Het nieuwe rechtse maakbaarheidsgeloof heeft te veel pretenties

 

J.A.A. van Doorn

 

Na decennia van linkse dwang tot sociale gelijkheid dreigt rechts zich nu te vertillen aan dwang tot vrijheid. Het huidige gevecht over het bijzonder onderwijs illustreert de opkomst van een staatsliberaal maakbaarheidsmodel.

 

Tot verbazing van menigeen is de aloude schoolstrijd na driekwart eeuw weer opgelaaid. Grondwetsartikel 23, dat de rechten van het bijzonder onderwijs beschermt, ligt sinds enkele jaren stevig onder vuur. Het zijn vooral liberalen die aan de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs een eind willen maken. Naar hun zeggen zijn ze er in 1917 onder druk mee akkoord gegaan, maar is nu de tijd gekomen om die historische capitulatie ongedaan te maken.

 

De verwijzing naar de zogeheten pacificatie van 1917 is echter weinig verhelderend. Om te begrijpen wat de huidige liberalen drijft, moeten we teruggaan naar 1878, toen de oorlog tegen het bijzonder onderwijs met een retorisch kanonschot werd geopend. Kanonnier was de liberale leider in die dagen, J. Kappeyne van de Coppello, die als minister van Binnenlandse Zaken de Kamer een nieuwe schoolwet voorlegde waarin het christelijk onderwijs elke financiŽle overheidssteun werd ontzegd.

 

De rede die hij bij die gelegenheid afstak, heeft in onze parlementaire geschiedenis terecht een bijzondere plaats gekregen. Geen andere Nederlandse politicus van naam heeft immers zo fel en onomwonden het christelijk onderwijs op afstand van de overheid gezet. Zou hij toegeven aan de aandrang van christelijke zijde, zo luidde zijn betoog, dan zou ,,de hoeksteen van onze nationale eenheid worden verbroken... De worsteling voor de vrijheid zou te vergeefs zijn geweest, want de consciŽntievrijheid op den buitenlandschen vijand veroverd, zou zijn vernietigd door de twisten van binnenlandsche factiŽn. Priesterheerschappij en kerkelijke onverdraagzaamheid zouden in ons land den boventoon voeren.''

 

Het taalgebruik is wat verouderd, maar de strekking komt ons bekend voor, al moet `priesterheerschappij' vervangen worden door `islamo-fascisme' en is de school met de Bijbel waarover Kappeyne spreekt, afgelost door de school met de Koran. Niemand minder dan premier Balkenende heeft al laten weten te vrezen dat islamitische scholen kunnen verworden tot `gevangenissen van achterstand', terwijl de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs Karin Adelmund haar befaamde spontaniteit eer aandeed toen ze zich in 2002 in een tv-programma liet ontvallen: `Ik hŠŠt dat type onderwijs.'

 

De liberale Kamerleden Hirsi Ali en Wilders komt niettemin de verdienste toe Kappeyne in forse taal te hebben overtroffen in hun aanval op islamitische `godsdienstwaanzinnigen' aan wie jonge kinderen niet mogen worden toevertrouwd. Dit is veeleer nodig: ,,Tot behoud van een tolerant en liberaal Nederland moeten ook elementaire rechten en wetten opzij worden gezet bij de aanpak van de mensen die ze misbruiken en vervolgens willen verwijderen als fundament van onze maatschappij. Het enige antwoord is een liberale jihad'' (Opiniepagina, 12april 2003). Kappeyne zou het met genoegen hebben gelezen, al zou hij het laatste woord niet meteen hebben kunnen plaatsen.

 

Kritiek op Nederlandse moslimscholen wordt al langer gehoord, maar ze is pas in de laatste jaren agressiever geworden. Soms richten de bezwaren zich tegen de kwaliteit van het onderwijs of op incidenteel aangetroffen wantoestanden, soms gaat het om verdachte financiering uit het buitenland of om het vermoeden dat de schoolleiding zich afzet tegen de Nederlandse waarden en normen. Geruststellende rapporten van de Onderwijsinspectie worden doorgaans terzijde gelegd. Het moslimonderwijs, hoe beperkt het ook nog maar is, zit definitief in de verdachtenbank.

 

Dat juist liberalen in deze campagne voorop lopen, vraagt om een verklaring. Want hoewel zij, evenals de sociaaldemocraten, voorstanders zijn van openbaar onderwijs, hebben ze zich in de loop van de tijd slechts weinig aan agitatie bezondigd. Zelfs waren ze niet helemaal eensgezind. Zo droeg Thorbecke de bijzondere school een goed hart toe en vreesde hij dat uitsluitend staatsonderwijs zou leiden tot verstarring. Liberaal als hij was, gaf hij de voorkeur aan het particulier initiatief, ook op pedagogisch gebied.

