zuilenstructuur bezat en omdat hier het idee van soevereiniteit in eigen kring zelfs nog lang na de oorlog opgeld deed. Zij die de omroepverenigingen hadden gesticht wilden de eigen levensbeschouwing en de eigen cultuur uitdragen. Dat dat omroepbestel gesloten groepen met elkaar in contact bracht, in staat stelde van elkaars wereldbeeld kennis te nemen en zelfs om elkaar over en weer te beÔnvloeden, was niet opzet, maar bijverschijnsel. Het kon niet anders of de intrinsieke werking van het systeem moest tot een zekere ontzuiling leiden.

 

De omroepwet verhinderde niet dat de laatste dertig jaar vooral van de zijde van de politiek storm werd gelopen tegen het bestel. Kampioen-vernieler was de VVD. De Partij van de Arbeid en de christelijke partijen, respectievelijk het CDA, zagen lange tijd brood in de hun steunende omroepen, maar op den duur begon daar de gedachte veld te winnen, dat die banden voor hen contraproduktief waren en zij begonnen afstand te nemen van de organisaties.

 

Maar de ware vijanden van de omroepen waren de liberalen. In hun streven ruim baan te maken voor de commercie, grepen zij elk middel aan om de bestaande structuur te ondermijnen. Het systeem was niet open genoeg. Er moest ruimte komen voor nieuwe kandidaten (liefst zoveel dat het bestel er aan ten gronde zou gaan). De omroepen kostten te veel geld. De belastingbetalers werden met een produkt opgescheept waar zij niet om vroegen. Staven van zakkenvullers hielden het bestel ten eigen bate in stand. Enzovoort, enzovoort.

 

De VVD vertegenwoordigt een beweging die voornamelijk door de bemiddelde burgerij wordt geschraagd en die haar beste tijd eind negentiende, begin twintigste eeuw heeft gehad. De partij zag weinig kans met haar klassieke ideologie nog eens tot een brede volkspartij uit te groeien en hing daarom de huik naar de wind. Zij presenteerde zich het ene ogenblik sociaal, het andere ogenblik conservatief, afwisselend libertijns en moralistisch en als het zo uitkwam zelfs christelijk. En dat alles met het oogmerk het verloren terrein terug te winnen. Kritiek op het omroepbestel en een streven naar toelating van commerciŽle omroepen leken haar op een gegeven moment iets waarmee zij zich populair kon maken. Aan de kruistocht van de VVD ging echter een belangrijke ontwikkeling vooraf.

 

Terwijl de geestelijke en politieke stromingen, die grosso modo door de omroepen werden vertegenwoordigd, nog niet aan het eind van hun Latijn waren, kwam er in de Angelsaksische wereld een massacultuur op, die de jongeren in Europa onweerstaanbaar aantrok. Het was de popcultuur, met haar voornamelijk muzikale elementen, maar in haar zog ook levensbeschouwelijke. Een luide cultuur, met barbaarse en anarchistische trekken, quasi dynamisch, maar feitelijk statisch, met als nadrukkelijk kenmerk de herhaling en een oorverdovende, mechanische beat die als een narcoticum werkt.

 

Deze popcultuur genereerde een nieuwe markt en allerlei slag van ondernemers waren er als de kippen bij om er geld uit te slaan. Er verschenen radio- en televisiepiraten die uitsluitend en totaal de nieuwe god dienden. De legitieme strijd van de overheid daartegen was voor de VVD gefundenes Fressen. De staat mocht geen zedenmeester zijn, hij moest primair de vrijheid dienen, de vrijheid van het individu, de vrijheid van consumptie en de vrijheid van het initiatief.

 

Inmiddels werd in de kring van de VVD steeds harder geroepen om reclame in de ether en vrijheid voor ondernemers om commerciŽle radio en televisie te exploiteren. Het verweer van de andere partijen en van de omroepen zelf (maar die verkeerden in een hoogst afhankelijke positie) was halfslachtig. De algemene roep om bezuiniging bij de NOS werd gehonoreerd. Ook werd reclame ingevoerd omdat daarmee enerzijds het zo vaak aangevoerde ondernemersbelang zou worden gediend en anderzijds ontkomen kon worden aan een verhoging van de luister- en kijkbijdrage.

