De groeiende kloof in de diploma-democratie

 

 

De uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen bevestigt het beeld van het Europese referendum: er komt een steeds duidelijker breuklijn tussen laag- en hoogopgeleide burgers.

 

Vlak voor het referendum over de Europese grondwet in juni 2005 demonstreerde een eenzame tegenstander op de markt in Leiden met een bord waarop stond: Liever nationale politici dan Euro-academici. Dat opschrift vatte veel latere analyses samen. Een van de meest opmerkelijke aspecten van dat referendum was namelijk dat de voor- en tegenstemmen niet verdeeld waren langs de traditionele links-rechts lijnen, maar vooral langs opleidingsniveaus.

 

Bij de hoogst opgeleide kiezers was slechts een zeer kleine meerderheid (51 procent) tegen de grondwet, bij de middelbaar opgeleiden was dat al bijna driekwart (72 procent) en onder de laagst opgeleide kiezers stemde een overgrote meerderheid (82 procent) tegen. De voorstemmers woonden in villadorpen en in de betere buurten van de grote steden en waren vooral aanhanger van D66 en GroenLinks, de partijen van de academici bij uitstek, maar ook van PvdA, CDA of VVD.

 

De tegenstemmers daarentegen woonden vooral op het platteland, in de naoorlogse wederopbouwwijken van de grote steden en in vinexwijken. Zij hadden in 2002 SP, ChristenUnie of LPF gestemd of waren thuisgebleven.

 

Bij het referendum openbaarde zich zo een opmerkelijke breuklijn in ons land. Deze breuk loopt niet langs de traditionele religieuze of ideologische lijnen, ook niet volledig langs de tegenstelling stad of platteland, maar vooral langs opleidingslijnen. Het is een kloof die ook zichtbaar werd bij de jongste Tweede Kamerverkiezingen. Aan de ene kant staan hoogopgeleide burgers die over veel politiek zelfvertrouwen beschikken, internationaal zijn georiënteerd en toegang hebben tot de politieke arenas en de maatschappelijke elites. Aan de andere kant staan betrekkelijk laagopgeleide burgers die maatschappelijk minder actief zijn, zich buitengesloten voelen en voor wie de internationalisering veel te snel gaat. Zij stemden bij de afgelopen verkiezingen naar verhouding vaker op de SP en de Partij voor de Vrijheid van Wilders.

 

Dat bijna eenstemmige nee van de laagst opgeleiden tegen de Europese grondwet was geen irrationele opwelling. De EU in het algemeen, en de Europese conventie in het bijzonder, waren van meet af aan projecten van en voor juristen en andere technocraten die ver weg, in de Brusselse wandelgangen en burelen, beslisten over de hoofden van de gewone burgers heen. Het referendum bood hun voor het eerst de gelegenheid om hartgrondig nee te zeggen tegen al die Euro-academici.

 

Het Europese project past in een bredere trend in een aantal westerse democratieën: de geleidelijke verandering in de afgelopen eeuw van de representatieve democratie in een diplomademocratie. Met dat laatste bedoel ik een democratie waarin burgers beduidend meer feitelijke politieke invloed hebben naarmate hun opleidingsniveau, gemeten in termen van hun hoogst behaalde diploma, hoger is. Minder academisch uitgedrukt: in een diplomademocratie is de macht aan de hoogst gediplomeerden.

 

Dat hoogopgeleide burgers beduidend meer politieke invloed hebben dan laagopgeleide burgers, is op zich geen nieuws. Hoogopgeleide burgers zijn vanouds meer in politiek geïnteresseerd, hebben meer politiek zelfvertrouwen dan laagopgeleide burgers, en zijn altijd al meer politiek actief geweest. De kloof tussen hoger en lager opgeleiden is de laatste decennia echter beduidend breder geworden.

 

In de eerste plaats doet de daling in opkomstcijfers bij de verkiezingen zich vooral voor onder de lager opgeleiden. In 1967, vóór de afschaffing van de opkomstplicht, was bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer het opkomstcijfer van de kiezers met alleen lager onderwijs vrijwel gelijk aan dat van de kiezers met een hbo- of wo-opleiding - respectievelijk 93 procent en 97 procent. Tegenwoordig blijft van de burgers met alleen lager onderwijs ongeveer 20 procent thuis bij Kamerverkiezingen, terwijl van de burgers met een hbo-diploma of een universitaire bul nog steeds 96 procent naar de stembus gaat. Dat betekent dat hoger opgeleiden naar verhouding meer gewicht in de schaal leggen bij verkiezingen.

