Nederland als een open deur

 

Paul Scheffer; Paul Scheffer is columnist van NRC Handelsblad.

 

Wie in Nederland de woorden nationale identiteit in de mond neemt, hoeft niet op veel bijval te rekenen. Toch is de natie-staat nog steeds het vanzelfsprekende kader van de Nederlandse samenleving, meent Paul Scheffer. Een open samenleving veronderstelt grenzen en wie zijn eigen grenzen niet kent, kan er nooit overheen kijken.

 

Het bestaan van Nederland als onafhankelijke staat is zo vanzelfsprekend, dat de meesten het bijzondere ervan over het hoofd zien. De Amsterdamse historicus Van Sas heeft gelijk: "Juist die vanzelfsprekendheid van het nationale besef maakte dat dergelijke gevoelens soms lange tijd niet hoefden te worden uitgesproken" (in: De kracht van Nederland, 1990). In de wetenschap dat stad en land onbedreigd waren, trokken velen erop uit en lieten onderwijl de gordijnen open. Dat is een tweede natuur geworden, maar daar is niets natuurlijks aan.

 

Het bijzondere daarvan blijkt wel nu het oervertrouwen in eigen land, dat geen woorden nodig had, aan het slijten is. Met een zekere hardnekkigheid verschijnen de laatste jaren publikaties die wijzen op een groeiende behoefte om het nationale besef opnieuw te wegen en te onderzoeken. Daarbij kan gedacht worden aan studies als die van Pleij (Het Nederlandse onbehagen, 1991), Righart (Het einde van Nederland?, 1992) en meer recent Kossmann (Een tuchteloos probleem, de natie in de Nederlanden, 1994).

 

Er knaagt blijkbaar iets. De weg naar Europa lijkt afgesneden, althans de weg naar het federale Europa waar allen op voet van gelijkwaardigheid als 'deelstaat' vreedzaam zouden wedijveren. De plaats van ons land in Europa is veel minder vanzelfsprekend geworden, dan tien jaar geleden voor mogelijk werd gehouden. Daarom hebben we woorden nodig, die doorgaans wel ergens in het achterhoofd rondzwerven, maar in onbruik zijn geraakt; woorden als nationale identiteit of saamhorigheidsbesef.

 

Nu wordt er op zo'n vraagstelling vaak zorgelijk gereageerd. Vooral in links-liberale kring roept men: laten we deze geest in godsnaam in de fles houden. Al dat gepraat over de natie, ook al zijn de bedoelingen goed, is op zijn best niet meer dan een achterhoedegevecht en leidt als het tegenzit tot narigheid. Voorbeelden van wetenschappers, publicisten en politici die deze houding vertegenwoordigen zijn er legio: Koen Koch, Abram de Swaan, Anet Bleich, Marcel van Dam, Joris Voorhoeve, Jan Pronk en natuurlijk de Kapittel-groep, met mensen als Roel in 't Veld en Arthur Docters van Leeuwen, die Nederland liefst helemaal zouden willen opheffen. Dat is een heel divers gezelschap, maar in dit debat vertonen hun gezichtspunten toch aanmerkelijke overeenkomsten.

 

Wat deze critici niet zien is dat elke samenleving zichzelf een minima moralia moet verschaffen, die uit meer dan universele waarden alleen bestaat. Huizinga zegt het mooi: "Wie zich afgesneden denkt van de herinnering aan zijn herkomst, groei en lotgeval, staat redeloos voor het leven". In Nederland is die culturele erfenis lange tijd zó vanzelfsprekend geweest, dat we dachten helemaal geen woorden nodig te hebben. Er is sprake van achterstallig onderhoud wat betreft stijl en doeleinden die de natie kunnen schragen en zonder welke liberale democratie als methode van conflictbeheersing los zand is.

 

Wat daarbij op het spel staat is niet de bevrediging van een provinciale behoefte aan windmolens, klompen en andere voorbeelden van nationaal ongemak. Ook wordt daarmee niet beoogd om de dagen van de werderopbouw, de watersnood en andere tekenen van nationaal zelfbehoud in zwaarmoedige herinnering vast te houden. Het gaat allereerst om de verdediging van de grondslagen van een open samenleving. Om nog eens Van Sas aan te halen: "In combinatie met zijn veelbesproken openheid schuilt in het vanzelfsprekende gevoel van eigenheid misschien wel de kracht van Nederland".

