Beginselloosheid als beginsel

 

Door Pamela Kribbe; De auteur is studente wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Leiden.

 

Sinds haar oprichting hebben de drie traditionele partijen D66 unaniem het gebrek aan een ideologische basis verweten. D66 heeft deze beschuldiging tot dusver eigenlijk nooit afdoende ontzenuwd. Dit wordt nog eens pijnlijk bevestigd door de opmerkingen van de Jonge Democraat Bart Streumer, die in de Volkskrant van 13 januari 1992 het ontbreken van ideologische uitgangspunten bij D66 in niet mis te verstane bewoordingen hekelt.

 

Het feit dat D66 zich niet wenst te beroepen op een traditionele ideologie noemt hij "gewoon belachelijk': "D66 moet zichzelf gewoon binnen de grote stroom van een hedendaagse ideologie plaatsen". Als dit de conclusie moet zijn van vijfentwintig jaar D66, dan zou de oorspronkelijke impuls tot oprichting van de partij volledig teniet zijn gedaan. De weigering van D66 zich vast te leggen op een ideologisch kader behoort immers wezenlijk tot haar identiteit.

 

Hoewel D66 nu door zowel vriend als vijand bestookt wordt met vragen over haar identiteit, heeft deze partij alle reden haar ideologie-neutrale uitgangspunt te beschouwen als een legitiem politiek wapen in plaats van als een zwaktebod. Er zijn zowel filosofische als politieke argumenten voorhanden die de zo betwiste beginselloosheid van D66 transformeren tot een bewuste politieke keuze, waarop zij zich juist zou moeten profileren. Deze argumenten vloeien voort uit een nieuwe visie op het politieke grondslagendebat als zodanig.

 

De aanzet tot zo'n nieuwe kijk op dit debat kunnen we vinden in de filosofie, waarin het postmodernisme sinds enige decennia furore maakt.

 

De term "postmodernisme' wordt tegenwoordig nogal losjes gebruikt. Postmodernisme in de filosofie wordt gekenmerkt door een kritische houding tegenover de traditie van de moderne filosofie, waarvan Descartes in het algemeen als de grondlegger wordt beschouwd. De kritiek van postmodernisten richt zich in het bijzonder op het objectiviteitsideaal dat filosofen in bovengenoemde traditie voor ogen stond. Dit ideaal dicteerde dat kennis (in de zin van een wetenschappelijke theorie of een wereldbeeld) alleen gerechtvaardigd is wanneer ze een ware representatie vormt van de objectieve werkelijkheid.

 

Volgens postmodernistische filosofen is dit beeld van gerechtvaardigde kennis inconsistent. Mensen treden de werkelijkheid namelijk altijd al tegemoet vanuit een bepaald referentiekader, dat hun denken en doen in hoge mate heeft gevormd. Mensen met verschillende culturele achtergronden benaderen de werkelijkheid vanuit verschillende referentiekaders. De pointe van de postmodernist is nu dat we er nooit achter kunnen komen welke van deze referentiekaders "objectief waar' is; daartoe zouden we boven onszelf moeten uitstijgen om onze "subjectieve' interpretaties van de werkelijkheid te vergelijken met de objectieve werkelijkheid. Het traditionele objectiviteitsideaal is dus onhoudbaar. Want, zoals de Amerikaanse filosoof Rorty het formuleert, "we cannot climb out of our own minds".

 

Traditionele ideologieŽn, zoals we die aantreffen bij socialisten, christen-democraten en conservatief-liberalen, beroepen zich op het bovengenoemde objectiviteitsideaal. Voorstanders van deze ideologieŽn voeren hun politieke programma terug op een extra-politieke levensbeschouwing, die religieus of filosofisch is geÔnspireerd. Zo'n levensbeschouwing bestaat uit een theorie over het wezen van de mens en de samenleving en is bedoeld om aan het politieke programma een objectief fundament te geven.

 

In het licht van de postmodernistische filosofie is het idee dat politieke programma's gerechtvaardigd dienen te worden door objectieve, algemeen geldige mensbeelden verwerpelijk. De postmodernist heeft een pragmatische houding tegenover het rechtvaardigen van kennis. Hij laat het streven naar objectiviteit plaatsmaken voor een streven naar solidariteit. Het acceptabel zijn van een bepaalde opvatting wordt niet meer afgemeten aan de mate waarin die opvatting overeenstemt met de "objectieve werkelijkheid' of het "objectieve wezen van de mens'. Criterium voor de legitimiteit van een overtuiging is de mate waarin iemand de leden van zijn gemeenschap op basis van argumenten kan overtuigen van zijn gelijk. Dit streven naar solidariteit op basis van vrije argumentatie kan alleen in een open, democratische, pluralistische maatschappij, waarin consensus de resultante is van machtsvrije communicatie. Het Utopia van de pragmatist is een radicaal gedemocratiseerde samenleving, waarin iedere burger de kans heeft deel te nemen aan een vrije en open uitwisseling van gezichtspunten.

