Prof. mr. H.J. Hofstra over de idee van de verzorgingsstaat; "Ik verafschuw het gelddenken'

 

Michèle de Waard

 

Hij tilde de verzorgingsstaat van de grond, samen met de ministers Zijlstra, Mansholt en Klompé. Als minister van financiën in het derde kabinet-Drees hield prof. mr. H.J. Hofstra de hand op de knip. Toen het sociaal-democratische tijdperk voorbij was, stapte hij over naar het bedrijfsleven. Hij werd directeur bij scheepsbouwer Verolme en commissaris bij KLM. Hofstra besloot zijn carrière als hoogleraar belastingrecht in Leiden. Een socialist over de noodzaak van een zorgzame samenleving: ""Je mag de achterblijvers niet in de steek laten.''

 

"Het financiële beleid is de afgelopen decennia volkomen uit de hand gelopen. Het is vreemd dat vijftig jaar na de bevrijding nog allerhande regelingen bestaan die allang afgeschaft hadden moeten worden zoals de subsidies voor huur- en woningbouw. Politieke partijen moeten niets beloven als ze het geld er niet voor hebben. Het heeft ook te maken met een gebrek aan leiderschap. In het verleden hebben we grote staatslieden gekend. Nu zitten we opgescheept met enorme schulden en misbruik van voorzieningen door mensen voor wie al deze regelingen nooit bedoeld waren.'

 

Professor mr. H.J. Hofstra stond als Kamerlid voor de Partij van de Arbeid en minister van financiën in het derde kabinet-Drees (1956-1958) aan de wieg van de verzorgingsstaat. Veertien jaar lang werkte hij aan de verwezenlijking van zijn idealen in een tijdperk waarin degelijk bestuur en sociale zorg nog hand in hand gingen.

 

De oorlog liep ten einde toen Henk Hofstra via een bridgevriend in contact kwam met Drees, de leider van de sociaal-democraten in de illegaliteit. Drees was na een kort verblijf in het kamp St. Michielsgestel druk bezig met de wereld na de oorlog. Er zou veel moeten gebeuren. "Herstel en vernieuwing' werd de leus. Geld speelde een belangrijke rol èn belastingheffing. Op dit gebied beschikten de socialisten over onvoldoende deskundigheid. Dus werd Hofstra uitgenodigd voor de thee. Hij was dan geen partijlid, maar wel een uitgesproken progressieve denker.

 

""Het moet anders met die belastingen'', zei Drees tegen hem. ""Wil jij dat voor me uitzoeken?'' Er waren enorme bedragen mee gemoeid. Meer dan de helft van het nationaal inkomen liep door de overheidskas. Hofstra ging aan de slag. Moest het brood extra worden belast of de hogere inkomens? Daar ging het om. Zijn lange nota's aan Drees mondden uit in het boek Socialistische Belastingpolitiek waarin de roemruchte passage te lezen valt dat het socialisme de belastingheffing dienstbaar moest maken aan aantasting van het particuliere eigendom van produktiemiddelen. De belastingheffing worde openlijk en doelbewust, voor zover zulks mogelijk is, dienstbaar gemaakt aan de socialisatie.

 

Daarmee stak Hofstra - die inmiddels lid van de Wassenaarse SDAP-afdeling was geworden - zijn nek uit. Het was het begin van zijn politieke loopbaan in de Partij van de Arbeid. Hofstra maakte als minister niet alleen naam met zijn slagvaardigheid en drastische beperking van de bestedingen. De slanke gestalte met het onafscheidelijke sigarettenpijpje stond al gauw bekend als de best geklede politicus van het Binnenhof.

 

"De wereld was in de dagen voor de oorlog zó onrechtvaardig. Mijn grootmoeder kreeg drie gulden pensioen per week'', zegt Hofstra die nu 87 is en met zijn zuster in een eenvoudige tussenwoning in Den Haag woont. ""De verzorgingsstaat mòest wel ontstaan.

 

""In de jaren dertig besefte ik dat er in de vorige eeuw iets was misgegaan. De industrialisatie had de samenleving omver gegooid. Natuurlijk bracht de Industriële Revolutie een stijging van de welvaart met zich mee en nieuwe mogelijkheden. Maar de maatschappelijke tegenstellingen verminderden niet. Het waren vooral de industriëlen en de middenstand die de vruchten van de modernisering plukten. Niet de kleine boeren en arbeiders.

