De gelijkgevers

 

KAREL BERKHOUT , WILFRED TAKKEN

 

De macht van Berenschot in de kunstwereld

 

Bij elke crisis in de kunstwereld doet bureau Berenschot een onderzoek of levert het een interim-manager. Hoeveel invloed hebben deze adviseurs eigenlijk?

 

Alsof je na het intikken van een ruitje meteen een ME-bus bestelt.'' Zo omschrijft ontslagen Cosmic-directeur Khaldoun Elmecky de binnenkomst van adviseur Ocker van Munster bij zijn theater. Van Munster, van adviesbureau Berenschot, kwam eind vorig jaar bij het Amsterdamse Cosmic Theater om de overgang naar een groter theater te leiden. Maar dat was volgens Elmecky helemaal niet nodig: ,,Vóór de komst van Van Munster was er niets aan de hand. Maar doordat hier zo'n zwaargewicht als Van Munster rondliep, ging iedereen denken dat er wel een crisis zou zijn.''

 

In februari raakte Cosmic Theater alsnog in een crisis die nog steeds niet is bezworen. Gisteren ging weliswaar een nieuw stuk van Cosmic in première, Beest, over de sluipmoord op Griekse koning Agamemnon. Maar de groep zit zonder theater, zonder directeur, en zonder bestuur. In de uitgebreide berichtgeving over de crisis dook steeds weer de naam van `Ocker van Munster van Berenschot' op. En dat was niet de eerste keer.

 

Ook bij eerdere problemen in de podiumkunsten - bij het Theaterinstituut, de Theatercompagnie, Muziekgroep Nederland - kwam Van Munster langs om als interim-directeur puin te ruimen. En als je even doorbladert, kom je de naam van Berenschot eigenlijk doorlopend tegen in verband met hete hangijzers in het kunstbeleid: de cv-regeling voor films, het Centrum voor Beeldcultuur, het Filmmuseum, bezuinigingen, de haalbaarheid van nieuwe theaters en musea (zie kader). Vooral het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) lijkt wel een abonnement te hebben op de rapporten van Berenschot, vrijwel altijd geschreven door Ocker van Munster of Bart Drenth.

 

Hoe komt zo'n adviesbureau aan zo'n belangrijke positie? Hoeveel invloed hebben deze adviseurs eigenlijk? Duidt het steeds weer huren van Berenschot niet op een falen van de overheid?

 

Binnen het bijna zeventig jaar oude Bureau Berenschot neemt de kunst slechts een bescheiden plaats in; van de 350 medewerkers werken er zestien op de afdeling Cultuur Werk en Welzijn. Bart Drenth (38) is de baas, oud-gediende Ocker van Munster (54) heeft er zijn eigen `marktgroep'. Een rapport als over de filmregeling kost bij Berenschot zo'n 80.000 euro, terwijl Cosmic voor de interim-manager zo'n 1.300 euro per dag moest betalen. Een paar maanden interimmen kost een kunstinstelling dus al snel een ton.

 

,,Ocker van Munster is de man die komt, analyseert en aanpakt'', zegt Jan Riezenkamp, voormalig directeur-generaal Cultuur van OCW. ,,Hij is recht voor zijn raap, zakelijk en houdt tegelijk de menselijke maat in de gaten. Drenth is van de afstandelijke analyses, werkt meer achter het bureau.''

 

Het succes van Berenschot in de kunstwereld heeft veel te maken met het uitgebreide netwerk van Van Munster. Directeur Ruud Visschedijk van het Fotomuseum in Rotterdam: ,,Ocker van Munster werkt voor zijn netwerk, zijn netwerk werkt voor hem.'' Zo beval topambtenaar Riezenkamp zijn goede kennis Van Munster aan bij De Theatercompagnie, toen die vier jaar geleden een crisismanager zocht.

 

Het netwerk heeft soms een PvdA-stempel, zoals bij Cosmic. Ing Yoe Tan, de bestuurder die Van Munster binnenhaalde, was PvdA-senator. Van Munster is voorzitter van de lokale PvdA. Eén-tweetje? ,,Onzin'', vindt communicatie-adviseur en PvdA-ingewijde Dig Istha: ,,Beiden behoren niet tot het echte PvdA-kader. Er is wel een Berenschot-achtergrond.'' Ing You Tan werkte voor Berenschot, net als Istha. In de kunstwereld wemelt het van de ex-Berenschot-mensen: Freek Ossel, bestuursvoorzitter van Toneelgroep Amsterdam, Martijn Sanders, directeur van het Concertgebouw, en Melle Daamen, directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam.

