EEN GOEDE MAATSCHAPPIJ IS SOLIDAIR MET DE WERKELIJK ARMEN'; De ondernemer Michel Albert verdedigt de verzorgingsstaat

 

Door Peter van Dijk

 

Capitalisme contre capitalisme door Michel Albert 320 blz., Seuil 1991, f 51,60 ISBN 2 02 013207 9

 

Kritiek op de verzorgingsstaat, op de hoge kosten, het misbruik en zijn psychologische effecten is langzamerhand zo gebruikelijk geworden dat de tijd al weer rijp is voor een hartstochtelijke en intelligente tegenaanval. Wij Nederlanders moeten het voorlopig doen met het defensieve en voorspelbare rapport van de PvdA'er Dick Wolfson. De Fransen lijken een beter gevoel te hebben voor de kanteling in de tijdgeest. De Parijse intelligentsia kan naar aanleiding van een stimulerend boek van Michel Albert Capitalisme contre capitalisme hartstochtelijk in de tijdschrift- en krantekolomen discussiëren over het goede en het kwade van het kapitalisme "pur et dur' en de zegeningen van de verzorgingsstaat.

 

Albert is voorzitter van de raad van bestuur van de verzekeringsmaatschappij AGF (Assurances générales de France), een staatsbedrijf met en omzet van 18 miljard gulden, 20.000 personeelsleden en een winst in 1990 van 1 miljard gulden. Buiten de grenzen van zijn land is de 61-jarige Albert niet onbekend. Hij schreef in 1983 voor het Europese parlement het rapport "Naar het herstel van de Europese economie in de jaren tachtig' en boeken als La manifeste radicale (Denoël, 1970) met J. J. Servan-Schreiber, Les vaches maigres (Gallimard, 1975) met Jean Ferniot, en Crise, krach, boom met Jean Bois-sonnat (Seuil, 1988). Capitalisme contre capitalisme schreef hij geheel alleen en dat is prettig voor hem, want er werden vele kritieken, televisie- en radio-uitzendingen aan gewijd, en er zijn inmiddels 70.000 exemplaren van verkocht.

 

De stelling van Albert is in enkele zinnen te vangen. Op het moment dat het kapitalisme triomfeerde over het communisme is een gevecht losgebarsten tussen twee vormen van kapitalisme, de liberale neo-Amerikaanse variant en de sociaal-democratische variant, zoals die in Duitsland, Zwitserland, Scandinavië, Nederland en ook Japan voorkomt. In het harde Amerikaanse kapitalisme ligt de macht in een bedrijf bij de aandeelhouders en die willen een snel en hoog rendement; daar verkiezen de burgers consumptie en schulden boven eenvoud en sparen, en de beurs boven de bank; en daar zijn de armen en zieken het kind van de rekening. In het sociaal-democratische kapitalisme zien de werknemers en aandeelhouders hun bedrijf als een gemeenschap, speelt de beurs een minder belangrijke rol dan de bank, is sparen een deugd en bestaat er een werkelijke solidariteit met de zwakken en armen.

 

Guy Sorman, auteur van La révolution conservatrice américaine en Sortir du socialisme (Fayard), merkte op dat voor het eerst in Frankrijk de sociaal-democratie opgevat wordt als een vorm van kapitalisme en niet als een vorm van socialisme. Op zich al een innovatie in een land waar scholieren en studenten, gesouffleerd door Jean-Paul Sartre, langer dan elders de marxistische inspiratie bewierookten.

 

Albert plakt in deze Sartriaanse traditie vele moreel onaangename kwalificaties op het Amerikaanse model, dat hij aanduidt als het model-Reagan en vanwege het rijmeffect tegenover het model-Rhénan zet (Rhénan betekent "Rijnlands' en bedoeld zijn de "landen langs de Rijn' in algemene zin). Een paar voorbeelden: het kapitalisme van de sprinkhanen, die bij de dag leven tegenover het kapitalisme van de mieren, die voor morgen sparen; egoïstische cowboys tegenover nijvere spaarders; casino-economie tegenover de solidariteitseconomie; het model van het snelle individuele succes en de snelle winst tegenover het model van het collectieve succes, de consensus en zorg voor de toekomst; Reagan en Thatcher tegenover Erhard, Schmidt, Kohl, en wij kunnen eraan toevoegen Drees en Lubbers.

