In de fuik van een gewelddadig avontuur met neokoloniale ambities

 

Het is onwaarschijnlijk dat de impasse in Uruzgan even stoÔcijns door de Nederlandse bevolking zal worden aanvaard als destijds de politionele acties in IndiŽ. Want ook onze poging tot nation building in koloniale stijl, van een land dat nooit een natie is geweest of heeft willen zijn, is gedoemd te mislukken.

 

Het gaat niet goed in Uruzgan. We doen ons best maar we schieten tekort, omdat onze plannen doorkruist worden door een verslechtering van de veiligheidssituatie in een mate die niet was te voorzien. Militaire en financiŽle beperkingen sluiten uit dat we onze krachtsinspanning opvoeren. Ons nationale aanzien alsook de druk van de NAVO verbieden het de aangegane verplichtingen op te geven. Een bruikbare exitstrategie is niet voorhanden of te bedenken. Nederland zit in een fuik.

 

Ruim een halve eeuw geleden, in de periode 1945-1949, overkwam ons hetzelfde, zij het in een honderdvoudige uitvergroting. Ook in Nederlands-IndiŽ hadden we de (weder)opbouw van het door de Japanse bezetting uitgemergelde land ter hand genomen, beveiligd door troepen die voor orde en rust moesten zorgen en het vroege terroristische geweld de kop moesten indrukken.

 

De uitvoering van deze plannen werd al spoedig gefrustreerd doordat zich onder de bevolking een tegenbeweging formeerde, eerst verspreid en onbetekenend, later geconcentreerd in een eigen staat van nationalistische signatuur, die zich met geweld tegen verdere Nederlandse initiatieven ging verzetten.

 

Het resultaat was een jarenlange, uitzichtloze geschiedenis van afwisselend praten en slaan. Evenals in Uruzgan waren we niet in staat meer druk op de ketel te zetten en evenmin bereid de tegenpartij voldoende tegemoet te komen. Zo leek het conflict onoplosbaar. Pas toen een laatste militaire inspanning onvoldoende soelaas bleek te bieden, werd tot een afrondend diplomatiek overleg besloten, in feite eindigend in de capitulatie.

 

Om de vergelijking met Uruzgan nog even voort te zetten: het is hoogstonwaarschijnlijk dat een verdere verslechtering van de veiligheidstoestand daar, en zeker een oplopen van militaire verliezen, door de huidige Nederlandse bevolking even stoÔcijns zal worden aanvaard als destijds werd gedaan. Afgezien van het feit dat IndiŽ tenslotte ons belangrijkste rijksdeel was waarvan het verlies als catastrofaal werd beschouwd - terwijl Uruzgan ons niets zegt - is de stemming onder het hedendaagse publiek aanzienlijk meer kortaangebonden en het prestige van de autoriteiten vele malen geringer.

 

Toch is er in beide gevallen een opmerkelijke overeenkomst aan te wijzen. Hoe goed bedoeld ook, indien vreemde troepen te midden van een autochtone bevolking in actie komen, verliezen ze spoedig alle sympathie. Bovendien wordt de resterende goodwill door de onbarmhartig opererende verzetsstrijders met harde hand onderdrukt. Dit niet te hebben voorzien, in IndiŽ niet en evenmin in Afghanistan, moet de Nederlandse regering alsook de NAVO als een ernstige fout worden aangerekend.

 

Nog ernstiger was een tweede misrekening die met het bovenstaande direct samenhangt: het geloof dat modern bewapende troepen relatief gemakkelijk met uit volksverzet voorkomende tegenstanders kunnen afrekenen. Het tegendeel is het geval: guerrilla-acties zijn buitengewoon moeilijk te bedwingen omdat de strijders niet als zodanig zijn te onderscheiden, in de bevolking kunnen wegduiken en bovendien in die bevolking een bijna onuitputtelijke recruteringsreserve bezitten.

 

Wie een derde voorbeeld zoekt waar dezelfde ervaringen werden opgedaan, moet zich het debacle van de Amerikanen in Vietnam herinneren, het meest frappante voorbeeld in de moderne geschiedenis van een supermacht die voor blote voetensoldaten uiteindelijk te zwak bleek.