 

De band tussen tussen adviesbureau en ministerie is zo hecht dat Edwin Bakker van het Theaterinstituut Berenschot ,,bijna een OCW-filiaal'' noemt. Van Munster heeft zelf midden jaren tachtig drie jaar bij het ministerie gewerkt, als hoofd Culturele Zaken; weer mede dankzij zijn netwerk. Riezenkamp en Van Munster kenden elkaar al vanaf het begin van de jaren tachtig, toen de eerste wethouder en de tweede ambtenaar was bij de gemeente Rotterdam. ,,Bij OCW kwam ik hem weer tegen'', vertelt Riezenkamp. Toeval? Riezenkamp: ,,Ik heb hem niet benoemd. Ik zag de vacatures en heb de directie gewezen op Van Munster. En Van Munster heb ik gewezen op de vacatures bij OCW. You can bring the horse to the river, but you can not make him drink.'' Van Munster stapte in 1986 over naar Berenschot waar hij zijn eigen cultuurafdeling opzette.

 

Puinruimers

 

Berenschot oefent zijn invloed op de kunstwereld op twee manieren uit. De meest zichtbare en directe manier is het reorganiseren van kunstinstellingen door Ocker van Munster als interim-manager. Van Munster gaat te werk zoals puinruimers in het bedrijfsleven al langer te werk gaan: hij komt om te saneren na het onstaan van geldproblemen. Meestal volgen er dan ook ruzies en een identiteitscrisis. Een veel grotere reorganisatie blijkt vaak noodzakelijk.Dat is het moment dat Van Munster zijn stempel op de instellingen kan drukken. Van Munster: ,,Een crisis is een heel goed moment om te vernieuwen. Je kunt allerlei bestaande misstanden aanpakken die in vredestijd onbespreekbaar zijn.''

 

Doordat het Theaterinstituut eenderde van zijn subsidie kwijtraakte, moesten er hele afdelingen sneuvelen. Ook bij de Muziekgroep en bij de Theatercompagnie moesten er allerlei taken afgestoten worden om de geldproblemen te ondervangen. Van Munster stelt de instelling op zo'n moment graag de geliefde consultantsvraag: ,,Waartoe zijn wij hier op Aarde?'' Een bedrijf, ook een kunstinstelling, vindt Van Munster, moet zich richten op een hoofdtaak, de core businness.

 

Wat Van Munster verder altijd doet, is de machtsstructuur formaliseren. Hij zorgt voor een duidelijker taakverdeling tussen bestuur en directeur, en tussen de zakelijke en de artistieke kant. Khaldoun Elmecky van Cosmic: ,,Maar bij een piepklein clubje als Cosmic is dat tamelijk potsierlijk. Het voltallige personeel zou in zo'n `managementteam' passen.''

 

Van Munster is volgens velen zo geschikt voor dit werk door zijn empatisch vermogen en zijn passie voor kunst. ,,Mooie kwetsbare bedrijfjes'', noemt hij zijn klanten liefkozend. Dat klinkt mooi maar ook een beetje griezelig: alsof hij de verliefde King Kong is met een blond meisje in zijn handpalm. Theu Boermans, artistiek leider van de Theatercompagnie, is de enige directeur van de genoemde instellingen die een reorganisatie van Van Munster overleefde: ,,Bijzonder aan Van Munster is dat hij een goed oog heeft voor de eigenaardigheden van een toneelgroep, waar het gebruikelijk is om te werken vanuit emoties, driften, dromen. De meeste buitenstaanders worden snel doodmoe van het gezeur van die acteurs die zoveel bevestiging nodig hebben. Van Munster niet.'' Van Munster: ,,De actrices kwamen wel eens bij mij uithuilen. Dat gaf wel een kick, ja.'' Na enig nadenken: ,,Ik blijf buitenstaander. Meeleven is goed, maar je moet niet gaan meevibreren.''

 

In zijn meest recente interim-baan, bij Cosmic Theater in Amsterdam, liep dat fout, en werd hij zelf onderdeel van de crisis. In alle opzichten was deze zaak atypisch voor hem. Toen hij eind vorig jaar werd gevraagd door bestuursvoorzitter Ing Yoe Tan was er geen geldprobleem. Integendeel, er kwam een extra subsidie van 2,5 miljoen euro aan. Directeur Elmecky pikte niet dat Van Munster tijdelijk bóven hem zou werken, zoals het bestuur wenste. Van Munster trachtte nog te bemiddelen tussen bestuur en directeur, maar de sfeer was al te erg verziekt. Het bestuur ontsloeg begin februari Elmecky, wat tot veel oproer in de gemeentepolitiek en de theaterwereld zorgde.

