GEACHTE REDACTIE: Fatsoen is zoek in affaire rond Princen

de Volkskrant, Forum, 24 december 1994

Poncke Princen krijgt zijn visum op voorwaarde dat hij zich niet over politiek zal uitlaten. Deugt dit allemaal wel?

FOTO MARCEL MOLLE - DE VOLKSKRANT

Natuurlijk, deserteren uit de krijgsmacht is illegaal en dat was het zeker tijdens de oorlog van 1947-'49. Toch is dit niet het definitieve argument, want strikt genomen waren het ontduiken van de Arbeitseinsatz en het verbergen van joodse medeburgers dat in de periode 1940-'45 ook. Sterker nog, verzet tegen de toenmalige autoriteiten in Nederland wordt sindsdien vol trots aangeduid met de term 'illegaliteit'.

Waarom is de desertie van Princen dan zo onfatsoenlijk? Was het militaire optreden van Nederland in zijn voormalige kolonie zo rechtvaardig? Zelfs de toenmalige autoriteiten waren hier misschien niet helemaal van overtuigd, want ze verkozen de oorlog die ze ontketenden niet zo te noemen. 'Politionele acties' heetten ze; alsof het een rel op een marktplein betrof.

Nee, de rancuneuze houding tegenover mensen die in 1947-'49 het inzicht en de moed hadden om morele consequenties te trekken uit deze oorlog deugt in het geheel niet. Poncke Princen verdient dan ook beter.

Daar komt nog eens bij dat hij ook in IndonesiŽ niet voor de makkelijke weg heeft gekozen. In plaats van braaf op commando de heroÔsche verrichtingen van de Indonesische vrijheidsstrijders steeds maar weer op te rakelen en te zwijgen over hedendaags onrecht, bleef Princen zich inzetten voor de mensenrechten. Het is hem door de Indonesische junta niet in dank afgenomen.

Dezelfde Nederlandse regering waarvan een delegatie het vorig jaar bestond om aan de rand van het zwembad te beweren dat het met de mensenrechtenhandhaving in IndonesiŽ wel meevalt, geven Poncke Princen nu een visum met politiek spreekverbod; dit alles met een gezicht als een oorwurm.

Dit hautaine misprijzen past onze Nederlandse autoriteiten niet; wel excuses. Excuses aan de IndiŽ-veteranen die buiten hun schuld medeplichtig gemaakt zijn aan een onrechtvaardige oorlog, en excuses aan Poncke Princen, de enige in deze treurige geschiedenis die het woord 'fatsoen' in de mond mag nemen.

GRONINGEN Peter Kerkhof

Vader

Ik ben nazaat van kolonialen en zoon van een KNIL-militair die destijds ingezet werd in de politionele acties. De verhalen die mijn vader daarover vertelde, waren zů afschuwelijk, dat die minstens vergelijkbaar zijn met huidige oorlogsmisdaden. Zeer geŽmotioneerd heeft hij mij ťťn maal enkele details daarover verteld: vernietigen/platbranden van kampongs, het vermoorden van weerloze (zwangere) vrouwen, kinderen, enzovoort.

Als kind heb ik kunnen ervaren hoe mijn vader (ex-Kniller), verscheurd tussen twee culturen, de prijs heeft moeten betalen voor zijn gebrek aan moed om uit het Befehl ist Befehl te stappen. Hij heeft zijn leven in Nederland moeten slijten met schuld, schaamte en twijfel over zijn indo-Europese oorlogsverleden.

Zelf schaam ik mij diep deel uit te maken van een samenleving die haar eigen verleden, daar waar het gaat om misdaden gepleegd tegen een relatief weerloos volk, wegstopt en tegelijkertijd zijn mond propvol heeft over wat nu in diezelfde trant gebeurt in BosniŽ, Irak, enzovoort. Het getuigt van hypocrisie.

Ik hoop dat de hele kwestie rond Princen eindelijk leidt tot opening van zaken. Dit lijkt mij zo langzamerhand tegenover het Indonesische volk niet meer dan rechtvaardig.

ZUTPHEN J. Croese

Desertie

Politieke partijen in de Tweede Kamer weigeren een visum op grond van emoties en gevoelens van IndiŽ-veteranen die Princen niet kunnen en willen vergeven.

Die veteranen mogen ieder voor zich uiteraard oprechte, schone idealen gehad hebben om mee te helpen aan het wederom bezetten van Nederlands-IndiŽ, maar zij beseffen nog steeds niet dat zij naar IndonesiŽ waren gestuurd om IndonesiŽrs dood te schieten die voor hun vrijheid vochten.

Als Princen beschuldigd wordt van desertie, moet dat gezien worden in dit verband. Wanneer een Nederlandse soldaat in de bezettingstijd weigerde langer zijn leger trouw te blijven, dan was dat inderdaad desertie waarvoor hij gestraft diende te worden.

Heel anders is dat in het geval van Princen. Hij weigerde op een gegeven moment langer zijn handen vies te maken aan een koloniale oorlog. Een oorlog die niet gevoerd werd ter handhaving van het Koninkrijk der Nederlanden, maar een oorlog die gevoerd moest worden louter om de materiŽle belangen van rijke Nederlanders veilig te stellen.

Wij hopen dat de IndiŽ-veteranen hun trauma's van de koloniale oorlog en de 'desertie' van Princen zo gauw mogelijk overwinnen. Wij - IndonesiŽrs - willen deze oorlog zo snel mogelijk vergeten en de schuldigen vergeven.

AMSTERDAM H.H. Ong

Stichting Rumah Kita

Onrecht

1995 kan een fijn vijftigjarig herdenkingsfeest worden met deze affaire als voorproefje. Ik hoor iedereen al weer schelden en kankeren op die 'moffen', ondertussen even vergetend dat de Centrumdemocraten in Nederland meer stemmen krijgen dan in Duitsland. En vooral dat wij ons koloniale verleden proberen te smoren onder een deken van onwaarachtigheid.

Welke politicus doet nu eens openbaar belijdenis, net als de keizer van Japan en Adenauer, maar dan over het onrecht dat Nederland IndonesiŽ heeft aangedaan?

ADUARD Fred den Haring

Drie van Breda

De laatse twee van de 'drie van Breda' werden vrijgelaten omdat er, zoals de toenmalige premier het verwoordde, na verloop van tijd ruimte dient te komen voor een houding van verzoening en vergeving.

Wat deze mensen op hun kerfstok hadden, was nota bene wel van een andere orde van grootte dan hetgeen de heer Princen heeft gedaan.

WAGENINGEN

G.C. Gussenhoven

Patrouille

Een neef had na zijn terugkomst uit IndiŽ een gesprek met mijn vader:

'Wat moesten jullie daar nu doen Joop?'

'De omgeving zuiveren van opstandelingen oom'

'Hoe deden jullie dat?'

'Heel eenvoudig oom. We gingen op patrouille langs de sawa's. Als we een stelletje van die lui op het land bezig zagen, moesten ze bij ons komen en hun handen laten zien. Hadden ze schone handen, dan was het duidelijk dat het geen landarbeiders waren. We namen ze dan mee.'

'En dan Joop?'

'Als we ergens bij een bos of een rivier kwamen schoten we ze gewoon dood.'

Ik kan mij heel goed voorstellen dat Poncke Princen aan deze zwijnerij niet mee wilde doen.

RODEN Henk Stokhorst