 

Eenzelfde patroon zie je bij andere vormen van politieke participatie, zoals het lidmaatschap van een politieke partij, het meedoen aan demonstraties, het schrijven van ingezonden stukken en het bezoeken van inspraakavonden.

 

In de afgelopen decennia zijn de laagopgeleiden vrijwel volledig van het politieke toneel verdwenen. Vooral bij laagopgeleide jongeren is de politieke betrokkenheid in de afgelopen jaren zeer sterk gedaald. In 1977 waren onder de politieke participanten in absolute zin nog iets meer laagopgeleiden dan academici, maar in 1998 stonden tegenover elke lager opgeleide participant al vijf hoger opgeleiden.

 

Dat komt niet doordat de algemene stijging van het opleidingsniveau heeft geleid tot het uitsterven van de lager opgeleiden. Tot de lager opgeleiden worden tegenwoordig die burgers gerekend die alleen lager of middelbaar voorgezet onderwijs (mulo, mavo, vmbo) hebben gevolgd. Deze groep is in ons land nog steeds veruit de grootste groep, al is de omvang in de afgelopen dertig jaar flink afgenomen, van ongeveer 80 procent van de bevolking begin jaren zeventig, tot iets meer dan 50 procent rond de eeuwwisseling.

 

Tot de middengroep worden de burgers gerekend die hoger voortgezet onderwijs (havo/vwo) en/of middelbaar beroepsonderwijs (mbo) hebben gevolgd. Deze groep is in die periode toegenomen van 10 naar bijna 30 procent. Wie een diploma heeft van het hoger beroepsonderwijs of van de universiteit wordt tot de hoger opgeleiden gerekend. Hun aandeel is in die periode verdubbeld van ongeveer 10 naar ruim 20 procent. Op basis van hun aandeel in de totale bevolking zouden bij de verschillende vormen van politieke participatie dus eigenlijk vijf laagopgeleiden tegenover twee hoogopgeleiden moeten staan.

 

Ook de nieuwere vormen van participatie zijn bij uitstek het domein van de hoger opgeleiden. Uit studies naar interactieve besluitvorming (waarbij burgers en belangengroepen in een vroeg stadium bij het beleid worden betrokken) blijkt telkens dat hoogopgeleide mannen meer invloed hebben dan andere burgers. Ze zijn oververtegenwoordigd, ze praten makkelijker (en vooral ook harder), ze zijn retorisch sterker en er wordt daardoor veel vaker naar hen geluisterd dan naar andere deelnemers.

 

Op de hoogste tree van de participatieladder, bij het vervullen van politieke functies, zijn hoger opgeleiden zelfs extreem oververtegenwoordigd. Ofschoon nog steeds de meerderheid van de burgers tot de laagst opgeleiden behoort, zijn er tegenwoordig nauwelijks meer Kamerleden, bewindslieden en andere politieke bestuurders te vinden die uitsluitend een mavo-, lts-, of vmbodiploma hebben of zelfs alleen maar lager onderwijs hebben gevolgd. Vanaf de jaren negentig behoort bijvoorbeeld gemiddeld meer dan 90 procent van de Kamerleden tot de hoogst opgeleiden. De rest heeft een middelbaar diploma en slechts een enkeling heeft alleen een mulo- of mavo-diploma. Kamerleden met uitsluitend lager onderwijs ontbreken vrijwel geheel. Zelfs bij de SP hebben, met uitzondering van Jan Marijnissen en Remi Poppe, in 2006 vrijwel alle Kamerleden een opleiding op hbo- of academisch niveau.

 

Dit komt voor een deel door verdringing. Het aantal politieke functies in ons land is gelijk gebleven (en in het lokaal bestuur zelfs sterk gedaald), terwijl het aantal hoogopgeleiden is verdubbeld. Net als op de arbeidsmarkt doet zich in de politieke arenas diplomainflatie voor en verdringen hoogopgeleide kandidaten de lager opgeleiden.

 

Een belangrijke oorzaak is ook de transformatie van de meeste politieke partijen tot kaderpartijen. Voorheen boden massapartijen, zoals de PvdA en de confessionele partijen, een participatiekanaal voor lager opgeleiden. Ze hadden verhoudingsgewijs veel laaggeschoolde leden en boden hun scholing en toegang tot politieke ambten. De moderne politieke kaderpartij daarentegen is een partij van en voor hoogopgeleide professionals.

