Het loon van de achterdocht

 

Tom-Jan Meeus en Hans Moll

 

Met het Interregionaal Rechercheteam zouden de politiekorpsen van Noord-Holland en Utrecht de zware criminaliteit te lijf gaan. Maar de werkelijkheid was anders. Roddel en wantrouwen bepaalden de verhouding tussen het IRT en vooral het Amsterdamse korps, dat zo lek heet te zijn als een zeef. Eind vorig jaar blies hoofdcommissaris Nordholt het team op, net toen de eerste successen werden geboekt. Wat ging er fout met dit gezelschap van 'supercops'?

 

Die avond drukte de Haarlemse politiechef Ries Straver het privénummer van zijn vriend Eric Nordholt. 's Middags had hij onverwacht een persbericht onder ogen gekregen waarin de ontbinding werd aangekondigd van een team van toprechercheurs. Het bericht was ondertekend door onder meer Nordholt, en Stravers woede daarover zinderde nog na toen in Amsterdam de hoorn van de haak werd genomen.

 

Dat rechercheteam was immers niet zomaar een clubje. Het was aan het eind van de jaren tachtig door de politiekorpsen in Noord-Holland en Utrecht en met financiële steun van de minister van justitie van de grond getild om serieus werk te maken van de bestrijding van de georganiseerde misdaad in Nederland. Er werkten honderd rechercheurs in het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT), en de leiding zetelde op een geheime militaire lokatie in de hoofdstad. Na vijf jaar begon het IRT nu net een beetje te lopen: sinds een maand of tien 'runden' twee Haarlemse rechercheurs een informant in een veelbelovend onderzoek naar een omvangrijk internationaal misdaad-syndicaat. De informant drong steeds verder in het syndicaat door - met de maand kwam een succesvolle slag in de Hollandse war on crime dichterbij.

 

En toen was, tot stomme verbazing van Straver, op 7 december vorig jaar het persbericht gekomen van de Amsterdamse driehoek, waarin Nordholt met hoofdofficier Vrakking en toenmalig burgemeester Van Thijn schreef dat het rechercheteam was ontbonden omdat het al twee jaar 'een werkmethode'' hanteerde waarvoor de drie 'geen verantwoordelijkheid'' wilden nemen. Weg IRT, weg onderzoek.

 

Straver kreeg Nordholt aan de lijn. Het gesprek duurde enkele tientallen seconden. Nadat de Haarlemse korpschef in ronde woorden zijn bevreemding over de gang van zaken uitsprak en Nordholt vroeg wat hem in 's hemelsnaam had bezield, werd het gesprek in Amsterdam verbroken. Nordholt wenste er niet over te praten.

 

In de vergaderingen van Noordhollandse en Utrechtse korpschefs die na 7 december volgden, zou het de collega's van Straver duidelijk worden dat er een serieus probleem tussen de twee was ontstaan. En dat was eigenlijk nog opmerkelijker dan de opheffing van het rechercheteam zelf. Want Straver was al jarenlang een vertrouweling van Nordholt - als hij zich door de Amsterdamse politiechef bedonderd voelde, moest er wel iets heel vreemds zijn gebeurd.

 

De Dominee

 

In het najaar van 1987, Nordholt was enkele maanden korpschef in Amsterdam, circuleerde in de top van de Amsterdamse politie een vertrouwelijk rapport van de afdeling misdaadanalyse. Die afdeling was een paar jaar eerder tot stand gekomen op initiatief van Kees Sietsma, chef van de recherche. In het stuk had de afdeling gedetailleerd geanalyseerd hoe de georganiseerde misdaad hier te lande oprukte. Vier misdaadorganisaties waren op basis van informatie van de Amsterdamse Criminele Inlichtingendienst (CID) in kaart gebracht, onder wie die van Klaas Bruinsma, alias 'De Dominee'. 'Eric'', zegt Sietsma, 'was geschokt door de inhoud.''

 

Het stuk beschreef de cultuur die in deze misdaadorganisaties was gegroeid. Liquidaties waren gemeengoed geworden. Hoge omzetten leidden ertoe dat fors werd geïnvesteerd in de legale economie. Criminele leiders zagen politie en justitie nauwelijks nog als tegenstanders van betekenis: het lukte de Amsterdamse CID niet door te dringen tot de top van dergelijke organisaties.