 

De regie van onderwijsgelijkstelling in 1917 lag trouwens in handen van de liberale staatsman Cort van der Linden, die de schoolstrijd typeerde als ,,een wig, die in ons volksleven is geslagen, die van ons volk twee volken maakt''. Na de Tweede Wereldoorlog viel VVD-voorman P.J. Oud hem bij: evenals de kiesrechtkwestie werkte de schoolstrijd veel te lang als `een kanker' in ons staatsbestel.

 

Dit verklaart tevens waarom Oud in zijn geschriften scherpe kritiek had op Kappeyne die hij van ,,liberale dwingelandij'' beschuldigde. Oud hoopte weliswaar dat de openbare school ooit algemeen zou worden aanvaard, maar dwang achtte hij in deze kwestie uit den boze.

 

De vraag is dan waarom Kappeyne zo tekeerging en waarom in onze tijd sommige liberalen `dwingelandij' acceptabel achten. Het antwoord ligt naar mijn mening in de opkomst, toen en nu, van godsdienstige minderheden die een ongewoon rigorisme aan de dag leggen. Destijds waren het de katholieken, nu zijn het de moslims, in beide gevallen als `achterlijk' gekarakteriseerd, vreemde gasten bovendien met vreemde gewoonten, zoals de hebbelijkheid van sommige mannen om in lange gewaden rond te gaan.

 

Extra verdacht is hun slaafse erkenning van religieus gezag dat buiten de landsgrenzen is gevestigd: in Rome en Mekka. De Nederlandse katholieken heetten ultramontaans, omdat ze de blik `over de bergen' op de Heilige Stad gericht hielden; de Nederlandse moslims krijgen de beelden van hķn heilige plaatsen zelfs per schotelantenne thuisbezorgd. Het vreemde toont zich bovendien vijandig tegenover de moderne wereld. Syllabus errorum, de pauselijke banvloek uit 1864 over het liberalisme, kwam destijds even hard aan als sommige fatwa's die momenteel door ayatollahs worden afgekondigd.

 

Mťťr dan wat ook staat dergelijke absolute geloofsdwang haaks op alles waarvoor liberalen hebben gekozen, de vrijheid van het individu in de eerste plaats. Waar die geloofsdwang militante vormen aanneemt, is liberale radicalisering het logische antwoord. Het hele wapenarsenaal wordt leeggehaald: wetenschap wordt tegenover geloof gesteld, vrijzinnigheid aanvaardt atheÔsme als bondgenoot, en de staat wordt te hulp geroepen om de bedreigde vrijheid te redden te beginnen bij het onderwijs, waar de slag om de jeugd wordt gevoerd en dus over de toekomst wordt beslist. De uiterste consequentie van dit belegerde liberalisme is etatisme. De term is niet te zwaar. Kappeyne we raken de man maar niet kwijt stelde de macht van de staat onomwonden in dienst van zijn modernistische veldtocht. Nu de staatsopbouw is voltooid, luidde zijn redenering, wordt het zaak met staatsmacht de maatschappij te hervormen. De overheid moet niet langer afwachtend blijven, maar het klerikalisme met wortel en tak uitroeien. Door de zeggenschap over het onderwijs geheel aan de overheid te trekken, is het belangrijkste instrument tot moderne staatsburgerlijke vorming in veilige handen.

 

Het is zeer herkenbaar. Ook nu tonen veel liberalen een etatistische houding. De overheid moet veel doortastender optreden en de Nederlandse culturele identiteit bevestigen en uitdragen. De vaderlandse geschiedenis is herontdekt en dient de natie. Het Rijksmuseum in Amsterdam gaat de eigen functie verbreden en wordt in plaats van een kunstmuseum `een etalage van nationaal bewustzijn'. Onze taal dient gekend te worden door allen die zich hier willen vestigen of reeds eerder werden toegelaten. Naturalisatie wordt een feest voor de nieuwe burger, een ceremonie die de verbondenheid met Nederland zal uitdrukken.

 

De discussie over normen en waarden, door Balkenende bedoeld als een beschavingsoffensief dat Nederlanders meer fatsoen moet leren, is inmiddels een instrument geworden om vreemdelingen de maat te nemen. Aan het woord is Marco Pastors, tot voor kort Rotterdams wethouder: ,,Ik spreek ze aan. (...) Probeer nu eens je vrouw niet te slaan, de taal te leren en aan het werk te gaan. Is dat nu zo moeilijk?''

 

In enkele jaren is `multiculti' een nieuw scheldwoord geworden. Natuurlijk zijn er verschillende culturen, maar de onze is nu eenmaal de beste en moet dus prevaleren. Niet integratie maar assimilatie is het sleutelwoord.

 

De term wordt argeloos gebruikt, maar hij weerspiegelt een complete filosofie. Erin ligt besloten dat Nederland `voltooid' is en de historische dynamiek tot stilstand is gekomen, zodat nieuwkomers niet anders kunnen doen dan zich aanpassen. Al komen ze met honderdduizenden, `wij' zullen niet veranderen.