 

Elmecky sloeg terug. Hij viel Van Munster aan wegens verraad en belangenverstrengeling. Hij zou zijn personal coach zijn geweest, vervolgens bemiddelaar in het conflict, en daarna werd hij zijn opvolger. Van Munster ontkent dat hij Elmecky's coach was: ,,Ik praat met zoveel mensen. Onderhoud van het netwerk noem ik dat.'' Van Munster trok zich voor Pasen reeds terug, gevolgd door het bestuur. Hij vindt niet dat hem blaam treft: ,,Dit was een conflict tussen een bestuur en een directeur waar ik buiten stond.''

 

Elmecky: ,,Van Munster denkt dat hij van crisis naar crisis kan hoppen zonder zelf aangetast te worden. Maar wie gebruik maakt van zijn netwerk, is bij voorbaat al medeplichtig.''

 

Natuurlijk heeft Van Munster vooral succes omdat hij snel goed resultaat behaalt. Maar volgens Elmecky kan er ook iets anders meespelen: ,,Met het huren van een bekende adviseur krijg je zijn goede naam en zijn netwerk erbij, bijvoorbeeld zijn ingang bij subsidiegevers als het ministerie. Een goed woordje van een bekende adviseur dient als keurmerk, waardoor de subsidiesluizen zich makkelijker openen. Dan wordt het: wie door Berenschot gekeurd is, mag de weg op. Daarom is de hoge declaratie van zo'n adviesbureau ook voor kleine clubs als Cosmic aanvaardbaar: je verdient het weer terug. Als het goed gaat, tenminste.''

 

Rapporten

 

De tweede manier waarop Berenschot invloed heeft, is via de rapporten die het bureau schrijft, vooral voor OC, W. Deze invloed is minder direct, minder zichtbaar, maar fundamenteler dan het veldwerk van Van Munster.

 

Sinds enige jaren is het in de mode om departementen af te laten slanken en per project tijdelijke hulp van buiten aan te trekken. Veel overheidsopdrachten - zeker de grotere - worden door middel van een aanbesteding gegund aan adviesbureaus. Zo kwam in de jaren negentig Drenth van Berenschot binnen bij OCW, vertelt Riezenkamp: ,,We moesten de cultuurdiensten reorganiseren, een klus waarvoor wij geen personeel beschikbaar hadden. Drenth maakte de beste indruk: geen cijferfetisjist, maar iemand die de cijfers in de context van de cultuur ziet.''

 

Het beste voorbeeld van Berenschots verstrekkende invloed op lange termijn is het rapport De podiumkunsten na 2000; naar een nieuw beleid uit 1995 (het Hoofdstroom-tegenstromen-model) geschreven door onder meer Ocker van Munster en Bart Drenth. ,,Een profetisch rapport'', zegt de verder niet erg opschepperige Drenth.

 

In dat rapport schetste Berenschot twee toekomstscenario's. Het eerste scenario was dat er grote pluriformiteit zou ontstaan, met een vermenging van hoge en lage cultuur, van autochtone en allochtone kunst. In het tweede scenario, dat volgens Berenschot waarheid is geworden, zou een dominante hoofdstroom van populaire cultuur ontstaan - popmuziek, Hollywoodfilms - die de gesubsidieerde cultuur in de marge van de witte intellectuele elite zou drukken. ,,Dat vereist dat je goed nadenkt over het gesubsidieerde aanbod: hoe handhaaf je de kwaliteit, hoe verbreed je het publiek?'', zegt Drenth.

 

De kritiek was zo groot dat toenmalig staatssecretaris Nuis (Cultuur) het rapport in de la legde, waar zijn opvolger Rick van der Ploeg het in 1998 weer uithaalde. ,,We zagen dat hij in zijn cultuurnota expliciet meermalen naar ons rapport verwees'', zegt Drenth. Berenschot adviseerde het bereiken van nieuwe publieksgroepen, vooral allochtonen en jongeren. Van der Ploeg maakte dat tot speerpunt van zijn beleid. Ook Van der Ploeg kreeg de kunstwereld over zich heen, waardoor er van zijn actieve ingrijpen weing overbleef. Maar Berenschots idee dat de gesubsidieerde kunst in een elitair isolement zat, bleef hangen. Drenth: ,,Bij een debat op de laatste Uitmarkt vroeg het Tweede-Kamerlid Stef Blok (VVD) zich af waarom de overheid geld moest geven aan een toneelgezelschap waar kennelijk niet genoeg mensen heen gaan. Dat soort legitimiteitsvragen hebben wij voorspeld, en ze zullen blijven opduiken.''

 

Twee recente rapporten tonen aan dat Berenschot weliswaar invloed heeft, maar dat deze invloed ook zijn grenzen kent. Drenth schreef een rapport voor Kunsten '92, een lobbyclub die tegen de bezuinigingen op kunst ageert. Drenth berekende vorig jaar dat de bezuinigingen van staatssecretaris Van der Laan (Cultuur) de cultuursector nog veel meer bezuinigingen van gemeentes en provincies zou gaan opleveren. ,,We hadden harde gegevens nodig om onze vermoedens te bevestigen. We begrepen: als we echt willen scoren, dan moet het onderzoek worden gedaan door een gerenommeerd bureau'', zegt Marianne Versteegh van Kunsten '92. Het werkte: De Tweede Kamer halveerde de door OCW voorgenomen bezuinigingen.