 

Men kan vermoeden dat de traditionele openheid van ons land iets te maken heeft met dat vertrouwen in het eigen cultuurpatroon. Slechts wie enig zelfvertrouwen heeft zal zich in het gedrang van de menigte wagen. Zo gaat het met individuen en zo gaat het met collectiviteiten. Dus de weldenkende weerzin tegen het debat over natie-staat, nationaal besef en eigen geestesmerk mist volkomen de pointe. Juist wie hecht aan de verdediging van een open samenleving moet zich afvragen in welke specifieke historische en culturele context deze ontstaat en hoe deze onder nieuwe verhoudingen bestendigd kan worden.

 

Grenzeloos samenleven is een tegenspraak in zichzelf, want elke natie bestaat bij gratie van contrast, verwantschap en bescherming. De gedachte dat het wegvallen van grenzen vertrouwen wekt is een liberale misvatting die ten grondslag ligt aan de ongebreidelde verwachtingen over een Europese binnenmarkt. Ongehinderde handel is nog wel wat anders dan een grenzeloze cultuur. Koen Koch, die altijd hamert op openheid, schreef niet zolang geleden over de functie van grenzen als 'schokdempers' en dat was niet in negatieve zin bedoeld (in: Over staat en statenvorming, 1993). Grenzen zijn inderdaad culturele schokdempers, die de verwerking van het vreemde mogelijk maken en uitnodigen tot overschrijding. Anders gezegd: wie zijn eigen grenzen niet kent, kan er nooit overheen kijken. Een open samenleving veronderstelt grenzen.

 

In een meer algemene zin heeft de Britse antropoloog Gellner gelijk wanneer hij in zijn laatste boek Conditions of liberty (1994) schrijft: "Voor de gemiddelde persoon zijn de beperkingen van zijn eigen cultuur, weliswaar niet echt de grenzen van de wereld, maar toch wel die van werkgelegenheid, sociale aanvaarding, waardigheid, daadwerkelijke participatie en burgerschap". Waardigheid past niet echt in deze opsomming, want die verwijst toch allereerst naar universele normen. Maar het is waar dat het overgrote deel van de burgers niet leeft in een kosmopolitische cultuur, ook al brengen de media hem dagelijks de gebeurtenissen uit alle hoeken van de wereld in de huiskamer.

 

De nationale staat markeert goeddeels de ruimte van burgerschap. Die lotsverbondenheid slaat na verloop van tijd neer in een eigen stijl van samenleven, die niet statisch is, maar juist vatbaar is voor herformulering. Er is dus een samenhang van politieke eenheid, lotsverbondenheid en culturele eigenheid, waarbij de oorzakelijke verbanden verre van eenvoudig zijn. Zeker voor Nederland geldt dat de natievorming een langdurig proces is geweest, waarbij de toevallig ontstane politieke samenhang vooraf ging aan een culturele eenwording. Daarbij kan gedacht worden aan dialecten die steeds meer worden verdrongen door ABN, of de invoering van een landelijke klokketijd, op 1 mei 1909.

 

Het is jammer dat degenen die de openheid zo hoog achten tegelijk weigeren na te denken over de eigenheid van hun land. Juist degenen die niets van dergelijke vragen willen weten, bijten zo in hun eigen staart. Ze verwaarlozen de specifieke historische omstandigheden die Nederland hebben gevormd tot het culturele patroon dat het ook is. Ze voelen wel dat er iets aan het schuiven is, dat Nederland minder open staat voor de buitenwereld, maar komen niet verder dan een moreel appèl het tij te keren.

 

We moeten dus nader ingaan op het samengaan van eigenheid en openheid in de Nederlandse geschiedenis. In Nederlands geestesmerk (1934) geeft Huizinga een helder voorbeeld van de manier waarop openheid en eigenheid samenhangen. "Wij hebben al de vensters van ons huis openstaan, en laten er den zeewind en den landwind door blazen. (...) Die mogelijkheid tot een gelijkmatige verwerking van verschillende vreemde culturen berust bovenal op ons bezit van een eigen taal. Zij moge ons belemmeren in het doordringen met ons woord tot de wereld, zij houdt onpartijdig, zij geeft ons een eigen spiegel, om het vreemde in op te vangen." Het is wellicht wat rooskleurig, maar onwaar is deze beschrijving niet. Elders zoekt Huizinga een contrast met Zwitserland en stelt dat daar de onderscheiden taalgroepen óf naar Frankrijk óf naar Duitsland neigen.