 

""Van Gogh's aardappeleters teerden weg op de Brabantse zandgronden. Als inspecteur van de douane trok ik langs de grensposten bij Oldenzaal en zag boeren in hun boerderijtje zitten. Vader en moeder op een stoel en een hele rits kinderen die ernaast stonden. Geld voor meer stoelen was er niet. Een grote pan aardappelen en een pot vet. Verder niets. Een ruwe houten tafel, een geverfde kast, dat was alles. Er was niet alleen armoede op het platteland, ook bij de arbeiders in de steden. In de oude wijken van Amsterdam woonden hele gezinnen in kelders. In die crisisjaren heb ik mijn rode neigingen gekregen.

 

""Later, als inspecteur bij de belastingen had ik met nog schrijnender situaties te maken. Aan de ene kant kwam ik in aanraking met de vrouw van een invalide mijnwerker die elke week een kwartje kwam betalen om een schamele belastingschuld van tien gulden af te lossen. Aan de andere kant kreeg ik de aanslag van één man onder ogen die 37 dienstboden en zeven auto's had. In die tijd werd de personele belasting nog geheven naar het aantal dienstboden.

 

""Ik dacht: dat kàn niet. Wat is dat voor gespletenheid in de wereld. Dat gebrek aan verantwoordelijkheid voor elkaar is afschuwelijk. Ik heb Marx' theorie van de klassenstrijd altijd bestreden, maar het was kenmerkend voor die periode dat enig begrip voor de ander volledig ontbrak. De verzorgingsstaat was een bittere noodzaak'', zegt Hofstra.

 

Hoe kijkt hij aan tegen het verzorgingsparadijs dat hij hielp opbouwen en waar nu de bladeren vallen?

 

"Mijn hele denken wordt bepaald door het idee van wederzijdse verantwoordelijkheid. Je mòet aan anderen denken. Daarom zeg ik ja tegen het beginsel van de verzorgingsstaat. Het is de enige beschaafde staatsvorm die de grondslagen van de westerse beschaving - de individuele vrijheid en de humanistische zorg voor de medemens - verenigt. Je mag de achterblijvers niet in de steek laten. Maar niet iedereen denkt aan de ander. Mensen maken gebruik van voorzieningen die niet voor ze bedoeld zijn. Dat was nooit onze bedoeling.

 

""Voor ons, socialisten, stond rechtvaardigheid centraal. Het was duidelijk dat het extreme individualisme uit de negentiende eeuw tekort schoot. Het vrije marktmechanisme is, ondanks bepaalde voordelen, niet in staat een menswaardige samenleving te waarborgen. Een zekere mate van overheidsinmenging was onontkoombaar. Het ging er om dat niet iedereen uitsluitend voor zichzelf alles bij elkaar graaide. Schermerhorn, premier na de oorlog, zei over het vooroorlogse systeem: ieder voor zich en de duivel hale de achterste. Maar de duivel heeft het zo grondig gedaan dat een reactie niet kon uitblijven. Vooral van de kant van de vakbeweging.

 

""Wij hebben de verzorgingsstaat helpen opbouwen met als uitgangspunt dat degene die het nodig had, moest krijgen wat hij moest hebben, en degenen die het niet nodig hadden geen aanspraak op voorzieningen konden maken. In het hoogkapitalisme raken altijd mensen buiten hun schuld in de verdrukking vanwege slechte gezondheid of gebrek aan capaciteiten. Vanuit die gedachte is de sociale wetgeving gemaakt en kwam Drees eind jaren veertig met de noodvoorziening voor ouden van dagen en de werkloosheidswet.

 

""Ons stond een zorgzame samenleving voor ogen. Ik vind dat een betere benaming dan verzorgingsstaat die suggereert dat als iemand maar het juiste loket kan vinden, de overheid wel al zijn zorgen overneemt. Dat ondermijnt de eigen verantwoordelijkheid voor de uitkeringsgerechtigde.