 

Gezwegen werd over het feit dat de kosten van reclame in laatste instantie door de consument moeten worden opgebracht en dat zij aanzienlijk hoger zijn dan de bescheiden verhoging van de retributie die nodig was om het omroepbestel redelijk te laten functioneren. Wat dat laatste betreft riep de politiek bijna in koor: onhaalbaar!

 

In een latere fase, toen de regering zich vrijwel zonder strijd door RTL liet ringeloren, bleek maar al te duidelijk dat de publieke omroep aan de heidenen was overgeleverd. De bescherming van het omroepbestel was de laatste dertig jaar ver te zoeken.

 

Wij verkeren nu in een situatie dat een bedreigde publieke omroep, die afhankelijk is van ledental, van reclame en van kijkcijfers, met het banale programma-aanbod van de commerciŽlen moet concurreren om te overleven. Het is een wonder dat sommige omroepverenigingen nog kans zien zich af en toe zo positief van de RTL-netten te onderscheiden.

 

In plaats van zich dood te schamen dat de politiek, dat zijn partij en zijn minister deze wantoestand in het leven hebben geroepen, bestaat Rottenberg het meesmuilend te constateren dat de publieke omroep het onderspit delft. Hij valt op de knieŽn voor de commerciŽle efficiŽntie en het zou mij daarom nauwelijks verwonderen als hij zich er eerdaags voor zou uitspreken dat onze gehele gezondheidsdienst gecommercialiseerd wordt, dat onze universiteiten en hogescholen aan de commercie worden overgedragen, dat de redactiestatuten bij kranten worden afgeschaft en de redacties zich dwingend aan de commerciŽle directies moeten onderwerpoen, zoals dat ook voor de programmastaven van de commerciŽle televisie geldt.

 

Wat is de culturele winst van ons nieuwe, gemengde, krakkemikkige omroepbestel? Aan deze vraag komt hij en komen ook andere voorvechters van commerciŽle concurrentie niet toe.

 

Het ordeningsprincipe van onze rechtsstaat brengt met zich mee dat de regering zich laat leiden door ideeŽn over een gemeenschappelijke moraal, over wat goed is voor de gemeenschap als geheel, over waarden die een moreel appel doen op ons als gemeenschap. Woorden van die strekking schreef onlangs prof. J.H.J. van den Heuvel in deze krant. Uit dien hoofde waren er redenen het oude omroepbestel te beschermen, zich de vraag te stellen of het verantwoord was het uit te breiden met organisaties die al redelijk vertegenwoordigd waren (EO) en organisaties die geen enkele geestelijke of politieke stroming vertegenwoordigden (TROS en Veronica).

 

Als de regering het verschijnsel van een geleidelijke ontzuiling in haar overwegingen had betrokken, had zij in plaats van onder het mom van democratie een stringent getalscriterium in te voeren, een wettelijk kader geschapen dat voorzag in fusies tussen organisaties met geringe onderscheidende achtergrond. Zij had het bestel ook niet opgescheept met een 'stoet van dwergen' - van RVU tot Socutera en van Humanistisch Verbond tot Teleac - die een evenwichtige programmering verstoren.

 

Het verwijt dat er te weinig personele doorstroming bij de omroeporganisaties zou zijn geweest, is even onterecht. Toen ik in 1955 bij de VARA in dienst kwam als televisie-regisseur was daar de eerste naoorlogse generatie aan bod van twintigers en dertigers. Alleen bij het bestuur waren er wat ouderen. Toen ik in 1975 secretaris van het bestuur werd, was inmiddels een geheel nieuwe generatie aangetreden. Als ik nu een enkele keer een bezoek aan de VARA breng dan ken ik daar bijna niemand meer. Het voorzitterschap is in die periode achtereenvolgens door Burger, Broeksz, Kloos, Van den Heuvel en Van Dam uitgeoefend. In veertig jaar tijd zijn er vijf voorzitters geweest en is er bij het personeel een doorstroming geweest van drie generaties. Ongeveer hetzelfde beeld vertonen de andere (oude) omroeporganisaties.