 

Die eigen taal is zo vanzelfsprekend in Nederland dat vrijwel niemand er een woord aan vuil maakt. En dat geldt wel voor meer. Zo realiseren we ons ternauwernood dat Nederland niet alleen een uitzonderlijk welvarend land is - wat voor een niet onbelangrijk deel op koloniale grondslag is verworven - maar ook een nauwelijks onderbroken geschiedenis van staats- en natievorming achter zich heeft. Nationale zelfbeschikking is zó tot een tweede natuur geworden, dat we ons de morele betekenis ervan niet meer erg bewust zijn en dus onbevangen internationalistische raad rondstrooien. Dat is natuurlijk een open deur, maar die moet blijkbaar telkens opnieuw worden ingetrapt.

 

Het proces van staatsvorming in Nederland kende nauwelijks breuken. Dat geldt in twee opzichten. Zelden heeft Nederland te lijden gehad onder langdurige vreemde overheersing. Met uitzondering van de Franse periode (1795-1813) en de Duitse bezetting (1940-1945) is Nederland een betrekkelijk rustpunt geweest in het Europese statenstelsel. Dat is meer dan uitzonderlijk voor een centraal gelegen land in een zo woelig continent. En verder is Nederland één van de heel weinige landen in de wereld met etnisch onomstreden grenzen. Moynihan verwijst naar een onderzoek uit 1985 dat spreekt over zeven van dergelijke landen in de wereld. We kennen geen minderheden binnen of buiten onze grenzen die deze in twijfel trekken; geen afscheidingsbewegingen als de Basken in Spanje en ook geen onderdrukte landgenoten elders, zoals de Hongaren in Roemenië. Iets wat er beetje in de buurt kwam, de oorlog die de Boeren in Zuid-Afrika rond de eeuwwisseling uitvochten met de Engelsen, zorgde voor onstuimige uitingen van etnisch getinte solidariteit. C. Smit spreekt in zijn geschiedenis van de buitenlandse politiek over een "omvangrijke anti-Engelsche volksbeweging".

 

Onder deze gunstige omstandigheden heeft zich een nationaal geestesmerk ontwikkeld dat vaak met woorden als tolerantie, consensus en egalitarisme is omschreven. Wie deze drie typeringen in hun onderlinge verband beziet begrijpt onmiddellijk dat Nederland geen toonbeeld van liberalisme is. Het dempend vermogen van de samenleving is heel sterk en de dwang tot gematigdheid is alom tegenwoordig. De omgang met culturele verschillen, in een toch al tamelijk homogene natie, is heel sterk georganiseerd geweest. Bijvoorbeeld de geschiedenis van de verzuiling laat zien dat tolerantie in Nederland doorgaans geen kwestie van laisser-faire was, integendeel, een sterke beschavingsmissie motiveerde de bestuurlijke bovenlaag.

 

Eigenheid en openheid, gaan uit de aard der zaak niet zomaar samen. De verzoening van deze emoties veronderstelt gunstige omstandigheden en veel zelfvertrouwen. In de naoorlogse periode vloeide dat alles samen in de gedachte van Europa als een "groter Holland". Deze uitdrukking stamt uit een beschouwing van J. L. Heldring, die al in 1965 kritisch sprak over het denkbeeld dat Europa zich zou vormen "naar het beeld van een gemeenschap die anderen de verantwoordelijkheid voor vrede en veiligheid laat en tevreden is met het streven naar welvaart en sociale gerechtigheid". Nederland dacht als wereldse natie de geschiedenis aan zijn kant te hebben. Onze levensstijl was een voorafschaduwing van een Europa dat ging komen, en juist daarom werd de eenwording met zoveel ogenschijnlijk gemak tegemoet getreden.

 

En nu? Het vertrouwen in dat eigen culturele patroon is afgenomen, zoveel is wel duidelijk. Tolerantie wordt meer en meer vereenzelvigd met verslonzing van de rechtstaat, met een halfbakken gedogen, met ongecontroleerde immigratie. Consensus, de gedachte dat democratie betekent dat velen moeten meepraten tot er een gedeelde overtuiging is gegroeid, deze aanzienlijke spreiding van macht wordt gezien als stroperigheid, onvermogen om moeilijke beslissingen te nemen, kortom is synoniem met bestuurlijke stagnatie. De tamelijk egalitaire cultuur tenslotte, met zijn hoge sociale bescherming en spreiding van welvaart, wordt steeds meer opgevat als een obstakel om mee te kunnen in de internationale concurrentieslag die woedt in de driehoek van Europa, Amerika en Japan.