 

Bovendien stelde Sietsma dat organisaties als deze 'per definitie'' hulp kregen van politiemensen. Als de politie dit kwaad niet wist te keren, dreigde ze dus ook zelf te worden aangestoken door een virus van corruptie. En de Amsterdamse politie had al geen beste reputatie op dat vlak. In die tijd was het zogeheten 'Lekko-team' aan het werk, dat bewust 'buiten Amsterdam om was gebouwd'', zoals een toenmalige betrokkene zegt, en zijn onderzoeken richtte op lekken bij de de Amsterdamse politie. Het team stuitte op tal van verbindingen van politiemensen met de misdaad, maar bleek eenvoudig te klein om de werkelijk grote zaken aan te pakken - zeker toen het aanliep tegen verbanden tussen de Bruinsma-organisatie en mensen van de Amsterdamse politie.

 

Tegen die achtergrond kon alleen met nieuwe, onconventionele middelen de strijd met de georganiseerde misdaad worden aangegaan, meende Sietsma. Hij zelf was voorstander van een nationale recherche, een Nederlandse FBI, want volgens hem 'is het een illusie dat je internationale misdaad nog op lokaal niveau kunt bestrijden''. Maar gezien de gevoelige snaar die een dergelijke 'superpolitie' bij Nederlandse bestuurders raakt, stelde hij een compromis voor: samenwerking van de recherche op regionaal niveau in één team, met moderne opsporingstechnieken uitgerust, en qua informatie afgezonderd van de reguliere recherchediensten van afzonderlijke korpsen. Geen superpolitie, wel regionale toprecherche.

 

Nordholt steunde de gedachte. In het najaar van 1987 werden de ministers van binnenlandse zaken en justitie, de procureurs-generaal, de burgemeesters van Noord-Holland en Utrecht, de korpschefs van politie en een delegatie uit de Tweede Kamer in afzonderlijke bijeenkomsten rijp gemaakt voor de gedachte een dergelijk team te vormen. Iedereen was vóór. Er was slechts één probleem: wie zou dat betalen?

 

Om de ellende die later ontstond te begrijpen, is het van belang te weten dat de Nederlandse politie in die tijd werd bestuurd als ware het de kleine middenstand. Er kwam een voorstel ter tafel dat financiële steun door de rijksoverheid liet afhangen van een bijdrage van de toen nog bestaande korpsen gemeentepolitie. Daar bestonden er honderden van; grote, maar vooral kleine. Deze moesten allemaal 'één procent van de sterkte', zoals dat in politiejargon heet, aanwenden ten behoeve van het nieuwe regionale team. Er was een uitgebreide massage voor nodig - onder burgemeesters én korpschefs.

 

Bij die laatste groep was het vooral Straver die zijn invloed aanwendde. De Haarlemse politiechef was in de jaren zeventig een soort bloedbroeder van Nordholt geworden toen ze werkten aan de roemruchte nota Politie in verandering, dat tegen de gangbare opinies in de gedachte van wijkteams bij de politie presenteerde. De derde die daarbij was betrokken was Jan Wiarda, nu korpschef van Utrecht, en toen al een jongen die zich verzette tegen de natuurlijke dominantie van Nordholt. Straver had daar minder moeite mee: als het erop aankwam steunde hij Nordholt.

 

Het geld kwam via de korpsen gemeentepolitie en rijkspolitie uit de provincies Noord-Holland en Utrecht op tafel, maar dat betekende ook dat tal van burgemeesters en korpschefs via commissies zeggenschap over het team zouden krijgen. En vooral met die korpschefs zou het later gierend uit de hand lopen.

 

Rumoer en geruchtvorming

 

Eind 1988 kon het IRT worden gevormd. Problemen waren er vanaf het begin. Om de werkzaamheden van het team voor te bereiden werd Koen de Maat aangetrokken, die vanuit een kamertje op het hoofdbureau van politie in Hilversum zorgde dat de benodigde faciliteiten in gereedheid werden gebracht. Gezien het topgeheime karakter van het nieuwe team was het een gevoelige opdracht, die van stonde af aan gepaard ging met rumoer en geruchtvorming. Bij de Amsterdamse recherche circuleerde een rapport van de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst FIOD waarin werd beschreven dat De Maat in het verleden een lening had verschaft aan een koppelbaas.

