Partijvoorzitter is de ideale zondebok bij politiek geharrewar

 

Door Derk-Jan Eppink, Redacteur NRC Handelsblad

 

Met een gespeelde opgewektheid maakte VVD-voorzitter Dian van Leeuwen deze week onder het schilderij van de vroegere liberale leider professor Oud in het Thorbecke-huis bekend dat ze zich niet herkiesbaar stelt. De "persoonlijke kritiek" werd haar te veel. Een verdieping lager spraken de leden van het VVD-hoofdbestuur over de zoveelste liberale bestuurscrisis. En in den lande konden regionale voorzitters, die Van Leeuwen geen krediet meer gaven, hun gelijk in stilte vieren. Het was een beschaafd liberaal drama, op gepaste toon maar met bijtend venijn.

 

Het lot van een partijvoorzitter hangt, ongeacht welke partij, vaak aan een zijden draadje. Zelden kunnen de voormannen van het partij-apparaat veel eer behalen, snel zijn ze het politieke slachtoffer zodra er onrust is in de gelederen. Van Leeuwens voorganger, Leendert Ginjaar, vertrok twee jaar geleden ook na onmin met de VVD-achterban, bij de PvdA werd partijvoorzitter Marjanne Sint het zoenoffer voor het WAO-geschil, D66 heeft praktisch om de twee jaar een nieuwe, vaak "kleurloze', voorzitter en zelfs in het CDA - de bestuurderspartij bij uitstek - moet de hoogste partijbestuurder goed op zijn tellen passen.

 

CDA-voorzitter Van Velzen haalde zich vorig jaar de woede van de achterban op de hals toen hij zei dat het CDA "geen christelijke partij" was. Ook hij is volgend jaar niet herkiesbaar. Van Velzen heeft zich inmiddels kandidaat gesteld voor het Europese parlement dat in juni wordt gekozen.

 

Het onzekere lot van de partijvoorzitter hangt nauw samen met de duale structuur van de partij. De partijen maken doorgaans een scheiding tussen de partij-organisatie en de direct verkozen partijleden in de Tweede Kamer, tussen de partijvoorzitter en de partijleider in fractie of kabinet.

 

Het primaat ligt bij de partijleider; hij zet de koers uit, doet belangrijke politieke uitspraken. De voorzitter is verantwoordelijk voor de politieke vereniging waarin met name regionale bestuurders veel macht hebben. Zij onderhouden vaak een onderling vergader- of telefooncircuit, zetten lobby's op die de partijkoers en de partijtop raken. De voorzitter zit zo per definitie ingeklemd tussen de Haagse beroepspolitici in de Kamerfractie en de amateur-politici in de regio.

 

Vooral in de PvdA waren voor de komst van voorzitter Rottenberg de gewestelijke besturen oppermachtig. Ze vormden een schaduwmacht die over de schouders van ministers meeregeerde, of Kamerleden tot loopjongens degradeerde op straffe van een onverkiesbare plaats op de lijst. In de VVD hebben regionale voorzitters - verenigd in de Kamercentrales - minder macht dan PvdA-gewesten ooit hadden, maar hun invloed is groot. Achter gesloten deuren spelen zij een zelfstandige rol, zetten de voorzitter onder druk. De regio-bestuurders hebben greep op de voorzitter in het Thorbecke-huis, maar veel minder op de fractieleider, die door de fractie wordt gekozen.

 

Voor de partijvoorzitter is besturen daarom vaak balanceren tussen "partij' en Kamerfractie. Hij is echter niet geheel machteloos en heeft veel invloed op de samenstelling van de lijst: het politieke personeelsbeleid. Als de voorzitter zich te veel met de fractie bemoeit, gaan de haren van de fractieleden rechtop staan.

 

Zo werd CDA-voorzitter Van Velzen - die ook de functioneringsgesprekken met Kamerleden bijwoont - door veel van zijn partijgenoten in de fractie als "stoorzender' ervaren. "Hij bemoeit zich te veel met ons. Het is zijn taak de ledenadministratie bij te houden en zalen te bespreken", zo luidde het in de wandelgangen.

 

Kamerleden vrezen de invloed van de voorzitter bij het opstellen van de lijst, en hebben er alle belang bij diens positie tijdig te verzwakken. Toen Van Velzen opschudding bij de achterban veroorzaakte met zijn opmerkingen over de "signatuur' van het CDA werd duidelijk dat herverkiezing volgend jaar er niet meer inzat. Hem werd gebrek aan "FingerspitzengefŘhl' voor de voeten geworpen, of zoals een CDA-lid het zei: "zijn opmerkingen hebben hetzelfde effect als het uitschudden van een dekbed in een gezelschap asmatici".