 

Als het boek bij deze eenvoudige mededelingen bleef, zou het smakelijke maar bekende tegenstellingen herhalen. De kracht van het boek is echter dat Michel Albert met harde cijfers en voorbeelden bewijst dat de "rijnlandse' economieën veel succesvoller zijn dan de Amerikaanse en Britse, en moreel superieur zijn aan de neo-liberale variant, maar dat desondanks het Amerikaanse model beter in zijn public relations slaagt en een gevraagder exportprodukt is dan het rijnlandse model.

 

Deze conclusie leidt onvermijdelijk tot de vraag aan Michel Albert: wat is belangrijker voor navolging, de export van een goed of de export van een idee? Om een voorbeeld te noemen: Is het belangrijker dat Amerikaanse professoren de Poolse ministers adviseren, of dat de Poolse zakenlieden Duitse spullen kopen?

 

In zijn etagegrote werkkamer, gelegen schuin tegenover de Parijse Opéra Comique, antwoordt Albert, con mucho gusto: ""Ik denk dat beide exportartikelen belangrijk zijn. U moet niet vergeten: één idee vind ik absoluut zeer belangrijk en dat is dat een startende economie begint met spaarkassen te stichten, in de trant van de Raiffeissen-banken in Duitsland of de onderlinge spaarbanken in Frankrijk, of met banken die hun klanten opvoeden in het sparen, al is het maar één sou per dag. Daar kan je veel beter mee beginnen dan met het oprichten van een "stock exchange' in Warschau, zoals Jeffrey Sachs de Polen heeft geadviseerd.''

 

Maar in Moskou heeft een beurs toch zeker wel nut? Russen weten nauwelijks de prijs van een goed en op de beurs kunnen ze daarmee leren spelen.

 

""Heel goed. Men mag dromen. U bent Franser dan ik en ik misschien Hollandser dan u, misschien moet je leren spelen met geld, maar er is nog een andere opvoedkundige regel en die zegt: men moet leren sparen. Dat moet men eigenlijk iedere dag doen, om zich verantwoordelijk te gedragen, om de toekomst zeker te stellen, om een huis te kunnen kopen''.

 

Het gaat Albert om een mentaliteit van solidariteit en samenwerking. ""Ik bewonder de organisatie in Duitsland, de vitaliteit van de kleine steden, de diversiteit van de Länder, de opkomst van Beieren, dat nog niet zolang geleden een achterlijk boerenland was. Dat is te danken aan de Sozialmarktwirtschaft, waar consensus heerst, overleg en gevoel voor de lange termijn.''

 

Als verzekeringsman wijdt Albert in zijn boek een gepassioneerd hoofdstuk aan de Zwitserse verzekeringsmarkt, de bakermat van het omslagstelsel, het tariefprincipe dat synoniem is aan solidariteit en gemeenschapsgevoel. Tegenover deze Zwitserse aanpak zet hij het Angelsaksische model, dat gekenmerkt wordt door een hyperverfijning van de tarieven voor individuele wensen.

 

U spreekt zelf in uw boek over het gevaar van "sclerose', weefselverharding, dat de sociale variant van het kapitalisme bedreigt.

 

""Natuurlijk, een buitensporige opzwelling van allerlei soorten sociale bijstand is een kleine kanker, maar in tegenstelling tot het botte individualisme, een goedaardige kanker, die we weg kunnen snijden. Ik weet best dat de Sozialmarktwirtschaft een uitnodiging aan luiheid en onverantwoordelijkheid inhoudt. Maar we moeten niet vergeten dat de ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel ook een factor van belang was in de integratie van onze samenleving, in de sociale rust en in de voorspoedige economische ontwikkeling.''