 

Of dat klopte is nooit vast komen te staan. Feit is dat De Maat - inmiddels met pensioen en onbereikbaar voor commentaar - slechts een jaar voor het IRT werkte. Feit is ook dat er bij de Amsterdamse recherche weerzin bestond tegen het team, zeker nadat de chef, Sietsma, in de loop van 1988 bij de politie vertrok wegens meningsverschillen met Nordholt. Het IRT 'zwart' maken, maakte volgens rechercheurs uit Utrecht en Haarlem vanaf het eerste moment deel uit van een welbewuste strategie bij de Amsterdamse recherche. 'Er zaten in Amsterdam mensen'', zegt een latere IRT-medewerker, 'die zagen dat hun positie in gevaar kwam en er alles aan deden om het IRT kapot te maken nog voordat het goed en wel op poten stond.''

 

In de loop van 1989 gebeurde er iets merkwaardigs. Nordholt en Wiarda kenden een coöperatief moment en bereikten overeenstemming over de supervisie van het team: die zou in handen komen van het Utrechtse korps. Wiarda stelde de taak in handen van zijn recherchechef Burg van Baarle; de operationele leiding kwam te liggen bij Ton Lith, ook van het Utrechtse korps.

 

En nog kwam het operationele werk niet van de grond. Formeel mogen korpschefs en burgemeesters in Nederland de leiding hebben over de politie, in de praktijk zijn het niet zelden de vakbonden. Zo was er in dit geval de Amsterdamse Politie Vereniging, geleid door Bart Driessen, die extra betalingen eiste voor overuren alvorens de rechercheurs uit de hoofdstad toe wilden treden. Het duurde tot medio 1990 vóór er overeenstemming kwam. Een kleine drie jaar nadat bestuur, politie en justitie tot de oprichting van een IRT besloten, was het team dan eindelijk gereed voor haar grote opdracht.

 

Alle energie werd gericht op de organisatie van Klaas Bruinsma, maar dat verhaal is snel verteld: er kwam weinig van terecht. De Amsterdamse rechercheurs die naar het IRT waren overgegaan voelden zich niet thuis in het team. Ze moesten samenwerken met 'uit de klei getrokken rechercheurtjes'' die 'de weg in Amsterdam nog niet wisten'', zegt een van hen. Toen Bruinsma in de loop van 1991 werd geliquideerd, zegt een ander uit Amsterdam, was dat 'grote mazzel'' voor het IRT: het was nog altijd nauwelijks gelukt tot de organisatie door te dringen. Bij de recherche in de hoofdstad groeide de frustratie: eerst moesten ze de Bruinsma-organisatie uit handen geven aan een stelletje beginnelingen, die brachten er niets van terecht, en intussen hingen de IRT'ers nog altijd 'de grote jongen'' uit.

 

Handelswaar

 

Het ging hier om een niet te overbruggen cultuurverschil. De leiding van het IRT bediende zich van twee belangrijke uitgangspunten: ze was slechts geïnteresseerd in het oprollen van criminelen aan het hoofd van een organisatie, en vergaarde informatie werd strikt vertrouwelijk behandeld.

 

Dat was in strijd met een belangrijke traditie bij de recherche. In het klassieke bestaan van een individuele rechercheur is informatie een soort immateriële handelswaar. Je geeft wat aan een collega, waarna je later wat van hem terug krijgt: voor wat hoort wat. Die houding werd door het IRT verlaten. Daar werd gewerkt volgens het zogeheten 'need-to-know-principe': een rechercheur werd pas op de hoogte gebracht van het onderwerp van onderzoek als dat voor zijn directe werk noodzakelijk was. Bovendien kende het IRT vijf 'compartimenten' die in beginsel van elkaar niet wisten wat ze deden: CID'ers, observanten, tappers, analisten en operationele rechercheurs.

 

Het bracht binnen het IRT een sfeer van wantrouwen teweeg. Er was in principe één man, teamleider Ton Lith, die alles wist - de anderen moesten vaak raden welk onderzoek er gaande was. 'Toch'', zegt een officier van justitie die veel met het IRT werkte, 'is dit noodzakelijk. Het is gewoon zo dat de recherche, zeker in Amsterdam, zo lek als een zeef is. Ik zeg altijd maar zo: die werken niet volgens het 'need-to-know-principe' maar volgens het 'nice-to-know-principe': ze lullen alles door.''

 

Om die reden had Lith dan ook nog een extra veiligheidsklep ingebouwd. Andere recherchediensten konden alleen informatie krijgen nadat Lith daar toestemming voor gaf. En het kwam voor dat hij die informatie weigerde, zeker als 'Amsterdam' erom vroeg.