 

Deze overbekende en in zeker opzicht triviale feiten behoeven aanvulling met een observatie die in de drie genoemde conflicten te weinig aandacht heeft gekregen: ze maken ieder deel uit van een historische periode waarin een specifiek conflicttype de overhand had. In alle drie de gevallen kwam het Westen, om het in algemene termen uit te drukken, voor een uitdaging te staan die eerder mondiaal dan lokaal was te noemen en daarom uiterst moeilijk viel te beantwoorden.

 

Om met Nederlands-IndiŽ te beginnen: al waren de IndonesiŽrs er vroeg bij, ze maakten met hun onafhankelijkheidsstreven deel uit van een wereldwijd dekolonisatieproces dat onmiddellijk na 1945 begon en in 1975, met Portugal als hekkensluiter in Afrika, een einde nam. Anders gezegd: het koloniale tijdperk dat eeuwen had geduurd en Europa tot het onmiskenbare machtscentrum van de wereld had gemaakt, liep in een korte tijd ten einde.

 

Deze relatieve gelijktijdigheid had enorme gevolgen. Elk koloniaal gebied dat zich onafhankelijk wist te maken, vormde een voorbeeld en een stimulans voor anderen die zover nog niet waren. Alle weerstand die koloniale mogendheden, vaak op goede gronden, koesterden tegen overhaaste dekolonisatie, kon daarmee betrekkelijk gemakkelijk worden weerlegd. Ten onrechte soms, zoals de ervaringen in tal van Afrikaanse gebieden achteraf hebben aangetoond.

 

Ook Nederland heeft deze internationale druk bij de afhandeling van het Indonesische vraagstuk in toenemende mate ondervonden, niet alleen omdat Amerika de kant van de nieuwe naties had gekozen, maar ook omdat het Britse Rijk inmiddels met een fors dekolonisatieprogramma was begonnen. Zo kwam ons land meer en meer geÔsoleerd te staan, uiteindelijk ook in de Verenigde Naties, waar nieuwe staten een flinke stem in het kapittel hadden gekregen.

 

Dat wij ons tegen die jarenlange druk zijn blijven verzetten, had niet alleen te maken met onze overtuiging een modelkolonie te beheren, maar minstens zozeer met een miskenning van de historische actualiteit. We weigerden impliciet te erkennen dat de wereldgeschiedenis een fundamentele omslag meemaakte. Nationalisme was allerwege het parool en nationale staten zouden het beeld van de toekomst domineren.

 

De Nederlandse traagheid heeft voor IndonesiŽ tragische consequenties gehad. Als zijnde te weinig succesvol in hun onderhandelingen met ons land, werden gematigde politici uitgerangeerd en kreeg Soekarno meer invloed. Het meest noodlottig was echter dat het Indonesische leger, laatste rots in de branding tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, de macht naar zich toe kon halen en die ook in de halve eeuw daarna niet meer zou afstaan.

 

In de jaren zeventig leek een tweede mondiale transformatie de overhand te krijgen en wel in de vorm van een verlate sovjetisering van delen van de Derde Wereld. Zo leek het heel wat progressieve intellectuelen toe die droomden van een komende omsingeling van het perfide kapitalistische Westen.

 

De Sovjet-Unie had het dekolonisatieproces steeds gevolgd en gesteund, maar zou in deze jaren een poging wagen door te stoten naar Zuidoost-AziŽ, door middel van een communistische machtsgreep in IndonesiŽ en door steun aan Noord-Vietnam bij de strijd tegen het democratische zuiden. De Indonesische communisten - of wat daaronder werd verstaan - werden verpletterend verslagen, met Amerikaanse instemming, maar de kwestie-Vietnam liet de Verenigde Staten geen rust, bevreesd als men was voor een domino-effect.

 

Niet alleen bleek die zorg achteraf gezien onnodig, maar de gewelddadigheid waarmee Amerika het Vietnamese verzet te lijf ging, heeft voor een diep trauma in de westerse wereld gezorgd. Al even contraproductief was het effect van de Amerikaanse steun aan het Afghaanse verzet in de jaren zeventig, toen de Sovjet-Unie de instorting nabij was maar de islamitische verzetsstrijders in Afghanistan de kans kregen zich te bewapenen en te bewijzen.