 

De rol van politieke partijen en andere breed gewortelde maatschappelijke organisaties bij het bepalen van de maatschappelijke en politieke agenda wordt bovendien overgenomen door professionele belangengroepen en single issue organisaties. Massabewegingen die vanouds veel laaggeschoolden organiseerden en aan het woord lieten, zoals vakbonden, boerenorganisaties en kerken, zien hun ledenaantallen en invloed sterk teruglopen. Daarvoor in de plaats komen professioneel georganiseerde lobbygroepen die geen lokale afdelingen of actieve leden kennen en voornamelijk werken via nieuwsbrieven, internet en donateurs. Voorbeelden hiervan zijn Greenpeace, Natuurmonumenten, het WNF, de Vereniging Eigen Huis, Unicef en Novib. Deze belangengroepen worden geleid door hoogopgeleide professionals en hun achterban bestaat in toenemende mate uit hoogopgeleiden.

 

Nederland is dus met recht een diplomademocratie, waarin academici beduidend meer invloed hebben dan laagopgeleiden. Maar wat is daar eigenlijk mis mee? Is het juist niet een heel geruststellende gedachte dat onze volksvertegenwoordigers en bestuurders zo lang hebben doorgeleerd? Plato, stichter van de eerste Akademie, vond destijds van wel. De ideale staat die hij in zijn Politeia schetst, is bij uitstek een diplomademocratie. Volgens Plato mogen alleen de meest intelligente en evenwichtige burgers leiding geven aan de staat.

 

Een politieke meritocratie staat echter op gespannen voet met de moderne democratie. De meest voor de hand liggende spanning doet zich voor bij de eis van representativiteit. Op geen van de sporten van de participatieladder is sprake van een getrouwe afspiegeling van de samenstelling van de bevolking. De stem van hoger opgeleiden legt meer gewicht in de schaal bij verkiezingen, ze klinkt veel luider bij allerlei vormen van protest en inspraak, en ze is allesbepalend in Kamer en kabinet. Politicologisch onderzoek uit de VS laat zien dat de ongelijke participatie zich vertaalt in een vertekening van de politieke agenda. Ook in ons land is aannemelijk - maar empirisch lastig te bewijzen - dat de specifieke problemen waar lager opgeleiden mee te maken hebben, minder hoog op de politieke agenda komen doordat de meeste volksvertegenwoordigers en opinieleiders (en hun kinderen) hoog zijn opgeleid.

 

Zo valt bijvoorbeeld op dat de problemen met het studiehuis en de basisvorming in het vwo veel eerder en veel meer aandacht hebben gekregen dan de veel grotere problemen die het gevolg waren van de vorming van het vmbo. En ook de schaduwzijden van de multiculturele samenleving werden pas als drama gepercipieerd toen ook de middenklasse en de grachtengordel met de gevolgen van de moeizame integratie van immigranten werden geconfronteerd.

 

Jarenlang zijn de ongepolijste klachten van de bewoners van de oude wijken als xenofoob en racistisch terzijde geschoven, totdat ze eloquent werden geformuleerd door hooggeleerde publicisten als Fortuyn en Scheffer.

 

In dit probleem van de ongelijke toegang tot de politieke agenda kan worden voorzien door zaakwaarnemers, hoogopgeleide volksvertegenwoordigers die opkomen voor de lager opgeleiden - zo zijn in de afgelopen eeuw de belangen van de arbeidersklasse in het parlement veelal verdedigd door dominees, onderwijzers en rode jonkheren. En ook Fortuyn, in achtergrond, voorkomen en optreden volstrekt de tegenpool van de ongediplomeerde kiezer, werd toch binnen enkele maanden de held van grote groepen laagopgeleiden, omdat hij zei wat zij dachten.

 

De vraag is hoeveel zaakwaarnemerschap een representatieve democratie kan verdragen. De arbeidersbeweging had in het verleden altijd ook eigen mensen in de Kamer (en zou daar trouwens ook niet een deel van de aantrekkingskracht van Jan Marijnissen uit bestaan?). Een permanente afwezigheid van laagopgeleiden in Kamer en kabinet kan ertoe leiden dat laagopgeleiden zichzelf niet meer kunnen herkennen in de politiek-bestuurlijke elite en zich onverschillig en cynisch van de politiek afkeren. Recente onderzoeken van SCP en WRR wijzen in die richting. Hoogopgeleide, actieve burgers blijven in Nederland een redelijk groot vertrouwen in politiek en overheid houden. Het grootste wantrouwen in overheid en politiek vind je bij de relatief laagopgeleide, onkerkelijke lagere middenklasse. Er is één groep in het bijzonder die steeds onverschilliger tegenover politiek staat, en dat zijn laagopgeleide jongeren: Als het beeld van een toenemende kloof in de Nederlandse politiek ergens op toepasbaar is, dan is dat volgens Paul Dekker van het SCP op de vervreemding tussen een kleiner wordende groep jongeren met weinig opleiding en de groter wordende groep hoger opgeleiden.