 

Niet alleen wordt meer getwijfeld aan de levensvatbaarheid van het eigen cultuurpatroon, ook de verwachting dat anderen zich aan ons zullen spiegelen omdat we nu eenmaal een van de meest beschaafde en gelukkige naties ter wereld denken te zijn, wordt niet bewaarheid. Wij moeten ons vooral aanpassen aan andere normen, bijvoorbeeld een hogere mate van ongelijkheid, willen we economisch meekomen. Of we horen dat een zo liberale rechtscultuur als die van Nederland (denk aan drugsbeleid of euthanasie) in de Europese Unie niet meer is vol te houden. Nederland wordt eerder gezien als een anomalie, een afwijking van de heersende trend in Europa. Hoe het ook zij, Europa wordt geen groter Holland, verre van dat.

 

Verklaart deze onzekerheid over datgene wat vaak, al dan niet onuitgesproken, als het eigene van Nederland is gezien, iets van de afnemende openheid voor de wereld? Is het plotselinge wantrouwen jegens Europa niet ontstaan op het moment dat het zelfvertrouwen in Nederland begon af te nemen en tegelijk duidelijker werd dat onze stijl van samenleven allerminst de toon van de Europese Unie zou gaan zetten? De verkiezingen van het afgelopen jaar lieten op verschillende manieren zien dat de Afsluitdijk symbool was geworden van de collectieve stemming. Dat bleek ook uit de gevoelens van onbehagen over immigratie zoals die aan het licht kwamen in de grote steden bij de gemeenteraadsverkiezingen. De deur staat nog op een kier, meer niet.

 

Er wordt momenteel een cultureel meningsverschil uitgevochten over de inrichting van Nederland en vooral over de vraag wat de waarde van de eigen stijl van samenleven nog is. Zijn tolerantie, consensus en gelijkheid obstakels voor een handelsnatie geworden in het hedendaagse Europa? Als we ondernemers als Timmer, Van der Zwan of Wijffels moeten geloven wel (NRC Handelsblad, 5 februari 1994). Zij zien in de eigenheid van Nederland vooral een hinderkracht bij de modernisering die het land moet doormaken wil het niet de aansluiting missen. Zij zijn de 'Vaterlandslose Gesellen' van deze tijd.

 

Tegenover deze zienswijze kunnen we niet het Nederland van de jaren vijftig of daarvoor stellen. Secularisering, immigratie, Europese samenwerking, internationale concurrentie, nieuwe media en nog het een en ander hebben van Nederland een ander land gemaakt. We moeten van de macht der gewoonte geen principe maken. Wel zou het de moeite waard zijn om openlijker de vraag te stellen wat we nog kenmerkend achten voor Nederland als natie. In welke mate zijn tolerantie, consensus en egalitarisme nog steeds bouwstenen van ons natiebesef? Hoe willen we het leven hier inrichten? Niet het eigene om der wille van het eigene dienen we te koesteren, maar juist om met enig zelfvertrouwen de wereld tegemoet te treden.

 

Inderdaad, het pad tussen ondoordachte aansluiting en onzekere afsluiting is smal. Een voorbeeld. Het debat over de verzorgingsstaat gaat uiteindelijk over de nationale identiteit. Het geheel van verzorgingsarrangementen is in het naoorlogse Nederland een bindmiddel bij uitstek geweest, een soort civiele religie. De mate van sociale bescherming die onze burgers met elkaar in stand houden definieert in aanzienlijke mate ons zelfbeeld als natie. De verzorgingsstaat is sowieso een door en door nationaal verschijnsel: er is een enorme kloof tussen degenen die deel mogen nemen aan onze sociale bescherming en degenen die buiten de deur worden gehouden.