 

Het was dŠŠr, in een van de primitiefste landen van de wereld, dat de derde ronde in de strijd om AziŽ een aanvang nam, ten minste deels geleid door de nieuwe terreurorganisatie Al-Qaeda waarvan het hoofdkwartier in Afghanistan onderdak en bescherming vond.

 

Dat het islamitisch offensief, na een reeks aanslagen op andere westerse doelen, serieus begon met een aanval op Amerika en vervolgens onder meer Londen en Bali betrof, kan misleidend werken. Al-Qaeda zal nooit geloofd hebben een islamitische wereldrevolutie op gang te kunnen brengen. De fantasieŽn hierover, mede uitgelokt door de geleidelijk opgevoerde vrees voor de moslimminderheden in westerse landen, komen louter uit Europese en Amerikaanse bron.

 

Waar het wezenlijk om ging, was de versterking van het islamitisch belang en een voortgezette islamisering van Zuid- en Zuidoost-AziŽ en delen van Noord-Afrika. In dat streven past de Iraanse revolutie van 1979, de radicalisering van Libanese en Palestijnse militante groepen, de steun aan het Algerijnse islamfront en niet te vergeten de sluipende uitbreiding van de islamitische orthodoxie in IndonesiŽ.

 

In deze politieke constellatie vervullen de Talibaan in Afghanistan niet meer dan een secundaire rol, al al mag de grensoverschrijdende relatie met de Pakistaanse radicale islam zeker niet worden gebagatelliseerd. Dat betekent - om op de positie van Nederland terug te komen - dat we geen plaatselijke onrust bestrijden maar deel uitmaken van een westerse gelegenheidscoalitie die de islam in AziŽ en elders ter wereld de wacht heeft aangezegd.

 

Wie de historisch benarde positie van de islamitische wereld goed voor ogen wil krijgen, moet een oude atlas opslaan. De Noord-Afrikaanse gebieden zijn koloniŽn en vinden een superieur Europa tegenover zich, dat tegelijk de islamitische invloed op de Balkan voortdurend verder terugdringt. Ook in AziŽ is vrijwel heel het islamitisch areaal tot de staat van koloniŽn of protectoraten teruggebracht, en naar het noorden begrensd door de enorme landmassa van oostelijk Rusland/SiberiŽ en China. De moslimgebieden in Rusland die aan het Midden-Oosten grenzen, genieten een betrekkelijke vrijheid maar zijn niettemin deel van een niet-islamitisch rijk.

 

De voornaamste route waarlangs de kolonisatie van zuidelijk en Zuid-oost AziŽ loopt, gaat overzee en strekt zich uit tot en met het grootste islamitische gebied, IndiŽ. Pas veel later zou de Amerikaanse invloed in dit deel van de wereld zich doen gevoelen.

 

Lopen we vervolgens de drie fasen langs die in de tweede helft van de vorige eeuw in dit gebied voor dynamiek zorgen, dan valt het op dat de dekolonisatie aarzelend verliep, soms met bloedige oorlogen gepaard ging en bovendien het Midden-Oosten, in de figuur van IsraŽl, van een nieuwe westers gezinde waakhond voorzag.

 

De tweede ronde, met de Sovjet-Unie als actiefste partij, leek het dekolonisatieproces te bevorderen, maar ging vaak ten nadele van de nationale onafhankelijkheidsbewegingen. De Russische bezetting van Afghanistan in de eindfase van de Sovjet-Unie liet zien dat men primair in geopolitieke doelen was geÔnteresseerd. Dat hadden de islamitische gebieden in de Sovjet-Unie al eerder ontdekt, meedogenloos als zij om hun geloof werden gebolsjewiseerd.

 

Veel moslims moeten de afgelopen decennia de indruk hebben gekregen dat zij een speelbal waren geworden van de diverse ambitieuze krachten die zich in landen met een islamitische bevolking breed wilden maken. Een van de beste voorbeelden is IndonesiŽ, waar de nationalisten niet alleen de gunst van de Japanse bezetter zochten, maar van de aanvang af een seculier bewind voorstonden en dat tegen islamitische stromingen verdedigden.

