D66 is niet rijp om te regeren

de Volkskrant, Forum, 17 augustus 1994
DIRK-JAN VAN BAAR

Terwijl D66 op het punt staat toe te treden tot een door haar zo vurig verlangd paars kabinet, vraagt Dirk-Jan van Baar zich af wat deze partij daar te zoeken heeft. De Democraten hebben niet meer te bieden dan een - welkom - geluid aan de zijlijn.

(foto)

D66-leider Van Mierlo. FOTO ARENDA OOMEN

SINDS de verkiezingen van afgelopen mei heeft D66 de sleutel in handen voor de vorming van welk kabinet dan ook. Maar die sleutel breekt wanneer hij wordt omgedraaid. Een paarse coalitie kan iets nieuws inluiden, maar dan moet D66 zo'n kabinet bijeen houden en richting geven. De haat tegen het CDA is te gering om als bindmiddel te fungeren, terwijl het enige dat PvdA en VVD met elkaar gemeen hebben hun scepsis tegenover D66 is.

Toch valt nog te bezien of D66 door de andere partijen zal worden vermalen. Waar de verschillen tussen PvdA, CDA en VVD in de ogen van veel kiezers amper waarneembaar zijn, sluit D66 beter aan bij de postmoderne tijdgeest. Bij een politieke richtingenstrijd kunnen nog maar weinig mensen zich wat voorstellen, het bestaande is voor hen goed genoeg.

De tijd dat D66 (toen nog D'66) er alleen was om het politieke bestel op te blazen, is al lang voorbij. De partij heeft twee keer geregeerd (van 1973-1977 en van 1981-1982), zonder schokken teweeg te brengen. Het imago van D66 is dat van vleesgeworden keurigheid. Als redelijk alternatief (conservatisme in een progressief jasje) voor de traditionele en meer ideologisch ingestelde partijen heeft D66 zelfs een stabiliserende functie.

Overal in Europa zijn kiezers op drift, maar in Nederland kan de weifelende kiezer bij D66 terecht, een partij die zegt het ook niet te weten. Zo'n houding kan worden afgedaan als politiek zwaktebod (dat is het ook), maar veel mensen vinden dat eerlijk. Politici hebben veel te lang gedaan alsof ze het wèl wisten, en eigenlijk kan het moderne geëmancipeerde individu net zo goed op eigen kracht verder. Men kan kritiek hebben, op D66 of op het Nederlandse politieke bestel, maar van beide moet worden gezegd dat ze de stemming onder het kiezersvolk perfect weergeven.

Daarmee doet het bestel precies wat het in een democratie moet doen, maar voor de intellectuele voorgangers van D66 is dat niet genoeg. Zij klagen over de verstopte kanalen tussen burger en politiek, en 'een verstoring in de verhouding tussen private en publieke ruimte' (Jan Glastra van Loon). Politici worden gevoed door een zichzelf in stand houdend conglomeraat van ambtenaren en belangengroepen dat nog stamt uit de tijd van de verzuiling.

D66 wil daarom af van het evenredige kiesstelsel, en bepleit directe vormen van democratie om het contact tussen kiezer en gekozene te herstellen. De verkiezingsnederlaag van CDA en PvdA, die allebei de greep op hun achterban hebben verloren, bevestigt 'het gelijk van D66' (maar verklaart niet waarom CDA en PvdA in de jaren tachtig nog wèl veel stemmen haalden).

D66 haakt in op een onvrede die nergens zo groot is als in 'politiek Den Haag' zelf. Als de politiek in een vacuüm opereert, is dat niet alleen slecht voor de democratische pretentie van het systeem, maar dat systeem wordt ook minder effectief. Elk rapport over het functioneren van de overheid hekelt de verambtelijking, verkokering, specialisering en fragmentarisering. De geloofwaardigheid van de politici staat op het spel. De overheid wil regelen en beheersen, en frustreert initiatieven van de burger.

Die burger komt niet in opstand, maar verliest zijn belangstelling voor de publieke zaak, wat leidt tot verlies aan gemeenschapszin en verloedering. D66, de partij met de minste 'wortels' in het systeem, oogst sympathie met haar kritiek op een bedillerige overheid, maar staat daarin niet alleen.