 

In Nederland vragen we ons af of het stelsel nog wel te betalen is, zeker met het oog op Europa. Goedaardig of kwaadaardig, het kan behoorlijk schaden.

 

""In Amerika bedraagt de lastendruk (belasting plus premies) 30 procent van het Bruto Nationaal Produkt (BNP), in Duitsland 38 procent, in Frankrijk 45 procent en in uw land, net als een paar jaar geleden in Zweden, 60 procent. Mijn antwoord luidt: 60 procent is teveel.''

 

Heeft u een norm voor wat precies goed is?

 

""De norm wordt bepaald door twee zaken, een objectieve en een subjectieve, en is daardoor geen keiharde norm. Objectief is de internationale concurrentie. Het is duidelijk dat wanneer de lastendruk hoog is het competitieve vermogen van een land afneemt. Wij in Frankrijk hebben zoals gezegd een druk van 45 procent en de Duitsers van 38; wel, dat is structureel een zware handicap voor de Franse economie. Zestig procent is nog zwaarder en het is duidelijk dat de Nederlandse regering bezorgd is, want anders zou zij geen fiscale voordelen hebben geschapen om internationale bedrijven aan te trekken. Op de lange termijn heeft Nederland een zeer ernstig probleem.

 

""De subjectieve norm vindt u in mijn boek, dat is de morele, filosofische appreciatie van het functioneren van een maatschappij, van zaken als plezier in het werk, inzet voor het bedrijf. Een bekende Franse socioloog, Philippe Diribarne, heeft een onderzoek gedaan naar motivatie bij arbeiders, in Amerika, Frankrijk en Nederland. Op de vraag waarvoor werkt u, antwoordde de Amerikaanse arbeider ""voor het geld'', de Fransman zei ""voor de eer van het bedrijf'' en de Nederlander antwoordde ""voor mijn bedrijf als gemeenschap''.

 

""Ik denk dat in Europa de bandbreedte voor de lastendruk ergens tussen de 35 en 45 procent van het BNP zal komen te liggen. Het hangt er natuurlijk ook vanaf hoe gespecialiseerd een land is en hoe competitief. Dat heeft niet alleen met motivatie te maken. Eén ding staat voor mij vast, teveel snijden is heel pijnlijk en gaat met grote sociale kosten gepaard en die zullen ook hun weerslag hebben op het concurrentievermogen van een economie''.

 

In uw boek geeft u weinig voorbeelden van de triomfen van het oprukkende neo-liberalisme.

 

""Ik zal u drie voorbeelden geven. Ik wed dat bij NRC Handelsblad de salarissen collectief voor de hele sector vastgesteld worden, zeker voor het technisch personeel. Maar u bent toch met me eens dat dat steeds minder gebeurt en steeds meer per bedrijf en zelfs per individu. Tweede voorbeeld. Een leraar, een man die zich inzet voor het algemeen nut, had vroeger een groot prestige. In heel Europa is dat bedroevend gedaald, alleen de leraar in de privésector ontmoet nog enig respect. Derde voorbeeld. Vakbonden spelen in alle Europese landen een belangrijke rol, maar als u kijkt naar de landen waar ze het belangrijkst waren, Duitsland en Nederland, zult u zien dat het lidmaatschap dramatisch gedaald is''.

 

Volgens uw stelling komt dat omdat meer reaganomics automatisch leidt tot minder rijnlandse elementen. Maar het kan toch ook zo zijn dat het ledental van de vakbonden afneemt, omdat het doel - salarisverhoging en een prettig leven - bereikt is?

 

""Tja, we hebben hier natuurlijk te maken met een complex fenomeen. Ik constateer dat in de rijnlandse economieën, zoals de Nederlandse, "l'esprit individuel' wint van "l'esprit de communauté'. Dat valt niet te betwijfelen en daar waarschuw ik voor, want die gemeenschapszin is een verklarende factor voor het economische succes van Duitsland, Japan, Zwitserland, Zweden en Nederland.''