 

De drie decennia dat de actie tegen het Nederlands omroepbestel nu al voortduurt, hebben partijen en parlement zich eerder cultuur-vijandig dan cultuur-beschermend gedragen. En dat bleef niet beperkt tot radio en televisie. In gelederen van de politiek zag klaarblijkelijk niemand welk een hoog niveau de programmering in de periode 1955 - 1970 bereikte. Om daarvan slechts een enkel voorbeeld te geven: in vijftien jaar tijd hebben de omroeporganisaties samen meer dan vijfhonderd toneelstukken uit het wereldrepertoire in televisiebewerking uitgezonden. Daaronder stukken van Shakespeare, MoliŤre, Schiller, Tsjechov, Heijermans, Brecht, Sartre, Ionesco, Arthur Miller, Claus. Kom er nu maar eens om! Het is overwegend soap wat de klok slaat. Of wil massamedium per se zeggen grenzeloze banaliteit? Dan hebben Rottenberg en zijn medestanders gelijk en heeft de politiek haar doel bereikt.

 

Mocht ik hun ware bedoelingen misverstaan en wensen zij toch een gezond en aantrekkelijk publiek bestel te behouden, met een programmering die uitgaat boven het kleinburgerlijke, platte nivau waartoe de politiek de omroepverenigingen heeft veroordeeld, dan heb ik nog een paar aanbevelingen voor hen.

 

1. De politiek kan er naar streven de commerciŽle omroepen aan een programmastatuut te onderwerpen dat een waarborg vormt voor enig niveau. Waarom is dat in Groot-BrittanniŽ mogelijk en zou het in Nederland niet mogelijk zijn?

 

2. De wil tot verregaande samenwerking tussen de omroeporganisaties is tegenwoordig duidelijk aanwezig. Door maatregelen als samenvoeging van bepaalde programmastaven en van bepaalde redacties en door een efficiŽntere huisvesting kunnen besparingen worden bereikt. Maar daarmee alleen wordt de aantrekkelijkheid van het totale programma en de kwaliteitsverbetering nog niet gewaarborgd. Een van de storende elementen in het programma van de publieke omroep is de reclame. Onderzoeken hebben uitgewezen dat die kijkers en luisteraars in toenemende mate irriteert. Afschaffing van de Ster zou een weldaad zijn en zou de toeloop naar de publieke omroep aanzienlijk kunnen verhogen.

 

3. Om de financiering van de publieke omroep, bij handhaving van drie netten, op een redelijk peil te houden kan niet worden ontkomen aan een verhoging van de luister- en kijkbijdrage. Een andere mogelijkheid is het aantal publieke netten met ťťn te verminderen, waardoor een verhoging van de omroepbelasting wellicht achterwege kan blijven. Dat de overdracht van het omroepprodukt daardoor minder aan verbrokkeling onderhevig zou zijn, is een bijkomend voordeel.

 

4. Eerdergenoemde prof. Van den Heuvel wees erop dat de politiek er niet aan ontkomt uit een verscheidenheid van botsende morele opvattingen en waarden te moeten kiezen. Indien de politiek voor rechtvaardigheid, humaniteit, solidariteit en lichamelijke en geestelijke volksgezondheid kiest, indien zij wil strijden tegen mateloos materialisme en consumptisme, dan moet zij datgene wat zij voorstaat ook in haar cultuurbeleid tot uitdrukking brengen. Op het gebied van de televisie zou zij er naar moeten streven dat het publiek op alle zenders een zo geschakeerd mogelijk programma wordt geboden. Geen gettovorming door zenderkleuring, maar een programma dat in plaats van tot verdere individualistische atomisering, weer tot gemeenschapsvorming leidt.