De VVD wil de overheid klein houden, het CDA richt zich op het maatschappelijk middenveld en zelfs de PvdA wil privatiseren. Meer markt, de remedie van de gevestigde partijen, is voor D66 geen oplossing, want de particuliere sector toont eveneens kafkaëske trekken. D66 zoekt de uitweg in méér democratie, ondanks het feit dat de democratische experimenten uit de jaren zestig en zeventig met zoveel bureaucratie (zie de universiteiten) gepaard zijn gegaan. Als mensen iets beu zijn, is het alle pseudoinspraak en voorgekookte besluitvorming die dat heeft opgeleverd. D66 blijft echter vertrouwen op 'meer betrokkenheid van de mensen zelf'.

Behoudens een passie voor democratie, is het de vraag of het ideeëngoed van D66 uit meer bestaat dan het verlangen naar staatkundige hervormingen. D66 kiest voor 'betere politiek', een morele opstelling, maar gruwt van een moraliserende overheid of moraliserende politici. D66 profileert zich met begrippen als 'ecologische duurzaamheid', maar hoe de vloedgolf van milieuregels valt te rijmen met de wens tot meer individuele vrijheden laat zich raden.

Iedereen die een vinger achter het gedachtengoed van D66 tracht te krijgen, loopt tegen een muur op van ingewikkelde formuleringen en mensen die er persoonlijk net even anders over denken. D66 neemt afstand van elke ideologie, heeft wèl steeds meegewerkt aan 'progressieve politiek', maar de uitwassen daarvan zijn de schuld van de PvdA. D66 omhelst de democratie, maar schrikt terug voor de politiek van de straat en geeft de voorkeur aan academische vrijblijvendheid.

D66'ers zijn immuun voor zulke kritiek. Zij willen juist niet tot een partij behoren, maar vertegenwoordigen een mentaliteit waarbij men vragen stelt en geen pasklare antwoorden levert. D66 is dan ook ontsproten uit onvrede over de manier waarop het politieke spel wordt gespeeld, in achterkamertjes met allerlei vormen van list en bedrog.

Hans van Mierlo is geen politicus, maar een non-politicus die op morele gronden vindt dat de politiek zelf moet worden veranderd. Als geluid aan de zijlijn is dat op z'n plaats, maar ondertussen draaien hij en D66 wel gewoon mee. Dat maakt de zaken er niet gemakkelijker op, niet voor de kiezers, niet voor opponenten van D66, en evenmin voor D66'ers zelf. Zij worden in de dagelijkse politiek met heel wat minder verheven praktijken geconfronteerd, en staan voor de keus zich aan te passen aan de regels van het machtsspel, of ten onder te gaan.

D66 is een combinatie van redelijkheid en wereldvreemdheid. Op het wetenschappelijk bureau van D66 houdt men zich verre van strategieën of beleidsvraagstukken. Men wil er het denken over democratie bevorderen, analyses maken en probleemstellingen formuleren. Zelfs de pretentie dat D66 het beter zou doen dan andere partijen wordt er gerelativeerd.

Wel wordt er de noodzaak gesignaleerd dat D66 haar ideeën, die 'onaf' zijn en het risico met zich meebrengen als 'leuke ideetjes' te worden afgedaan, in een samenhangend kader plaatst en haar 'pragmatisme' analytisch weet te onderbouwen. Zo komt de noodzaak tot het hebben van een ideologie toch weer om de hoek kijken, en wie dat opmerkt wordt niet tegengesproken. D66'ers houden van paradoxen.

Zo'n open instelling zou een verademing zijn als de gevestigde partijen totaal door hun ideologie in beslag werden genomen. Maar de confessionele partijen, en vooral de KVP, zijn juist door hun wendbaarheid aan de macht gebleven. Toen de PvdA onder de invloed van Nieuw Links herideologiseerde, was dat voor Van Mierlo géén beletsel aansluiting te zoeken bij de sociaal-democraten. De verzuilde maar op praktische samenwerking gerichte jaren vijftig waren véél pragmatischer dan de 'bevrijdende' jaren zestig, waarmee Van Mierlo zich blijft vereenzelvigen. Daarmee laaft D66 zich aan een stilstaande bron. Verder kan men zich afvragen wat anno 1994 nog de waarde is van een pragmatische club, nu alle partijen zich op hun pragmatisme laten voorstaan.