 

Uw boek is dus bedoeld als een alarmkreet?

 

""Nee, als een methode voor de toekomst.''

 

Kan een rijnlandse economie volstaan met een vangnet voor een aantal minimale voorzieningen en het aan de burger overlaten zich bij te verzekeren als hij dat nodig vindt?

 

""Mijn mening is dat twee elementen nodig zijn in een moreel goede maatschappij, solidariteit met de werkelijk armen en de ernstig zieken. Die moeten door een belastingfinanciering geholpen worden. Maar naarmate een samenleving rijker wordt is het des te noodzakelijker en uit ethisch standpunt wenselijker dat ieder individu zijn vrijheid bepaalt en zijn verantwoordelijkheid draagt. William H. Beveridge [de Britse liberale voorman, die in 1942 het plan voor sociale zekerheid opstelde], die ik zeer bewonder omdat hij Europa met zijn ideeën over de sociale zekerheid een enorme vooruitgang bezorgd heeft, zei ooit dat een arm land zijn hele bevolking een minimum aan vitale behoeften moet garanderen, maar dat als de koopkracht vijf of tien maal gestegen is, er een scala aan hulpvoorzieningen voor noodgevallen moet bestaan, maar ook vrijheid voor de beter begunstigden. Ik denk dat voorzieningen tegen werkelijke armoede, ernstige ziekten en voor de oudedag thuishoren in een minimumpakket, tegen de rest kan men zich verzekeren. Een mens moet zijn eigen verantwoordelijkheid kennen.''

 

In uw boek bent u bang dat Frankrijk nogal gevoelig zal blijken te zijn voor de bacil van het neo-liberalisme. Hoe komt dat?

 

""Dat is al gebeurd en dat komt omdat Frankrijk heel lang beheerst werd door twee centralistische elementen: het colbertisme, dat is interventie van de staat in de economie, die heeft ons veel geld gekost en weinig efficiency opgeleverd; en het marxisme, dat erg lang een modern sociaal-democratische staatsopvatting heeft tegengehouden.

 

""Beide zijn nogal abrupt ingestort en daardoor staan de deuren voor het neo-liberalisme wijd open. Kent Nederland het begrip "les nouveaux pauvres'? Ik hoor het tegenwoordig iedere dag. Vijftien jaar geleden bestond het niet, want vijftien jaar geleden dachten we dat de armoede vanzelf zou verdwijnen dank zij de algemene verrijking. Het slaat vooral op mensen die nog nooit een baan hebben gehad. Neem studenten. Zij vinden zich te goed voor allerlei baantjes. In Frankrijk heeft een student het recht om geen ober te zijn in een restaurant. Logique d'honneur. Maar met zijn juridische diploma vindt hij tegenwoordig geen baantje en blijft daarom nog maar twee of drie jaar plakken bij zijn ouders. Daarna schrijft hij zich in als werkloos, krijgt een kleine uitkering en na een tijdje is hij een wrak of een drugsverslaafde. Voilà, zo komen er steeds meer nieuwe armen.''

 

En wat is de houding der Fransen?

 

""Een echt neo-liberale: dat is niet mijn zaak, maar van de liefdadigheidsbusiness. Het verschijnsel resto du coeur ["restaurent van het hart', een keten gaarkeukens] bestond vijftien jaar geleden niet.''

 

Leidt u uw bedrijf als een neo-liberale kapitalistische manager?

 

""Als manager ben ik een kapitalist, maar een kapitalist met oog voor de sociale economie. Tijdens het bestuderen van het rijnlandse model heb ik ontdekt dat de Sozialmarktwirtschaft ontstaan is uit de doctrines van de kerken en niet uit het sociaal-democratische gedachtengoed.''

 

Stemt u socialistisch?

 

""Ik ben een christen-democraat en "Sozialmarktwirtschaftiste'.'' De lettergrepen van het laatste woord spreekt hij achtereenvolgens op zijn Frans, Engels, Duits en weer Frans uit: social-market-wirtschaft-iste. Een Europeaan aan het woord.