Kernfuncties van de democratie

A.C. Zijderveld; A.C. Zijderveld is hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit

H. VAN GUNSTEREN en R. ANDEWEG: Het grote ongenoegen. Over de kloof tussen burgers en politiek

128 blz., Aramith 1994, f. 29,90

De media herhalen het steeds weer: er is een nog steeds toenemende kloof ontstaan tussen de politiek en de burgers. Deze burgers hebben niet alleen het vertrouwen maar ook de interesse in de politiek verloren. De ontpolitisering zou alom hebben toegeslagen.

Dat er iets mis is met de relatie tussen het politieke bedrijf en de maatschappij is wel duidelijk, maar dat de burgers hun belangstelling voor politieke problemen en debatten verloren zouden hebben en dat er sprake zou zijn van een 'ontpolitisering' blijkt niet uit wetenschappelijk onderzoek. Het eerste hoofdstuk van Het grote ongenoegen, geschreven door een politicologisch student van de auteurs, geeft een impressie van de beweringen over deze kloof en concludeert dat het hier gaat om een metafoor met diverse betekenislagen. Juist aan deze meerduidigheid ontleent de metafoor zijn retorische kracht: "Iedereen herkent het beeld en kan zich erin vinden, juist doordat het op zoveel manieren kan worden geÔnterpreteerd."

Het tweede hoofdstuk, 'Kleine kartografie van de kloof', pluist vervolgens uit wat er zoal schort aan deze metafoor. Het vooral door Andeweg uitgevoerde politicologisch onderzoek heeft aangetoond dat er geen sprake is van een afnemende belangstelling voor politiek, van dalende politieke participatie in het algemeen en van dalende opkomst in het bijzonder, van een groeiend wantrouwen ten opzichte van de politiek en van een toename van het protestmotief in het kiesgedrag, vooral door stemmen op extreem-rechts. Deze onderzoeksresultaten staan dus haaks op wat doorgaans in de media wordt beweerd.

Dit betekent niet dat er niets aan de hand zou zijn. Weerzin tegen het politieke bedrijf is weliswaar van alle tijden, maar nieuw is toch wel het feit dat moderne burgers zichzelf meten aan regeerders en vinden dat deze 'gewoon' moeten doen, geen kapsones mogen hebben. Nieuw is ook het feit dat politici voor deze weerzin en de daarmee gepaard gaande openlijke kritiek buitengewoon gevoelig zijn geworden. Zij willen zich ten opzichte van de maatschappij open en burgergericht opstellen. Tezamen met hun voorlichters proberen ze, zoals het heet, duidelijk over het voetlicht te komen en hun politiek transparant te houden. En dat is volgens de auteurs nu juist verkeerd. Het politieke handwerk kan niet altijd open en transparant zijn, moet vaak juist naar binnen gericht zijn om de vele complexe maatschappelijke conflicten in politieke compromissen om te zetten. Nodig is een nadere bezinning op de kernfuncties van de politieke democratie.

Daaraan is hoofdstuk 6 - 'Wat was politieke democratie ook weer?' - gewijd. Volgens de auteurs een soort tractaat en daar voegen ze dit aan toe: "Het vraagt van de lezer dat hij ervoor gaat zitten en zijn tanden erin zet." Ik heb die raad opgevolgd, maar vond het resultaat teleurstellend. Er wordt van alles overhoop gehaald, maar uiteindelijk blijft slechts dit als essentie over: "De kernfuncties van politieke democratie zijn het vermijden van dictatuur en slavernij, alsmede het transformeren van een lotsverbondenheid van mensen tot een door allen aanvaarde politieke gemeenschap, een republiek."

Lotsverbondenheid

De centrale begrippen in deze definitie, want dat is deze volzin wel, worden niet helder uitgelegd. Dat is wel nodig, want begrippen als 'lotsverbondenheid' en 'politieke gemeenschap' zijn historisch nogal zwanger - zeker in Europa - en rieken naar een ideeŽngoed dat allesbehalve democratisch is. Hoe overigens in deze tijd een door allen aanvaarde gemeenschap gerealiseerd zou kunnen worden, blijft vooralsnog een raadsel. Het klinkt alles rijkelijk naÔef.

Deze kernfuncties worden volgens de auteurs omrankt door "essentiŽle bijprodukten van politieke democratie", te weten: "macht die uit gezamenlijk optreden voortkomt, legitimiteit en plezier in toewijding aan de publieke zaak". Het kenmerk van deze bijprodukten is het feit dat ze onbereikbaar blijken te zijn, wanneer doelbewuste pogingen worden gedaan ze te realiseren: "het 'willen' van dergelijke bijprodukten verhindert nu juist hun tot-stand-komen". Voorbeeld: "Toen de PvdA zich vooral met machtsvorming bezighield, kwam daar juist door die gerichte inspanning niets van terecht. Regeerders die zich, met behulp van hun voorlichters, concentreren op het verwerven van steun, van legitimiteit, worden juist daardoor gewantrouwd. Zij proberen te nemen wat alleen gegeven kan worden."

Het laatste citaat maakt al duidelijk dat het tractaat is uitgegroeid tot een preek, zij het een nogal vlodderige. De lezer wordt niet duidelijk gemaakt wat nou macht, legitimiteit en plezier in de publieke zaak met elkaar te maken hebben en waarom uitgerekend zij de enige drie bijprodukten van de democratie zouden zijn. Voorts is het op zijn minst verrassend macht als een bijprodukt opgevoerd te krijgen en dan nog iets dat je niet kunt verwerven maar dat je gegeven moet worden. Je hoeft geen Machiavelli te zijn om dit een rijkelijk naÔeve gedachte te noemen. Trouwens de vraag wie of welke instantie dan wel de gever van de macht als een soort donum superadditum zou zijn, wordt niet beantwoord. Het gaat kennelijk om een deus ex machina die niet nader wordt benoemd.

Het tractaat wordt er niet helderder op als naast deze 'bijprodukten' ook nog twee 'nevenfuncties' worden opgevoerd: de maatschappelijke vormgeving en de systeemzorg (voor onder meer het onderwijs, de internationale handel en de gezondheidszorg). Het nabije verleden - plannen Dekker en Simons, studiefinanciering, het morrelen aan de AOW en de WAO-uitkeringen, etc. - biedt volgens de auteurs diverse illustraties van "het onvermogen van 'de politiek' om de functies van systeemzorg en maatschappelijke vormgeving behoorlijk te vervullen". Ondanks een nogal uitgerekte uiteenzetting wordt niet werkelijk duidelijk waarom dit soort activiteiten nevenfuncties zouden zijn. In feite is dan het hele bedrijf in Tweede en Eerste Kamer ťťn nogal massieve nevenfunctie.

Het boek mist samenhang, vervalt nogal eens in herhalingen en blijft op beslissende punten oppervlakkig. Dit neemt niet weg dat er verschillende passages in staan die tot nadenken stemmen. Wie het gelezen heeft, zal in ieder geval de metafoor van de kloof tussen burgers en politiek en de notie van de ontpolitiseerde samenleving niet meer gedachteloos overnemen.