 

Merkwaardig was dat Drenth vlak daarvoor voor het ministerie van OCW juist had berekend dat er veel meer bezuinigd kon worden op de zogeheten ondersteunende instellingen. Van der Laan moet nog met haar beleidsplan hierover komen, maar de kunstwereld vreest dat zij Berenschots aanbeveling zal volgen. Strikt genomen bijten deze twee klussen elkaar niet. Maar het geeft een vreemde indruk: de klusjesman van OCW schrijft een rapport voor de tegenstander van OCW. Vond Kunsten `92 die tegenstelling niet vreemd? ,,Jazeker'', zegt Versteegh en lacht uitbundig: ,,Jazeker. Maar dat was niet ons probleem. Dat was het probleem van OCW.''

 

Deze kwestie toont Berenschots achilleshiel. Omdat het bureau voor iedereen inzetbaar is, zullen de rapporten altijd een zweem hebben van: u vraagt, wij draaien.

 

Zou het ministerie, of de Raad voor Cultuur, niet zelf dit soort rapporten moeten schrijven? Versteegh van Kunsten '92: ,,In principe wel, zeker, maar in de praktijk gebeurt het niet. De raad zegt steeds: wij kijken alleen naar de kwaliteit van de instellingen, dat is het.'' Dicht Berenschot een gat van de Raad voor Cultuur en OCW? ,,Ja, zeker wat betreft de technische kennis, bijvoorbeeld om bezuinigingen door te rekenen.''

 

Inderdaad, die kennis heeft de raad in elk geval niet, erkent secretaris Kees Weeda: ,,Maar dat hoeft ook niet. Zo'n langetermijnvisie zou de raad wel zelf moeten schrijven, dat soort dingen doen we ook. In 1995 bestonden we te kort om dat te kunnen.'' Ook OCW moet niet alles zelf doen, vindt oud-directeur-generaal Riezenkamp.

 

Politieke problemen

 

Maar Berenschot kan het beleid ook van zijn politieke lading bevrijden, zegt Drenth: ,,Een analyse als `Hoofdstroom-tegenstromen' roept vragen op. Als de ambtenaren zo'n rapport zelf maken, zijn ze minder vrij om van het beleid af te wijken, om een tegendraadse visie te geven. Als Nuis de vragen had moeten beantwoorden over wat zijn ambtenaren hadden geschreven, dan was hij in politieke problemen gekomen.''

 

Het aantrekkelijke van het huren van adviesbureaus voor de overheid is dat de geleverde rapporten een neutraal oordeel suggereren. Het beleid wordt gelegitimeerd met onderzoek. Het gevaar voor Berenschot is dat degene die geraakt worden door de rapporten, het bureau kunnen wegzetten als professionele gelijkgevers van OC, W. Zo schreef Drenth in 2003 een evaluatierapport over de cv-regeling, die het voor beleggers fiscaal lucratief maakt om in Nederlandse films te investeren. ,,Het kabinet wilde er vanaf. Berenschot bood daarvoor een instrument'', zegt Hugo Klaassen, financieel directeur van cv-bemiddelaar Fine.

 

Minister Zalm (Financiën) schrapte kort na het rapport de belastingssteun van 23 miljoen euro per jaar. ,,Het is geen geheim dat Zalm van de regeling afwilde'', erkent Drenth. Maar hij kon niet anders dan vaststellen dat aan doelstelling - de filmsector binnen vijf jaar op eigen benen - niet was was voldaan: ,,Ik heb er wel bij gezegd dat de doelstelling van meet af aan niet realistisch was.''

 

Toch ziet ook Berenschot het gevaar van `adviesverslaving' bij de overheid. Van Munster: ,,Je weet als overheid al bij voorbaat wat de uitkomst zal zijn, maar je huurt steeds weer een adviesbureau om het slechte nieuws te brengen. Maar de belangrijkste reden waarom het ministerie en de kunstinstellingen ons inhuren, is dat wij het overzicht en de frisse blik van de buitenstaander hebben.''

 

Khaldoun Elmecky, die zichzelf na de aanvaring bij Cosmic waarschijnlijk niet meer tot het netwerk van Ocker van Munster zal rekenen, zegt het iets anders: ,,In de kunstwereld lopen nogal wat ongeorganiseerde types rond. Een organisatie-kundige als Van Munster geldt dan al snel als zwaargewicht. Hij is gewoon koning Eenoog in het land der kunstenaars.''