 

Het debat over sociale zekerheid zou aan diepgang winnen als het in deze termen gevoerd zou worden en niet enkel als een financieel vraagstuk zou worden gezien. Dat is geen pleidooi voor behoud van wat er is, maar voor het begrip dat sociale bescherming en een open samenleving iets met elkaar te maken hebben. Deze regering lijkt bevangen door de tegenovergestelde gedachte: enkel de mobilisering van een 24-uurs economie, enkel de relativering van de 'rechtsorde van de arbeid' maakt van Nederland een open economie. Maar het zijn niet alleen economische factoren die de produktiviteit van een samenleving bepalen; ook een sterke culturele samenhang is daarvoor onontbeerlijk - al zet Geelhoed, secretaris-generaal bij Economische Zaken, overwegingen van die aard weg als "de koestering van nationale palaver" in een artikel in ESB van deze week.

 

Een ander voorbeeld. Immigratie is een teken dat een land vitaal is, op voorwaarde dat men er ook in slaagt de nieuwkomers op te nemen. Nu wordt er gesproken over inburgering, dat wil zeggen gedeeltelijke aanpassing aan de geldende normen en waarden, zeker zover die in het recht zijn opgenomen. Verder gaat het om taalverwerving en een inzicht in het functioneren van het land. Maar inburgering veronderstelt een samenleving die weet heeft van zichzelf heeft, die beschikt over enige onderscheidende kenmerken die worden gedeeld.

 

Nu is die eigenheid aan het schuiven geraakt en daarmee de openheid. Immigratie kan als een bedreiging worden ervaren op het moment dat men niet goed meer weet wie men is en geen voorstelling meer heeft van wat Nederland nog is als natie. Dat is een voorname reden die een uitgesproken meningsvorming over de nationale identiteit van Nederland nodig maakt. Juist omdat dit geestesmerk geen gegeven voor alle tijden is, maar telkens onder nieuwe omstandigheden overdacht wordt, omstreden raakt en voor amendering vatbaar is.

 

Een laatste voorbeeld. Gezien de innige band die in West-Europa is gegroeid tussen natie-staat en parlementaire democratie, verbaast het niet echt dat de democratie in de Europese Unie zwak blijft. Het gaat zo slecht dat iemand als Piet Dankert zelfs de rechtstreekse verkiezingen van het Europese Parlement ter discussie stelt. Vooralsnog zullen de lidstaten de dragers zijn van een politieke cultuur, in ons geval een model dat sterk van consensus doortrokken is, die niet overgedragen kan worden aan Europa. Daarom is de zorg voor de natie-staat als ruimte van democratie en burgerschap zo belangrijk. De keuze voor verdere Europese eenwording moet worden getoetst aan de mate waarin de democratische cultuur van de lidstaten wordt versterkt. Hoezeer 'maakbaarheid' ook van zijn pretenties is beroofd, het belangrijkste instrument van ordening, het staatsgebouw, mogen we niet laten verloederen.

 

Misschien is deze hoop inderdaad ijdel en zijn de woorden die in het voorgaande zijn gebruikt niet meer van deze tijd. Misschien heeft Guéhenno gelijk die in zijn studie Het einde van de democratie (1994) onder meer schrijft: "De samenleving wordt steeds gefragmenteerder en heeft geen herinneringen en geen solidariteit meer. ... Het is een samenleving zonder burger en dus, uiteindelijk, een non-samenleving". Mocht elk idee van herinnering verloren gaan, dan is democratie onmogelijk geworden. Misschien moeten we wel vaststellen dat de economische eisen van de wereldmarkt de mogelijkheden van natievorming langzaam ondermijnen. Zonder dat op een hoger niveau nieuwe democratische ordening ontstaat. Tel uit je winst.

 

Toch is het in Nederland nog lang niet zover. Er is een potentieel van herinnering en solidariteit, dat echter onbenut wordt gelaten. De open formulering van Jan en Annie Romein in Erflaters van onze beschaving (IV, 1940) biedt enig houvast voor het aanspreken van die reserve: "Ook in den gevestigde Staat blijft de Natie in wording". Het bewustzijn van natievorming als een altijd onvoltooid proces lijkt hier ten lande nogal eens te ontbreken. Zoals gezegd is er niets vanzelfsprekends aan de beschaving waarvan we de erfgenamen zijn. Een bewuste omgang met de natie-staat is een vereiste voor eenieder die onder andere omstandigheden de historische gemeenschap die Nederland in Europa is, opnieuw onder woorden wil brengen. Zo bezien is natievorming de kern van het burgerschap, dat in links-liberale kring zo hooglijk wordt gewaardeerd.