 

Leden van de fractie grepen het incident aan om de positie van de "bemoeizuchtige" Van Velzen te verzwakken. Toch wordt diens vertrek - geheel in CDA-traditie - in der minne geregeld, bijna geruisloos. Hij is niet herkiesbaar maar krijgt wel een mooie baan, als burgemeester of als lid van het Europese Parlement. De partij zorgt voor haar topbestuurder, hard feelings worden afgekocht. PvdA en VVD hebben die traditie veel minder, persoonlijke conflicten worden op straat, al "toeterend', uitgevochten en het vertrek gaat niet altijd gepaard met een carriŔregerichte begeleiding.

 

Ook andere partijvoorzitters die zich te veel op het Binnenhof lieten zien, waren er niet geliefd. Bij PvdA-fractieleden werd ooit ex-voorzitter Max van den Berg (1979-1987) als "horzel' ervaren. Raspoetin, Ayatollah uit het Noorden: vele kwalificaties om de afschuw over de toen nog bebaarde voorzitter onder woorden te brengen. Vanaf het PvdA-kantoor in Amsterdam zegde Van den Berg de Haagse PvdA-politici de wacht aan, en liet ze - na jarenlange oppositie - weten dat "het ministersjaquet in de kast bleef". Zijn positie was echter sterk omdat hij werd gesteund door de partijbaronnen. De opluchting in de PvdA-fractie was groot toen Van den Berg vertrok, en Sint als soepele opvolger aantrad. Zij had krediet bij de fractie maar verloor weer steun bij de gewestelijke achterban toen ze tijdens de WAO-crisis in de zomer van 1991 langere tijd onvindbaar bleek.

 

Rottenberg keerde zich voor zijn verkiezing tot PvdA-voorzitter in maart 1992 geregeld tegen de fractie. "Lui en volgevreten' waren de termen waarmee hij zijn mening over de fractie kenmerkte. Na zijn verkiezing heeft hij zijn toon flink gematigd, met een permanente guerrilla tegen de fractie zou hij zijn eigen positie ondermijnen. Rottenberg heeft de macht van de regionale baronnen gebroken, en de PvdA-structuur gecentraliseerd. Gewesten hebben nog nauwelijks macht en het ooit zo sterke partijbestuur is eigenlijk "kaltgestellt'. Rottenberg beschouwt zich als "regisseur achter de schermen". Bij Haagse kwesties als de val van de staatssecretarissen Ter Veld en In 't Veld hield hij zich zoveel mogelijk buiten het publieke gezichtsveld.

 

Voorzitter zijn is daarom een kwestie van stijl en toonhoogte. Een low profile op het Binnenhof, het partijkantoor effectief besturen, nieuw talent aanwerven, het kader bezoeken, netwerken op diverse partijniveau's leggen. De partijvoorzitter moet op de achtergrond blijven, en de koers aan de politiek leider overlaten. Zodra hij of zij in een conflict op de voorgrond treedt, is er een no-win situatie: wat hij of zij ook doet, het is altijd fout. Als Dian van Leeuwen Wiegel met alle Úgards zou hebben gevraagd, zou Bolkestein als "tweede keus' de verkiezingsstrijd ingaan. Nu ze dat niet openlijk deed is het ere-lid Wiegel gebruskeerd. De Kamerfractie voelde weinig voor Wiegel, maar een deel van de VVD-achterban wilde hem wel terug. In zo'n situatie raakt de voorzitter tussen het aambeeld van het Binnenhof en de hamer van de regionale voorzitters.

 

Alleen als in een partij de noodtoestand heerst, kan de voorzitter ongemerkt erg veel macht verwerven. In de beginjaren tachtig werd het CDA gekenmerkt door de weerstand van dissidenten tegen samenwerking met de VVD. Toenmalig voorzitter Piet Bukman (1980-1986) smeedde het CDA tot eenheid en zette de loyalisten op een zijspoor. Beginnend premier Lubbers had de ijzeren voorzitter Bukman nodig om zijn coalitie in stand te kunnen houden. Toen het CDA weer in slagorde was opgesteld kon de CDA-voorzitter een "lager profiel' op het Binnenhof innemen. Nu verkeert de PvdA in nood, en kreeg Rottenberg vorig jaar maart in Nijmegen het mandaat om de partij te redden. Hij centraliseerde de structuur, richtte een centrale stuurgroep op - met daarin de partijtop - en heeft achter de schermen veel greep op de samenstelling van de PvdA-lijst voor de komende verkiezingen. Hij wil "zijn vernieuwende mensen' in de Kamer krijgen. Het partijkader kijkt hoopvol naar Rottenberg, Kamerleden vragen zich angstig af of ze "goed liggen bij de voorzitter". Het gevaar van een "paladijnencultuur' rondom Rottenberg is het grootst tijdens de noodtoestand, in de normale toestand moet ˇˇk hij leren dansen op het koord tussen kader en Kamer.

 

Hoe kundig een partijvoorzitter ook danst: hij of zij vervult bij voorbaat een ondankbare rol. Zelden is de voorzitter geliefd, soms is hij gevreesd, meestal verdwijnt hij na geruzie via de achterdeur van het partijkantoor. Van Leeuwen is voorlopig de laatste in de galerij van "ideale zondebokken'.