Planbureau legt politieke bom onder coalitie

 

Door onze redacteur FRANK VAN EMPEL

 

DEN HAAG, 18 MAART. Binnen de Paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 is een politieke strijd ontbrand over het nut van verdergaande lastenverlichting. Aanleiding is het uitgelekte Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CPB), dat officieel pas op 7 april verschijnt.

 

Het kabinet gebruikt de inzichten van het CPB bij het maken van de eerste opzet voor de rijksbegroting 1996. In het nog niet gepubliceerde CPB-stuk staan scherpe analyses over "scherp" stijgende winsten, achterblijvende koopkracht en de voordelen die werkgevers ondervinden van de lastenverlichting die het kabinet-Kok voor hen in petto heeft. Voor 1996 staat 4 miljard gulden aan lastenverlichting op het programma, waarvan werkgevers 3 miljard en werknemers 1 miljard krijgen toegeworpen.

 

De cijfers van het CPB werpen een ander licht op de voorgestelde lastenverlichting dan een jaar geleden voor mogelijk werd gehouden. In de Nederlandse economie hebben sindsdien dan ook grote verschuivingen plaatsgevonden. De winsten van het bedrijfsleven trekken zo snel aan dat ze die van het topjaar 1990 benaderen. Zelfs vroegere brekebenen als Hoogovens en DAF Trucks maken ineens weer winst en ook het midden- en kleinbedrijf kan tevreden zijn.

 

Met name binnen de PvdA rijst daarom de vraag of werkgevers nog wel meer lastenverlichting nodig hebben voor het creŽren van meer banen. Nederlandse bedrijven zitten immers over het algemeen goed in de slappe was. Het probleem is vooral dat dit onvoldoende tot uitbreidingsinvesteringen en daarmee tot nieuwe werkgelegenheid leidt.

 

Op dat laatste punt krijgt de PvdA onverwachte steun van VVD-kamerlid en oud-minister R. de Korte, die afgelopen maandag in deze krant stelde dat de condities optimaal zijn voor meer investeringen. Het bedrijfsleven moet daar nu maar eens mee over de brug moet komen.

 

De Korte wilde echter niet zo ver gaan de aangekondigde lastenverlichting ter discussie te stellen. Dat zou slecht zijn voor het investeringsklimaat, zo betoogde de VVD'er, omdat de overheid dan van onbetrouwbaarheid zou worden beticht. Hij beseft echter dat PvdA-fractievoorzitter J. Wallage op basis van de CPB-cijfers de wind in de zeilen heeft als hij de aangekondigde lastenverlichting aanvecht.

 

Ook de voorzitter van MKB Nederland, oud-VVD-voorzitter J. Kamminga, mengde zich in de strijd en koos de zijde van Wallage: wel lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf, maar niet voor de grote ondernemingen die wel veel winst maken maar weigeren in Nederland nieuwe banen te creŽren.

 

De vertegenwoordiger van de grote bedrijven, de vereniging VNO-NCW, wierp tegen dat er dit en volgend jaar volgens het CPB wel degelijk meer wordt geÔnvesteerd. Inderdaad trekken de investeringen aan, maar volgens het CPB is dit investeringsherstel "niet krachtig genoeg", zeker niet als dit wordt vergeleken met andere herstelperioden.

 

De macro besparingen (met name ingehouden winsten) overtreffen volgens het CPB sinds 1971 structureel de macro investeringen. Alleen de periode 1978-1981 vormt hierop een uitzondering. Dit en volgend jaar lopen de investeringen weliswaar naar verwachting flink op, maar de besparingen stijgen nog veel harder, tot meer dan 25 procent van het bruto binnenlands produkt. Bedrijven maken meer winst en zetten het grootste deel daarvan op spaarbankboekjes of ze exporteren het naar het buitenland.

 

Ook de consumptieve bestedingen stagneren. De scherp aantrekkende winsten die het CPB signaleert en een economische groei van meer dan 3 procent per jaar leiden in 1995 en 1996 niet tot een substantiŽle toename van de koopkracht. De aantrekkende investeringen zorgen dit jaar volgens het CPB tot "het overschakelen naar een hogere versnelling", maar begin 1996 zal de conjunctuur al een hoogtepunt bereiken omdat de consumptiegroei - na export en investeringen de 'derde trap van de raket' - niet versnelt.

 

"In vorige conjunctuurcycli versnelde in derde instantie de consumptie", schrijft het CPB. "Het beschikbaar gezinsinkomen geeft daar in de huidige conjunctuurcyclus nauwelijks ruimte voor."

 

Elders merkt het CPB op: "Nederlandse gezinnen zullen in hun consumptiegedrag de schrale inkomensontwikkeling volgen." De vrije gezinsbesparingen (wat gezinnen van hun netto inkomen opzij zetten, dus exclusief contractueel verplichte afdrachten aan pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen) zijn na 1990 fors gedaald. De niet-contractuele spaarquote liep terug van bijna 5 procent in 1990 tot minder dan 1 procent van het beschikbaar gezinsinkomen in 1993. Consumenten staan dus met de rug tegen de muur. Hun koopkracht stagneert en ze hebben geen geld meer op de bank dat ze kunnen aanwenden voor bestedingen. Volgens het CPB "is deze ontwikkeling opmerkelijk in internationaal perspectief". De consument heeft volgens het CPB "weinig mogelijkheden om uit de band te springen".