Dat neemt niet weg dat de oproep tot 'een hernieuwd denken over de democratie' welkom is. Niet omdat democratie op zichzelf zo prachtig is, maar omdat we in een democratie leven waarin elk debat op eindeloos gezeur uitloopt en politici voor conclusies terugschrikken.

Zeker een club als D66, die de eigen politieke koers ondergeschikt maakt aan ambivalente wensen van de burger, moet niet verbaasd doen als het uiteindelijk toch weer ambtenaren zijn die de besluitvorming naar hun hand te zetten.

Jan Glastra van Loon, emiritus hoogleraar rechtsfilosofie en 'partijideoloog' van D66, meent dat een districtenstelsel het makkelijker maakt contact te leggen tussen kiezer en gekozene om hun verstoorde 'communicatie' te herstellen. Het is echter niet de kiezer, maar de gekozene die de kloof wil dichten. Het zijn politici die met referenda komen aanzetten. Zij zitten om legitimiteit te springen (voor democratische politici is dat het voornaamste instrument om politiek te bedrijven), maar de kiezers laat het onverschillig.

Onze politici zijn eerder te joviaal en nemen te snel de kleur van hun omgeving aan. Zij missen het gezag om aan deskundigen en belangengroepen partij te bieden. Wie wel eens Nederlandse parlementariërs heeft ontmoet, van welke partij dan ook, wordt getroffen door hun aanspreekbaarheid en verpletterende vriendelijkheid. Maar zelfs als zij zich, zoals Glastra van Loon wil, in 'gewone omgangstaal' uitdrukken (type Erica Terpstra van de VVD, van D66 schiet zo iemand me niet te binnen), blijft er een kloof bestaan.

De meeste mensen wantrouwen politici tot op het bot. Als mensen enig vertrouwen hebben in de politiek, dan geldt dat eerder het stelsel dan de politici. In een democratie zoals de Nederlandse, waar de scheiding der machten redelijk is gewaarborgd en nochtans grote individuele vrijheden bestaan, ligt dat voor de hand.

Het gaat te ver het Nederlandse politieke stelsel, dat op evenredige vertegenwoordiging berust, een legitimiteitscrisis aan te meten, om dan vervolgens te verwachten dat de situatie beter wordt door invoering van een districtenstelsel (of een referendum of een direct gekozen minister-president).

In Engeland, waar een districtenstelsel bestaat dat de grootste partijen bevoordeelt, zou D66 niet eens aan de bak komen. De aan D66 verwante liberaal-democraten willen juist een evenrediger vertegenwoordiging. Het Britse stelsel bevordert een politieke tweedeling, verscherpt ideologische tegenstellingen en zet vele burgers buitenspel. Allemaal nevenverschijnselen die D66 onwenselijk acht.

ALS mensen in Nederland de politiek beu zijn, komt dat niet door het bestel, maar omdat de huidige generatie politici er niet in slaagt zeer reële belangentegenstellingen voor het voetlicht te brengen. Het is misleidend als politieke partijen ideologische verschillen, waarover Hans van Mierlo zeer meewarig kan doen, gaan maskeren. Ook als die niet meer zo scherp zijn, wil dat niet zeggen dat ze er niet toe doen. De achterbannen van PvdA, CDA en VVD zijn niet inwisselbaar. Met vergaande ingrepen in de sociale zekerheid in het vooruitzicht, waarover geen van de partijen, ook D66 niet, tijdens de verkiezingscampagne erg duidelijk is geweest, is er reden een opleving in de politieke strijd te verwachten.

Op dit moment mag D66 het zeggen. Nederland heeft echter geen behoefte aan 'méér democratie', maar aan een goed stel regenten. D66 lijkt er trots op die niet te hebben.

Dirk-Jan van Baar is historicus.