 

Hoe valt die onevenredige invloed van hoogopgeleide burgers in de politieke sfeer te dempen? De tijd van de brede massapartijen lijkt voorbij. En gegeven de ontworteling van politieke partijen is interactieve beleidsvorming vermoedelijk onvermijdelijk voor het creëren van draagvlak. De onevenredige invloed van hoogopgeleiden kan daarbij echter wel worden gematigd.

 

Wanneer de regering bijvoorbeeld besluit tot vergaande vormen van consultatie of zelfregulering, of wanneer een college van B en W besluit tot interactieve beleidsvorming, dan zou Kamer of gemeenteraad alleen moeten instemmen na een voorafgaande representativiteittoets. Daarbij zou getoetst moeten worden of alle relevante maatschappelijke groepen, in voldoende mate in kaart zijn gebracht en bij de beraadslagingen zijn betrokken. Representatieve steekproeven, training van deelnemers en actieve moderatie van de beraadslagingen kunnen vervolgens helpen om de stem van laaggeschoolden te laten horen.

 

Het voorbeeld van het EU-referendum en de uitslag van de afgelopen verkiezingen suggereren dat er nog andere, minder intensieve manieren zijn om lager opgeleiden bij het politieke proces te betrekken: via het stemhokje. Door de politicoloog Arend Lijphart is in het verleden voorgesteld om in Nederland de opkomstplicht bij verkiezingen weer in te voeren. Een opkomstplicht brengt in ieder geval ook de laagst opgeleiden weer naar de stembureaus - of ze dan ook daadwerkelijk stemmen is een tweede - en zorgt er zo voor dat het voor politieke partijen electoraal interessant blijft om aan hun belangen aandacht te besteden.

 

Stemmingen zijn sowieso een zeer probaat middel om de onevenredige invloed van een participatie-elite te dempen. Bij stemmingen telt immers elke stem, of die nu hard of zacht, eloquent of onbeholpen is, even zwaar. Daarom zou men interactieve processen waar mogelijk met stemmingen dienen af te sluiten. Hierbij dient het uitgangspunt van één persoon één stem zoveel mogelijk gehanteerd te worden. Dit zorgt ervoor dat de kleine groep van dominante, verbaal handige burgers zijn zin niet kan doordrukken tegen de wil van de meerderheid in. Dergelijke stemmingen kunnen bijvoorbeeld de vorm aannemen van correctieve referenda. Daarbij is er alle ruimte voor experts, belangengroepen en betrokken burgers om agendas op te stellen, scenarios te ontwerpen en voorstellen te doen. Tegelijkertijd blijft er een mogelijkheid voor de burgers die geen zin, geen tijd of geen durf hebben om deel te nemen aan de deliberaties, om zich op voet van gelijkheid uit te spreken over de plannen. Een voorbeeld van deze combinatie van deliberatie en directe democratie was de besluitvorming rond de herinrichting van de Grote Markt in Groningen, waarbij de bevolking via een referendum kon kiezen uit enkele gedetailleerd uitgewerkte plannen.

 

Blijft over de politiek-bestuurlijke elite. Rechtstreekse verkiezing van bestuurders, liefst in combinatie met een opkomstplicht, zou hier enig soelaas kunnen bieden. Het geeft laagopgeleiden een even grote stem als hoogopgeleiden en dwingt politieke partijen en kandidaten om in ieder geval met hun belangen rekening te houden.

 

Referenda en een meer directe verkiezing van bestuurders zullen de lager opgeleide burgers niet op alle sporten van de participatieladder terugbrengen, maar ze bieden hun wel belangrijke vetomogelijkheden - het minste wat ze kunnen bewerkstelligen, is dat ze de Euro-academici dwingen om langer na te denken over hoe ze tot een ja kunnen geraken.

 

Laagopgeleiden zijn vrijwel volledig verdwenenvan het politieke toneel Scheiding wordt vooral zichtbaar bij jongeren

 

Datum:

09-12-2006

Sectie:

Opinie & Debat

Pagina:

17

Info:

Hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht. Hij schreef onder meer De digitale republiek. Een uitgebreide versie van dit essay verschijnt onder de titel De diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie in het komende nummer van Beleid & Maatschappij.

Foto-onderschrift:

Volgt

Trefwoord:

Hoger onderwijs

Geografie:

Nederland

Persoon:

Mark Bovens

 

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.