Huurders zijn de dupe van uitverkoop volkshuisvesting'; A. Duivesteijn(PvdA) over de erfenis van Heerma

 

Door onze redacteur JOHN KROON

 

DEN HAAG, 25 FEBR. De erfenis van Enneüs Heerma valt Adri Duivesteijn zwaar op de maag. Als staatssecretaris heeft de tegenwoordige fractieleider van het CDA ten onrechte uitverkoop in de volkshuisvesting gehouden, waarvan de huurders de dupe worden. Dat vindt Duivesteijn, sinds vorig jaar Tweede-Kamerlid voor de PvdA, nadat hij in een vorig politiek bestaan als wethouder in Den Haag uitgleed over de stadhuisaffaire in deze gemeente.

 

De tegenwoordige staatssecretaris van volkshuisvesting, de D66'er Tommel, ontpopt zich als een toegewijd uitvoerder van het beleid dat Heerma heeft uitgestippeld. Dat leverde hem deze week een conflict op met Duivesteijn die in de Tweede Kamer een meerderheid zover lijkt te krijgen dat zij zich tegen de door Tommel voorgestelde huurverhoging keert.

 

Dat conflict is de opmaat naar een principiëler gevecht binnen en buiten de 'paarse' coalitie, waarbij Duivesteijn niet alleen met de erfenis van Heerma moet afrekenen, maar ook met de opstelling van zijn eigen partij in het verleden.

 

De Tweede Kamer staat aan de vooravond van een beslissing over het nog door Heerma ingediende wetsvoorstel 'Balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting', ook wel bruteringsovereenkomst genoemd. Dat is een operatie waarmee tientallen miljarden guldens zijn gemoeid en die zo ingewikkeld is dat de meeste Kamerleden zich er maar liever niet mee bemoeien, zo is de ervaring van Duivesteijn. "In die overeenkomst zit een aantal effecten, waarvan ik me afvraag of ze wel voldoende tot de politiek zijn doorgedrongen."

 

"Duifje", zo noemt vice-fractieleider Adelmund hem deze week in Vrij Nederland liefkozend. "Maar ook is hij Mr. Machiavelli himself", vindt ze."Het is een jongen die hele leuke dingen met macht kan doen." Om de macht in de volkshuisvesting gaat het Duivesteijn inderdaad. Nooit mogen het kabinet en de Tweede Kamer de zeggenschap over het huurbeleid volledig uit handen geven, vindt hij, en dat is precies wat nu wel dreigt te gebeuren.

 

De bruteringsovereenkomst is in 1993 gesloten tussen Heerma, de gemeenten en de koepels van woningcorporaties, de Nationale Woningraad en het NCIV. Het is een uitruil van subsidies die het rijk nog jarenlang - sommige tot 2040 - aan de woningbouwverenigingen had moeten betalen tegen de aflossing van rijksleningen, waaraan de corporaties nog geruime tijd vastzaten. Het rijk 'geeft' de corporaties zo in één keer 33 miljard gulden en 'eist' tegelijkertijd 25 miljard aan leningen vervroegd op. Een gevolg is ook dat de corporaties zelf over de jaarlijkse huurverhogingen kunnen beslissen.

 

De Tweede Kamer voert maandag overleg met Tommel over deze operatie, die inmiddels in een wetsvoorstel is gegoten om op die manier alle woningbouwverenigingen aan het akkoord te binden. In maart neemt de Kamer een besluit. Maar dat kan er volgens Duivesteijn alleen maar komen, als in het wetsvoorstel meer zekerheid komt over de huurverhogingen van de komende jaren.

 

Uitgangspunt in het akkoord is dat de huren gemiddeld met 3,8 procent per jaar stijgen. Dat is in principe genoeg om de woningcorporaties een gezonde exploitatie van de huurwoningen te garanderen. Voor woningbouwverenigingen die als gevolg van subsidiesystemen uit het verleden met relatief veel moeilijk te exploiteren woningen zitten, is in het akkoord 1,8 miljard extra uitgetrokken.

 

"We bedrijven met elkaar illusiepolitiek", denkt Duivesteijn niettemin. Hij gelooft er niets van dat woningcorporaties zich zullen houden aan de afspraak dat de gemiddelde huurverhoging 3,8 procent zal bedragen. Hij baseert dat op recente ervaringen met corporaties in bijvoorbeeld Amsterdam, Almere en Amersfoort die naar hogere huren willen. Het Kamerlid ziet een tendens dat de sociale verhuurders aan fondsvorming doen, om zich in te dekken tegen rentetegenvallers waarmee ze als verzelfstandigde instellingen later te maken kunnen krijgen. Fondsen die worden gevuld door middel van extra huurverhogingen. Andere corporaties hebben weer andere argumenten om boven het afgesproken gemiddelde te gaan zitten. "Daar ben ik het fundamenteel mee oneens", zegt het PvdA-Kamerlid. "Ik wil corporaties kunnen aanspreken op hun sociale doelstelling. We hebben niets aan 999 particuliere verhuurders erbij."

 

Zijn vertrouwen in de woningcorporaties, in het bijzonder in hun overkoepelende organisaties, is niet groot. Die argwaan is mede gebaseerd op ervaringen die hij opdeed als voorzitter van de Woonbond, de belangenorganisatie voor huurders. Duivesteijn zat in een commissie waarin ook deze koepels waren vertegenwoordigd en die de staatssecretaris moest adviseren over een regeling om huurders bij het huurbeleid van de corporaties te betrekken. "Ik was stomverbaasd hoe rabiaat er van de kant van de koepels nee werd gezegd tegen welke vorm van invloed van de huurders ook."

 

In het contract tussen het rijk en de corporaties moeten daarom volgens Duivesteijn "prestatie-afspraken" worden opgenomen om ze te binden aan een gemiddelde huurverhoging van 3,8 procent. Anders dreigt hij zijn fractie te adviseren niet met het wetsvoorstel in te stemmen. Daarmee zou het sluitstuk van het liberaliseringsbeleid dat Heerma jarenlang en nu ook zijn opvolger Tommel in de volkshuisvesting hebben gevoerd, hevig gaan wankelen.

 

En dat terwijl dat beleid de instemming van de PvdA-fractie had. "De PvdA had veel scherper tegenover Heerma moeten gaan staan", zegt Duivesteijn. "Maar ja, de vernieuwing van de PvdA is er nu ook niet voor niks gekomen. Het grote probleem onder het vorige kabinet was dat de fracties gewoon hun mond moesten houden en akkoord moesten gaan."