 

""Maar tussen droom en daad kan een grote afstand liggen en dat is ook bij de sociale voorzieningen gebleken. De controle is onvoldoende. Wij dachten dat de overheid alles kon oplossen. Maar de conservatieve partijen wilden dat de uitvoering van de sociale wetgeving aan bedrijfsverenigingen van werkgevers en werknemers werd overgelaten. Zij hadden misschien meer kennis van de situatie, maar het bleven belangenorganisaties. Bij de WAO zien we waar dat toe geleid heeft.

 

""Ik ben in beginsel voorstander van het harmonie-model, niet van de klassenstrijd. Je moet niet vijandig tegenover elkaar staan als bevolkingsgroepen. Dan wordt het een oorlog van "allen tegen allen', zoals de Britse filosoof Hobbes in de zeventiende eeuw beschreef. Probleem is dat het consensus-model de politiek heeft uitgehold. Als de belanghebbende partijen na moeizame onderhandelingen een compromis hebben bereikt, zie dan maar eens dat de overheid zegt: het moet anders. Dan versperren ze met tractoren de wegen of spuit de brandweer het Binnenhof onder met blusschuim.

 

"De verzorgingsstaat heeft ook een chaos aan regelingen met zich meegebracht. Niemand heeft meer overzicht doordat verantwoordelijkheden voor uitkeringen en controle gesplitst waren. Dat was nooit onze bedoeling. Verschillende regelingen zijn in de jaren veertig, vijftig bedacht door bijzonder zuinige mensen die durfden ingrijpen als het moest. Die nee konden zeggen. Maar de latere generaties lieten de sociale voorzieningen ontsporen - ten koste van mensen die het werkelijk nodig hebben - en stonden erbij te kijken.

 

""Nee, de oude Drees was niet teruggeschrokken voor harde maatregelen. Hij had een grondige hekel aan misbruik van voorzieningen juist omdat het een uitdrukking was van het gelddenken dat hij verafschuwde. In de WAO-discussie zou hij vast en zeker aan de kant van Kok hebben gestaan.

 

""Het hele financiële beleid is na de jaren vijftig volkomen uit de hand gelopen. De echte geldsmijterij begon in de jaren zestig. De uitgaven voor sociale regelingen en subsidies werden uitgebreid toen de PvdA al weer lang in de oppositie zat. Inmiddels hebben de overheidsschulden zich zo opgestapeld dat de staat een enorm bedrag - ruim 46 miljard per jaar - aan rente en aflossing moet betalen en geen geld meer heeft om ouden en zieken op de been te houden. Je kunt geen goede politiek voeren als je niet zorgt voor gezonde financiën, zei Colbert al, minister van financiën onder Lodewijk de Veertiende.

 

Hofstra wijt deze financiële ontsporingen aan het versplinterde beleid bij de overheid. Vroeger had je nog echte staatslieden, die altijd greep hadden op het geheel. Nu vecht elke minister en elk Kamerlid voor zijn eigen belang. In de Kamer worden mensen gekozen met een specialisme dat in de eigen achterban toevallig populair is. De één vecht voor buurthuizen, de ander wil steun voor bepaalde bedrijfstakken en aangezien het geld er niet is, moet de overheid het telkens ophoesten.

 

""Het is toch waanzin dat er allerhande regelingen bestaan zoals huursubsidie die allang afgeschaft hadden moeten worden. Direct na de oorlog waren subsidies nodig ten aanzien van het woningbeleid omdat anders de verhuurders miljonair waren geworden. Maar nu? Ik vind het vanzelfsprekend dat je voor een brood moet betalen wat het kost, maar waarom dat niet geldt voor het huis dat je kiest zie ik niet in. Al moet de sociale zorg wel waarborgen dat iedereen een dak boven zijn hoofd heeft en niet zal verkommeren.

 

"Politieke partijen moeten niets beloven als er geen geld is. Ook het motto van Den Uyl "leuke dingen voor leuke mensen' was niet waar te maken, met alle rampzalige gevolgen vandien. Nu zitten we te kijken met een woud aan subsidieregelingen en misbruik van voorzieningen. De emmer is zo hard overgelopen, dat er wel iets moet gebeuren.