 

Postmodernistisch pragmatisme is dus wezenlijk gekoppeld aan een democratische politiek. Het politieke, democratische beginsel van een vrije en open discussie tussen de leden van een gemeenschap staat hierin voorop en dient niet te worden voorafgegaan door een "funderende', zogenaamd objectief en universeel geldige filosofie over de mens en de samenleving. Politieke partijen die zich op een dergelijke ideologie baseren, vooronderstellen niet alleen een in filosofisch opzicht onhoudbare objectiviteitsnotie. Ze maken bovendien inbreuk op het aan een democratie eigen pluralisme van levensbeschouwingen. Ideologie -en, theorieŽn over de zin van het leven, metafysiche mensbeelden, religieuze of seculiere heilsleren; ze horen thuis in de privťsfeer, waarbinnen een ieder zijn eigen, individuele invulling kan geven aan deze kwesties. Een democratische partij in de ware zin des woords beschouwt alleen de democratische habitus als onaantastbaar en legt zich niet vast op extra-politieke beginselen. Zij beschouwt extra-politieke beginselloosheid als haar politieke beginsel.

 

Een postmodernistisch perspectief op het begrip "pragmatisme' stelt het ideologiedebat in de Nederlandse politiek in een nieuw daglicht. In dit debat komen de drie traditionele partijen, ondanks hun meningsverschillen, overeen in hun afwijzende houding ten opzichte van het pragmatisme van D66. "Pragmatisme' identificeren zij met ongeoorloofde beginselloosheid, ongrijpbaarheid en soms zelfs regelrecht opportunisme.

 

Als men echter aanknoopt bij de postmodernistische filosofie, dan krijgt het begrip "pragmatisme' een andere betekenis, die duidelijk dient te worden afgebakend van de bovengenoemde associaties. Voorzover het predicaat "pragmatisch' de bovengenoemde negatieve connotatie oproept, slaat het doorgaans op ad hoc-beslissingen die niet stroken met de voorafbepaalde beleidsstrategie, of op opportunistische beslissingen, die direct voordeel opleveren voor een kleine groep mensen. Deze vorm van pragmatisme treffen we nogal eens aan bij de uitvoerende macht. We kunnen hierbij spreken van een vulgair pragmatisme.

 

Het pragmatisme waar postmodernisten voor pleiten en dat kenmerkend is voor de identiteit van D66, is daarentegen een politiek beginsel. Dit beginsel luidt dat politieke afwegingen niet dienen te worden gestuurd door een vooropgestelde ideologie, maar door de werkelijke en veranderlijke consensus binnen de samenleving. Deze vorm van pragmatisme geeft richtlijnen voor de vertegenwoordigende macht. Het gaat hier om een gereflecteerd (in tegenstelling tot een vulgair) pragmatisme.

 

Gereflecteerd pragmatisme is onlosmakelijk verbonden met een strikt democratische grondhouding, die typerend is voor het karakter van D66. Een dergelijk pragmatisme kan tevens als anker dienen voor de combinatie van liberalisme en sociale bewogenheid, die D66 eigen is. Het liberale element, dat de consequentie is van een democratische grondhouding, is gelegen in de verwijzing van ideologische kwesties naar de privťsfeer, waarin individualisme en pluralisme op hun plaats zijn. Het sociale element vloeit eveneens voort uit het centraal stellen van democratisering. Radicale democratisering vereist namelijk dat alle burgers qua inkomen en qua opleiding geŽquipeerd zijn om actief te participeren aan open en vrije publieke debatten. Sociale ongelijkheid bedreigt machtsvrije communicatie en rechtvaardigt daarom een bijsturing van de vrije marktwerking.

 

Het predicaat "beginselloos' is dus alleen in een heel specifieke zin van toepassing op het pragmatisme van D66. Terwijl een vulgair pragmatist zijn eigenbelang laat prevaleren boven beginselen en in die zin "beginselloos' is, gaat het gereflecteerde pragmatisme van D66 wel degelijk uit van grondbeginselen. Deze beginselen verschillen echter daarin van traditionele grondbeginselen, dat ze politiek van aard zijn. Een politicus die een gereflecteerd pragmatisme voorstaat, stelt zich indifferent op ten aanzien van theologisch of filosofisch georiŽnteerde mens- en maatschappijbeelden. Hij baseert zich niet op extra-politieke beginselen en is in die zin "beginselloos'. Maar waar het gaat om de "democratische deugden' van openheid, respect, tolerantie en vrije gedachtenuitwisseling op basis van argumenten in tegenstelling tot geweld, stelt hij zich principieel op. Zo principieel, dat hij het vooropstellen van een bepaalde ideologie als een inbreuk op de democratische waarden beschouwt. In die zin is D66 democratischer dan alle andere democratische partijen in Nederland.