 

In de eerste helft van 1991 werd voor het eerst in het openbaar duidelijk dat de relatie tussen het Amsterdamse korps en het IRT grondig verstoord was. Bart Driessen van de Amsterdamse Politie Vereniging, uitte in Het Parool scherpe kritiek op het IRT. Er werd nu al een jaar gewerkt, klaagde Driessen, en hij had nog niet één zaak voor de rechter gezien.

 

In reactie op de klacht van Driessen werd vanuit het IRT gevraagd of de Amsterdamse korpsleiding het met hem eens was. Vanuit die hoek bleef het stil. Wiarda wist genoeg: de aanval op het IRT was geopend en, zo klaagde hij bij zijn collega-korpschefs, Nordholt stak er gaan poot naar uit.

 

Nu wreekten zich twee zaken. De bestuurlijke inbedding (met alle betrokken partijen) leidde tot een overkill aan vergaderingen en een richtingloos beleid: wat het IRT te doen stond, kon bij wijze van spreken met de week veranderen. En de aloude spanning tussen Nordholt en Wiarda speelde in volle hevigheid op. Collega-korpschefs aanschouwden het met een mengeling van afkeer, fascinatie en vertedering. 'Echt waar'', zegt er één, 'er zijn geen mooiere ruzies. Zeker als ze elkaar weer met tranen in de ogen in de armen vallen. Dan denk je: wat hébben die mannen toch met mekaar?''

 

De ambitieus ingezette strijd tegen de georganiseerde misdaad dreigde te verzanden in weerzin, wantrouwen en competentiestrijd van en tussen de leidinggevenden.

 

Intussen begon het IRT zelf eindelijk een beetje op stoom te raken. Een organisatie die op grote schaal chemische drugs produceerde werd ontmanteld, oude bekenden uit de hasj-handel in een sleepnet van scanners gevangen en een groep heroïnehandelaren gepakt. Het runnen van informante 'La bella Bettina' leidde tot een hoog potentieel aan zaken - zelfs de meest uitgesproken tegenstanders van het team begonnen langzaam te geloven in de kwaliteit van het IRT-werk. Maar de spanning rond de informatie-uitwisseling bleef. In de loop van 1992 weigerde Lith, met steun van Van Baarle, informatie van het IRT te 'poolen' met die van het Amsterdamse CID. De hoofdstedelijke commissarissen Welten en Van Riessen wilden daarmee voorkomen dat er dubbel werk werd verricht.

 

Het vervolg was voorspelbaar. Najaar 1992 nam het IRT 30.000 kilo hasj in beslag zonder dat de mensen achter de schermen van de drugsbende werden gepakt - een klassieke recherche-aanpak, geen IRT-werk. Bij de Amsterdamse recherche en de douanerecherche werkte het 'Kolibrie-team' aan dezelfde zaak, en dat voelde zich vernaggeld door Lith. Hij zou de zaak bewust stuk hebben gemaakt, de procureur-generaal in Amsterdam startte een rijksrecherche-onderzoek tegen Lith en hoofdofficier Vrakking eiste zijn onmiddellijke vertrek. Wiarda sprong op de bres voor zijn man, een onderzoek van het openbaar ministerie leerde dat de zaak op één groot misverstand berustte, maar het laatste beetje krediet dat het IRT bij de Amsterdamse recherche had was verdwenen.

 

En intussen werd begin 1993 op bestuurlijk niveau de volgende slag voorbereid. Op basis van een regeringsnota konden Nordholt en Vrakking recht doen gelden alsnog de supervisie over het IRT te krijgen. De twee hadden alle recht van spreken. Maar het zou nog tot 1 juli duren voordat het werkelijk zover kwam, niet in de laatste plaats omdat Wiarda dwars lag. In een vergadering van de zes betrokken korpschefs, maart 1993, in het Amsterdamse Victoria-hotel deed Nordholt toezeggingen over de zelfstandige status die het IRT onder Amsterdamse leiding zou houden, maar Wiarda vertrok tijdens de vergadering doodleuk omdat hij een andere afspraak had, zonder met Nordholts voorstellen in te stemmen. Het was een vertoning, zegt een van de aanwezigen: 'We hebben hem voor van alles en nog wat uitgemaakt. Maar nee hoor, Jan hield voet bij stuk: Eric moest het eerst maar eens op schrift stellen. En toen was-ie weg.''

 

Toen de leiding eenmaal was overgegaan werd in Amsterdam de doodklok geluid. Lith bleef nog enige maanden als teamleider, zijn nieuwe baas was commissaris Joop van Riessen, maar deze bleek voor overleg steeds onbereikbaar. Hij moest het stellen met lagere goden, zoals Bart Driessen, de oud-vakbondsman die inmiddels een topfunctie bij de recherche had gekregen en die al in 1991 had geroepen dat het IRT niets presteerde.