 

""Ik begrijp daarom het hevige verzet niet tegen de regeringsvoorstellen voor vermindering van het aantal arbeidsongeschikten en ziekteverzuimers. Zij beogen de verzorgingsstaat niet af te breken, maar te redden door hem beheersbaar te maken. Je kunt niet verder springen dan de polsstok lang is. Nu wordt beweerd dat verworven rechten onaantastbaar zijn. Maar wie ten onrechte een uitkering krijgt, hééft daarop geen recht.

 

""Het hele idee van verkregen rechten berust op een reusachtig misverstand. Als we dat ernstig nemen, zouden wij vandaag nog in de Middeleeuwen leven. Niemand mag verwachten dat de overheid materiële regelingen levenslang kan garanderen. Het is deze dictatuur van het inkomensplaatje die het nemen van de juiste beslissingen belemmert.

 

""Nee, Drees had er wel iets anders bij in zijn hoofd... Hij was een gedreven mens door zijn hoop op een betere samenleving, maar hij was ook een realist, volstrekt rechtvaardig èn zuinig. Nou, dat zijn vier eigenschappen die eigenlijk elke politicus moet hebben om een land te besturen.

 

""Voor mij is visie het belangrijkste. Een visie grijpt, drijft mensen. Tegelijkertijd moet je weten waar de grenzen liggen van wat je nodig vindt. Ook de PvdA zal een nieuwe visie moeten ontwikkelen. Dat is de enige manier om uit de huidige crisis te komen.

 

""De SDAP kwam voort uit het verzet van arbeiders tegen hun slechte positie, de latere PvdA wilde ook de middengroepen omvatten en de hard werkende ondernemer. Vooral Willem Banning had grote invloed. Hij was een protestants theoloog en een van de oprichters van de PvdA. Een bijzondere man was dat. Banning fundeerde de partij niet in klassentegenstellingen maar gaf haar een geestelijke grondslag doordat hij religie en socialisme met elkaar verbond.

 

""Zo'n fundament ontbreekt nu. De PvdA heeft belangrijk tot de groei van een zorgzame samenleving bijgedragen. Er gaat niemand meer dood van de honger en de arbeider uit de kleine krotwoning is een kleine bourgeois geworden.

 

""Momenteel hebben we in de partij - ik ben er nog altijd lid van - aanzienlijke meningsverschillen over hoe het verder moet met de WAO. Maar waar is de PvdA mee bezig? Met een andere organisatie van de partij. Natuurlijk is dat belangrijk om je boodschap over te brengen, maar dan moet je wel weten wàt die boodschap is.

 

""Geen enkele partij weet meer hoe de ideale samenleving er uit moet zien. Ieder berijdt zijn eigen stokpaardje. Maar als de Partij van de Arbeid afzakt naar een organisatie van uitkeringsgerechtigden is dat een nobel doel, alleen noem ik dat geen socialisme meer. De basis wordt veel te smal en de partij verloochent haar politieke opdracht. Ze wilde een betere, rechtvaardige samenleving en die is er nog lang niet.

 

""Misschien moet het woord socialisme worden vervangen omdat het door de geschiedenis zo bezoedeld is. Er zijn nieuwe concepties nodig. In werkelijkheid gaat het, ook in het overheidsbeleid, om drie filosofische vragen: de keuze tussen eigen geldelijk voordeel en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, de bereidheid om niet alleen te nemen maar ook aan anderen te geven en tenslotte om arbeid. Die is essentieel in een mensenleven. Werk is geen straf, maar kan dikwijls zin en invulling aan het leven geven door automatische contacten met anderen. Daarom is gedwongen verkorting van de werktijd niet in het belang van mensen. Het degradeert de arbeid.

 

"De technische ontwikkeling is natuurlijk aan de ene kant een zegen, maar aan de andere kant een reuze strop. Met één machine worden tientallen banen overbodig en die mensen komen dan weer in de werkloosheidsvoorziening terecht. Een heleboel produktie in onze welvaartsmaatschappij bevordert ons geluk helemaal niet, noch onze gezondheid, noch het welzijn. Neem die kwellende reclames op de televisie voor onnodige artikelen of het autoprobleem.

 

""Daar is niets aan te doen hoor je dan. Er zou wèl wat aan gedaan moeten worden. De hele mentaliteit is veramerikaniseerd. Vele mensen verteren vandaag wat ze morgen nog moeten verdienen. Ik verafschuw dat gelddenken. Laatst zei Bush dat hij de Russen the American way of life zou leren. Arme Russen denk ik dan, moeten ze nu van de dictatuur van partijbonzen in een dictatuur van het geld en de plutocraten vallen?