 

Geringe investeringen (in relatie tot besparingen) bij bedrijven en het uitblijven van consumptiegroei leiden ertoe dat ook de invoer van machines en consumptiegoederen uit het buitenland stagneert. Daardoor loopt het overschot op de betalingsbalans fors op: van 23,5 miljard gulden vorig jaar, via 25,5 miljard dit jaar tot 28 miljard in 1996. Nederland kent dit overschot al sinds 1980; in procenten van het bruto binnenlands produkt bereikt het volgend jaar een recordwaarde.

 

Volgens economen is een groot overschot op de betalingsbalans een teken van binnenlandse onderbesteding. Dit spoort met de analyse van het Centraal Planbureau.

 

Pag.21: Lasten bedrijven worden verlicht ten koste van gezinnen

 

"De beperkte investeringsinspanningen", aldus het CPB, "worden weerspiegeld in het voortdurend toenemende saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. Het niveau van het overschot is ook in internationaal opzicht opvallend hoog."

 

Binnen de PvdA ruikt men de kans om tegenover het neo-klassieke, op kostenmatiging gerichte denken bij de VVD een wat meer Keynesiaans gekleurde analyse te zetten. Die legt de nadruk op stimulering van de binnenlandse bestedingen.

 

Minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking maakt er geen geheim van dat hij nooit zoveel heeft gezien in de 9 miljard gulden lastenverlichting die het kabinet volgens het regeerakkoord vooral aan werkgevers geeft. Zijn collega's Kok (algemene zaken) en Melkert (sociale zaken) waren ten tijde van de onderhandelingen met VVD en D66 dermate onder de indruk van de argumentatie van hoge ambtenaren, hoogleraren en president Duisenberg van De Nederlandsche Bank dat ze zich volledig hebben gecommitteerd.

 

Fractievoorzitter J. Wallage van de PvdA is ook wel aan het regeerakkoord gebonden, maar het door regeringspartner VVD gepredikte dualisme tussen Kamer en kabinet geeft ook hem aanzienlijk meer manoeuvreerruimte. Begin februari dreigde Wallage al de lastenverlichting in te trekken als de lonen te hard zouden stijgen. Afgelopen week betoonde hij zich voorstander van een verschuiving van de lastenverlichting van grootbedrijf richting midden- en kleinbedrijf. De VVD is hiertegen en ook D66 kiest in de persoon van minister Wijers (economische zaken) voor een aan alle werkgevers ten goede komende lastenverlichting.

 

Het Centraal Planbureau maakt slechts analyses en neemt officieel geen stelling. Toch bevat de in het Centraal Economisch Plan gemaakte analyse dynamiet voor de politieke discussie. Die zal gaan over de wenselijkheid van lastenverlichting voor werkgevers en mogelijke alternatieven: lagere lasten voor werknemers in plaats van werkgevers, om zo de koopkracht een impuls te geven en looneisen te voorkomen, en verlaging van de BTW.

 

De eerste veldslag zal gaan over de aangekondigde verlaging van de zogeheten overhevelingstoeslag. Dat is een vergoeding die werkgevers aan werknemers geven omdat die sinds 1990 de premies volksverzekeringen voor hun rekening nemen. Aanvankelijk zou de regering de overhevelingstoeslag in 1996 afschaffen. Als compensatie voor deze vergoeding zouden werkgevers hun personeel dan een hoger bruto loon uitbetalen. Deze bruteringsoperatie is echter uitgesteld.

 

Het kabinet wil de overhevelingstoeslag nu in andere vorm laten bestaan. Zo zal volgend jaar geen toeslag verschuldigd zijn over een deel van het inkomen, de zogeheten franchise. Hierdoor betalen werkgevers per jaar 320 gulden minder overhevelingstoeslag per werknemer. Voor werknemers met lage inkomens tikt dat relatief harder aan, waarmee het kabinet de stelling waarmaakt dat de maatregel vooral laag gehonoreerd werk goedkoper maakt.

 

Daarnaast zal de overhevelingstoeslag worden verlaagd met 0,55 procent. Als reden daarvoor wordt aangevoerd dat ook de premies volksverzekeringen, die sinds 1990 in de eerste schijf van de inkomstenbelasting zijn verwerkt, dalen. Deze verlaging van het percentage overhevelingstoeslag komt, aldus het CPB, in de praktijk neer op een verschuiving van de lastenverlichting van gezinnen (werknemers en uitkeringsgerechtigden) naar werkgevers. Daarmee is een bedrag van 1 miljard gulden gemoeid.

 

Tegen de achtergrond van aantrekkende winsten en achterblijvende consumptieve bestedingen is dat opmerkelijk. Door de verlaging van de overhevelingstoeslag leiden de lagere inkomens een koopkrachtverlies van bijna een half procent. Het totale koopkrachtverlies voor de minima komt daarmee volgend jaar uit op 2,75 procent.

 

Met name voor de PvdA - en volgens De Korte ook voor de VVD - is dat een onverteerbare zaak. Hierover zal politiek tumult ontstaan. Het Centraal Economisch Plan dat het Plabureau steevast in april uitbrengt is daarmee meer dan de nuchtere analyse van de economie die de nieuwe directeur Henk Don ervan heeft proberen te maken. Het is een politieke bom.

 

De vraag blijft of de wet, als het erop aankomt, wel van groot belang is voor de afgeleide ministeriŽle verantwoordelijkheid. Door de sterk symbolische functie van het koningschap en de daarmee samenhangende grote publieke belangstelling voor de hele familie, kunnen ook leden van de koninklijke familie die gťťn lid zij van het koninklijk huis door hun optreden de positie van de Koning schaden en daardoor de ministeriŽle verantwoordelijkheid activeren, zo stelt het Handboek van het Nederlands staatsrecht van Van der Pot en Donner.