 

Het catastrofale gevolg is geweest dat het land door tegengestelde politieke bewegingen uiteen werd gescheurd en herhaaldelijk met grof geweld op orde moest worden gebracht. Om een paar persoonlijke waarnemingen toe te voegen: missionarissen die ik tijdens mijn militaire dienst in IndiŽ ontmoette, waren duidelijk op de hand van het nationale bewind maar vreesden voor de vorming van een toekomstige islamstaat.

 

Het tegendeel bleek het geval: met pogingen in de jaren vijftig van radicale moslims om invloed te winnen, werd door het regime hardhandig afgerekend. Dat bleek evenzeer het geval met de vrijwel gelijktijdige poging tot het veroveren van de macht in de republiek door communisten, in de Sovjet-Unie hiervoor geprepareerd.

 

Toch slaagden zij erin in de jaren zestig een succesvolle communistische partij te stichten die voor het bewind meer en meer als een bedreiging werd gepercipieerd en uiteindelijk met geweld werd verpletterd. Begin jaren zeventig vertelde een Nederlandse jezuÔet in Yogya mij over de nachtmerries die de communistische machtsexpansie hem had bezorgd. De massamoord die het bewind op de communisten pleegde, betreurde hij maar met een veelzeggend voorbehoud: in het omgekeerde geval zou het geweld zijn kant zijn uitgekomen: Het was wij of zij.

 

Terug naar Uruzgan en naar de vraag wat deze gecompliceerde geschiedenis voor ons aan lessen inhoudt. De belangrijkste bestaat hierin dat wij geen lokaal of regionaal probleem bij de kop hebben, maar geconfronteerd worden met een verzetsbeweging die in grote delen van de islamitische wereld zoal geen directe steun vindt maar stilzwijgend als een terechte oppositie tegen westerse bemoeienis wordt begrepen. Tegen dit verwijt valt weinig in te brengen: we maken onderdeel uit van een bondgenootschap dat in AziŽ niets heeft te zoeken en we werken samen met een Afghaans bewind dat door het Westen in het zadel is geholpen, nota bene door een Amerikaanse regering die in het Midden-Oosten geen goed kan doen.

 

Daar komt bij dat we, juist door de hardnekkigheid van de opbouwtaak en de escalatie van het gewapend verzet, in de noodzaak verkeren onze inspanningen op te voeren, met als gevolg verdere irritatie van de kant van de bevolking. Onze bondgenoten ter plaatse gaan nog een stap verder en kondigen nu reeds aan dat zij nog tal van jaren zullen (moeten) blijven om hun taak met succes af te ronden. Dat wil in klare taal zeggen: hier worden neokoloniale ambities geŽtaleerd, precies tegengesteld aan wat de bevolking van het voorheen hardhandig gekoloniseerde Midden-Oosten zal kunnen waarderen.

 

Concluderend: wij zijn in een fuik terechtgekomen, niet eens zozeer omdat we met het actuele verzet geen raad weten, maar omdat we gedwongen deel zijn gaan uitmaken van het westerse offensief. Dat offensief botst op het breed gedragen verzet van de islamitische wereld tegen een historische lotsbestemming die in ieder geval door de militante minderheid als ondraaglijk en onaanvaardbaar wordt beschouwd.

 

De spanningen die hieruit voortkomen, zijn voor heel de westerse wereld riskant. Zij vragen om een even vastberaden als koele reactie, en in ieder geval om een politiek die niet, zoals nu het geval is, radicaal escalerend werkt.

 

In dat spel is voor ons geen enkele rol weggelegd. We kunnen zoveel waterputten slaan en basisscholen opverven als we willen, het zal ons niet helpen ons vrij te pleiten van betrokkenheid bij een gewelddadig avontuur waarvan we de ernst en de reikwijdte nooit hebben beseft.

 

Veel moslims zien Afghaans verzet als terechte oppositie tegen westerse bemoeienis De spanningen vragen om een koele reactie, niet de huidige politiek van escalatie