 

Wanneer we dit alles overzien, tekent het heersende liberale maakbaarheidsgeloof zich scherp af. Centraal staat de bevestiging van identiteit en eenheid als antwoord op culturele en religieuze diversiteit. De oude verzuiling heeft uitgediend, nieuwe zuilvorming moet worden voorkomen. Wat de middelen betreft, is alle hoop gevestigd op cultuuroverdracht, in en buiten het onderwijs, van boven af bedacht en bewaakt.

 

De islam zal ten minste tot een Nederlandse islam moeten worden ontwikkeld en Nederlandse imams, in Nederland opgeleid, zullen dit moeten regelen. Wellicht is het zelfs mogelijk, zoals hier en daar wordt uitgesproken, dat moslims op den duur hun buitenissige geloof zullen afleggen en het pad van de Verlichting zullen vinden.

 

Ironisch genoeg is dit staatsliberale maakbaarheidsgeloof aanzienlijk ambitieuzer dan het bekendere en momenteel veel gesmade staatssocialistische maakbaarheidsmodel. Reeds de geschiedenis van het onderwijs laat het zien. Ook de sociaal-democraten hadden een voorkeur voor openbaar onderwijs, maar in de politieke praktijk bleef men terughoudend. Al in 1902 stelde de SDAP nadrukkelijk vast dat christelijke arbeiders het recht hadden voor hun kinderen christelijk onderwijs te verlangen. Troelstra zei het bondig en als leider van een arbeiderspartij ook volkomen juist: ,,Om de klassenstrijd te redden, laten we de geloofsstrijd rusten.'' Zelfs in de jaren '70 van de vorige eeuw, de uitzonderlijke periode dat links de lakens uitdeelde, bleef men terughoudend. Met reden, zoals minister van Onderwijs Jos van Kemenade ondervond, toen hij voorzichtig de negatieve aspecten van de onderwijsverzuiling ter sprake probeerde te brengen. ,,Dom was het'', zei hij achteraf, ,,heel dom. Ik sta er nog steeds achter, maar tactisch was het een grote fout om dat zo te zeggen. De pleuris brak uit.''

 

Als Van Kemenade niettemin als een radicaal onderwijshervormer te boek staat, was hij dat op sociaal-democratische wijze, strevend naar verkleining van de sociale ongelijkheid door middel van betere doorstroming in het onderwijs. Het doel was, ongeacht de maatschappelijke herkomst, alle aanwezig talent tot ontplooiing te brengen.

 

Dus: anti de standsschool, pro de middenschool, de scholengemeenschap en al die min of meer onbekookte hervormingsexperimenten. En inderdaad, met de overheid aan de stuurknuppel, verwachtingsvol zoals technocraten plegen te zijn.

 

Buiten het onderwijs vonden we dezelfde hooggestemde verwachtingen, zo kenmerkend voor het staatssocialistische maakbaarheidsmodel. Economische planning en ordening, sociale zekerheid van de wieg tot het graf, de staat als bundel verzorgingsarrangementen, milieubeheer als geloofsartikel, ontwikkelingsprojecten voor heel de Derde Wereld.

 

En toch, hoe vreemd het ook klinkt, het was alles beter doordacht en zeker minder pretentieus dan het staatsliberale programma. De strijd tegen sociale ongelijkheid had overwegend een sociaal-politiek en economisch-politiek karakter. De huidige liberale dwang tot vrijheid komt veel dichter op de huid: beperking van huwelijkskeuze, de verplichting een taal te leren, de controle op godsdienstige bijeenkomsten. Dergelijk beleid is niet alleen precair, het belooft ook minder resultaat. Dat geldt zeker voor het streven, onder intellectuelen populair, de islam zo provocerend mogelijk met de westerse liberaliteit te confronteren.

 

Al een eeuw geleden vatte een van de oprichters van de SDAP, Frank van der Goes, de zaak trefzeker samen. Als wij ons atheÔst noemen, schreef hij, vloeit dat voort uit onze overtuiging dat in de toekomstige socialistische maatschappij godsdienst geen plaats zal vinden. Komt die maatschappij er niet, dan heeft agitatie tegen godsdienstige ideeŽn geen zin. Het zal niet werken. De uitspraak verraadt zowel de kracht als de zwakte van het socialistische maakbaarheidsmodel. Ze verklaart waarom politiek links het nu zo urgente allochtonenvraagstuk zovele jaren heeft gebagatelliseerd. De positie van de vroege `gastarbeiders' begrepen de sociaaldemocraten uitstekend; toen dezen tot `culturele minderheden' werden benoemd, raakten zij de draad kwijt; nu alleen nog van moslims sprake lijkt te zijn, staat links definitief met lege handen. Voor religie heeft de sociaal-democratie geen zintuig.

 

Ziehier `het multiculturele drama', door de socialen te lang genegeerd, door de liberalen onbesuisd geattaqueerd, en daartussen de christen-democraten, de handen beurtelings gevouwen en in wanhoop ten hemel geheven, want wat christenen met moslims aan moeten, heeft nog niemand duidelijk weten te maken.