 

Het moest dus misgaan. De vraag was nog slechts hoe. Uiteindelijk gebeurde het op 7 december vorig jaar, de dag van het persbericht. Maar ook daaraan kleefden tal van curiositeiten - en de gevolgen voor de verhoudingen tussen de korpschefs waren desastreus.

 

Werkmethode

 

Er was het verhaal van de werkmethode. Dat kenden de meeste korpschefs, want op een vergadering exact een week eerder, 30 november, was Nordholt ermee voor de dag gekomen. Het kwam de aanwezigen merkwaardig over. Ze vroegen wat er dan precies aan de hand was. Het antwoord kwam niet.

 

Intussen was er een bezoek van de Amsterdamse driehoek, versterkt met procureur-generaal Van Randwijck, aan de ministers van binnenlandse zaken en justitie. Daar legden zij de gerezen competentiekwesties en hun problemen met de werkmethode op tafel. Probleem was, zo vertelden ze, dat bij de overname van de IRT-inboedel was gebleken dat in Haarlem door de CID een informant werd gerund die werd 'gestuurd' om strafbare feiten te plegen teneinde tot de top van een misdaadsyndicaat door te dringen. Het gesprek leide tot de conclusie dat het IRT op deze manier niet kon voortgaan. Wel moest er een andere vorm van samenwerking worden gevonden, want bestrijding van de georganiseerde misdaad staat nog altijd hoog op de politieke agenda.

 

Ook minister Hirsch Ballin van justitie verkeerde in de veronderstelling dat daaraan druk werd gewerkt toen het persbericht naar buiten kwam. Hij had een dergelijk bericht op deze wijze niet verwacht. En hij was de enige niet. Op vele politiebureaus en in gerechtsgebouwen in Utrecht en Noord-Holland werd die dag dezelfde vraag gesteld: waarom gebeurt dit op deze manier?

 

'Om de openbaarheid te dienen'', zegt hoofdofficier Vrakking. Dat verhaal stuitte overal op ongeloof. De gewraakte werkmethode, zo bleek al snel, was in een eerder geval door Van Randwijck zelf geaccordeerd. IRT-informanten namen in paniek contact om te informeren wat er aan de hand was. Ex-teamleider Lith werd, gezien de toevoeging 'de afgelopen twee jaar'', een nieuwe dreun verkocht met als consequetie dat hij de komende jaren keer op keer voor de rechter moet verschijnen - advocaten van misdadigers konden geen betere verdediging in handen krijgen dan deze onaanvaardbare werkmethode. Niemand begreep dit alles. Op het openbaar ministerie in Amsterdam vielen harde woorden. De directeur Politie Wooldrik van het ministerie van justitie sprak in kleine kring van een 'beginnersfout'' toen de opstelling van de eind 1992 aangetreden Vrakking ter sprake kwam. Nordholt kreeg de wind van voren van zijn collega-korpschefs. En de minister van justitie verstrekte zijn procureur-generaal de droge opdracht de zaak alsnog te lijmen.

 

Dat is hem nog altijd niet gelukt. Er zijn tal van varianten over tafel gegaan, vermoedelijk zullen Hilversum en Amsterdam één IRT vormen en de andere vier korpsen een ander, maar er sleept nog altijd een kwestie: de informatie-uitwisseling. De vier korpschefs (Straver/Haarlem, Van Es/Zaandam, Molenaar/Alkmaar en Wiarda/Utrecht) willen hoe dan ook dat hun team bepaalt over welke informatie Amsterdam (niet) beschikt, terwijl de procureur-generaal eist dat er een open uitwisseling van informatie zal zijn.

 

Het onderlinge wantrouwen was nog nooit zo groot. Straver en Nordholt hebben hun ruzie uitgepraat maar hun verschil van menig is gebeleven. En deze week nog hield Wiarda de minister van justitie voor dat hem uit de IRT-geschiedenis was gebleken dat er platte dienders zijn die hun bazen in hun greep hebben, dat de corruptie aldus in Amsterdam tot in de top is doorgedrongen. De minister wil er niets over zeggen, Wiarda vertrok gisteren met skivakantie.

 

Intussen wordt bij de Amsterdamse politie gewerkt aan de ontvlechting van het IRT. De korpsleiding heeft Bart Driessen aangewezen die klus te klaren.