 

""Als je pragmatiek tot beginsel verheft, vlucht je voor de werkelijke problemen. Je kunt alleen beleid voeren met een visie op de toekomst. De PvdA kan iets tegenover die vermaterialisering van de samenleving stellen. Destijds heb ik het Kamerlidmaatschap aanvaard omdat de partij vlak na de bevrijding ook een partij voor intellectuelen was, voor dertigers en veertigers die hun vak goed verstonden en een ruime blik hadden. We hoopten op een doorbraak, een brede volkspartij. Dat is niet gelukt, maar de partij moet vandaag opnieuw op brede groepen in de maatschappij blijven mikken.

 

""Nu vinden sommigen de verzorgingsstaat verouderd. Zij willen er vanaf. Iedereen moet zijn eigen verantwoordelijkheid dragen en zich particulier verzekeren. Ze zijn hoogstens bereid tot enkele lapmiddelen voor de ernstige gevallen. Dat gaat me veel te ver. De rotte plekken moeten worden weggesneden. Het stelsel dreigt onbetaalbaar te worden èn de Europese eenwording dwingt ons tot beperking omdat Nederland veel te duur wordt. Maar de verzorgingsstaat moet blijven bestaan. Dat is essentieel.

 

""Een ministelsel van voorzieningen waarbij iedereen zich moet bijverzekeren lijkt me zinloos. Voor de lagere inkomens zul je extra regelingen moeten treffen en dat levert géén eenvoudiger stelsel op. Bovendien kun je iemand die zijn leven lang heeft gewerkt niet naar een strikt minimum laten vallen.

 

""Ook kan de overheid een grotere rol spelen als ordeningsinstituut op de achtergrond. Dat geldt voor de uitvoering van sociale maatregelen, maar ook op andere gebieden zoals de bescherming van de Nederlandse taal, het milieu, de ozonlaag of het sociaal-economisch overleg. Zo is het bij voorbeeld tijd voor een loonmaatregel wanneer de vakbeweging te veel loon vraagt. Structurele begrotingstekorten en te hoge looneisen leiden tot inflatie. Dat is een stiekeme en achterbakse diefstal van iedereen die nog enige koopkracht heeft. Inflatie is veel ernstiger dan een hoge belastingdruk omdat ze niet te controleren is.''

 

En waarom kan de overheid geen eigen verzekeringsmaatschappij oprichten, oppert Hofstra, die zijn oude socialisatie-ideeën niet helemaal laat varen. ""In het plan van Simons voor de gezondheidszorg en in de hele WAO-affaire speelt de invloed van verzekeringsmaatschappijen die maar al te graag privé willen verzekeren een grote rol. Zij vechten niet voor een rechtvaardige en eenvoudige oplossing, maar zijn enkel bezig hun eigen terrein uit te breiden.

 

""Een grotere invloed van de overheid op het bedrijfsleven moet wel samengaan met deskundigheid'', zegt Hofstra nadrukkelijk. Als oud-directeur bij Verolme herinnert hij zich nog levendig ambtenaren van Economische Zaken die langskwamen en niet uitblonken in deskundigheid op dit terrein. Een constructie zoals met De Nederlandsche Bank, die volkomen zelfstandig werkt en hooguit een "aanwijzing' van de minister kan krijgen, lijkt Hofstra de meest geschikte vorm van overheidsbemoeienis met de markt.

 

""Of ik een realist ben?'' Hij lacht, fronst dan zijn voorhoofd en zegt vol overtuiging: ""Een bepaalde vorm en omvang van socialisatie kàn de samenleving veiliger maken. Laat ik duidelijk zijn: in de heilstaat geloof ik niet, ook al ben ik socialist en kerkganger. We hebben zoveel tekortkomingen dat we de ideale samenleving nooit kunnen verwezenlijken. De opdracht is in een onvolmaakte wereld altijd te proberen de notoire onvolmaaktheden weg te nemen en de maatschappij net iets beter te maken, in de wetenschap dat het een Sisyfus-arbeid is.''