Culturele armoede
Dirk Vlasblom 22 juni 2008

Waarom rechts populisme aanslaat bij laagopgeleide arbeiders

De linkse arbeidersklasse is verdwenen. Mensen uit de lagere klasse volgen nu vaak rechtse populisten.

Kwestie van cultuur, zeggen drie sociologen in hun boek ‘Farewell to the Leftist Working Class’.

HET KAN VERKEREN. Een eeuw geleden waarde een spook door Europa: het spook van een linkse arbeidersklasse.

Zodra zij stemrecht kregen, kozen handarbeiders massaal voor partijen die economische herverdeling in het vaandel schreven. De Amerikaanse socioloog Seymour Martin Lipset noemde dit stemgedrag ‘democratische klassens t r ij d ’. Nu heeft het Westen te maken met een nieuw fenomeen: een naar rechts opschuivende arbeidersklasse.

Steeds meer laagopgeleiden in West- Europa brengen hun stem uit op het Front Populaire, het Vlaams Belang, Lega Nord, de Lijst Pim Fortuyn en navolgers Wilders en Verdonk. Deze partijen willen ‘minder belastingen, minder criminaliteit en minder islam’ ( Wilders).

Ze roepen om orde en gezag, maar voeden het wantrouwen jegens overheden.

Ze zeggen op te komen voor de gewone man, maar hebben harde kritiek op de verzorgingsstaat, vanouds het vlaggenschip van links. Een spookbeeld voor sociale wetenschappers, want hoe valt dit te verklaren met bestaande theorieën?

De Rotterdamse sociologen Dick Houtman en Peter Achterberg, bijgestaan door hun Belgische collega Anton Derks, publiceerden zojuist het boek Farewell to the Leftist Working Class. Hun belangrijkste stelling luidt: de verrechtsing onder arbeiders is niet te verklaren met de klassentheorie. Volgens dit oude leerstuk laten burgers zich bij het uitbrengen van hun stem leiden door hun economische belangen. Houtman, Achterberg en Derks gebruikten onderzoeksgegevens uit West-Europa en de Verenigde Staten over stemgedrag, stemmotieven en prioriteiten van kiezers en toetsten daarmee een alternatieve culturele theorie van de politiek. Die komt hierop neer: naarmate een samenleving meer belang hecht aan culturele thema’s gaan laagopgeleiden rechtser stemmen, onafhankelijk van hun beroep of inkomen (‘klasse’).

Collega-sociologen zijn verdeeld. Professor Terry Nichols Clarke van de Universiteit van Chicago is ‘verrukt’ en laat per e-mail weten dat de drie auteurs ‘door verder te kijken dan traditionele economische kwesties een overtuigender verklaring geven voor nieuwe culturele tegenstellingen.’ Maar Wout Ultee, hoogleraar sociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, vindt dat het drietal cultuur als ‘stoplap’ gebruikt en onvoldoende aandacht heeft voor andere mogelijke verklaringen van opkomend populisme.

De auteurs van het boek vinden niet dat klassen in de moderne, postindustriële samenleving geen rol meer spelen. Nog steeds stemmen mensen op basis van economische gronden, zij het minder dan vroeger. Klassen zijn niet dood, zeggen Houtman, Achterberg en Derks, ze zijn levend begraven onder een laag culturele kwesties die sinds de jaren zestig steeds belangrijker zijn geworden: orde, vrijheid en de aanvaardbaarheid van culturele verschillen. Zo ontstond geleidelijk een nieuwe politieke cultuur, waarin laagopgeleiden vaker kiezen voor rechts, terwijl leden van de hogere middenklasse juist vaker stemmen op linkse partijen. vrijheid De schrijvers onderscheiden in westerse democratieën twee politieke waardedomeinen. Een is egalitarisme/ conservatisme – de keuze tussen economische herverdeling door de staat of een vrije markt. De ander is autoritarisme/ libertinisme – de keuze tussen handhaving van de maatschappelijke orde en bescherming van de individuele vrijheid. Tussen die twee waarden zou nauwelijks verband bestaan. Als je weet hoe iemand denkt over inkomensverdeling, kun je daar niet uit opmaken hoe hij denkt over de doodstraf. Autoritarisme zou niet het gevolg zijn van een laag inkomen, maar van een lage opleiding en gering ‘cultureel kapitaal’.

Dat laatste begrip ontlenen de auteurs aan de Franse socioloog Pierre Bourdieu, die het omschrijft als ‘het vermogen culturele uitdrukkingen te herkennen en hun betekenis te begrijpen’. Opleidingsniveau is een indicator voor cultureel kapitaal, zeggen de schrijvers.

De omkering in het vertrouwde patroon van een linkse arbeidersklasse en een rechtse middenklasse begon in de jaren zeventig met de opkomst van Nieuw Links, vertellen Dick Houtman, hoogleraar cultuursociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, en wetenschappelijk medewerker Peter Achterberg.

Houtman: “Dat was al een puzzel voor de sociale wetenschappen. Het protest ging namelijk uit van de middenklasse.

Tot die tijd leefde het idee dat het verzet tegen de heersende orde in moderne westerse samenlevingen komt van arbeiders. Ineens begonnen hoogopgeleide jongeren uit de middenklasse over een verstikkende samenleving en een technocratisch systeem, dat mensen opvoedde tot conformisme.

Vroeger ging ‘links’ vooral over economische verdelingskwesties tussen klassen en werd het gesteund door de maatschappelijke onderlaag die we ‘arbeidersklasse’ noemden. Sinds de jaren zeventig gaat het linkse vertoog steeds vaker over emancipatie, vrijheidsrechten en aanvaarding van culturele verschillen.

Die verschuiving van economische naar culturele kwesties ging gepaard met een verschuiving in de achterban.

Toen kinderen van de Nederlandse middenklasse voor links kozen, kwamen oud en nieuw links in botsing. De zware metaalsocialisten van de CPN stonden tegenover vrouwen in paarse tuinbroeken.

Vervolgens ging de CPN op in GroenLinks. Dat is in economische kwesties een progressieve partij, maar daar liggen culturele kwesties overheen.

Gevolg: geen arbeider die op GroenLinks stemt.” stille revolutie De Amerikaanse politicoloog Ronald Inglehart probeerde deze kentering te duiden in zijn boek The Silent RevolutionChanging Values and Political Styles among Western Publics (1977). Hij schreef dat als gevolg van de toenemende welvaart in het Westen mensen economische kwesties minder belangrijk gaan vinden, zodat meer ruimte ontstaat voor wat hij ‘postmateriële waarden’ noemde, zoals het primaat van het individu en zelfverwezenlijking.

Achterberg: “Dat klopt niet, blijkt uit onderzoek. Toenemende welvaart speelt een rol, maar is een marginale factor. Het ligt vooral aan moderniseringsprocessen als individualisering en secularisering.”

Individualisering en traditieverlies, zeggen Houtman en Achterberg, leidt bij de één tot sociale claustrofobie, de aandrang te ontsnappen aan het systeem dat mensen in bepaalde rollen dwingt; en bij de ander tot sociale pleinvrees, het verlangen naar een voorspelbare, veilige en vertrouwde wereld. De één zoekt individuele zelfverwezenlijking, de ander verlangt naar herstel van de sociale orde. Welke van deze ‘postmateriële’ waarden de overhand krijgt, zeggen de auteurs, ligt minder aan iemands economische positie dan aan zijn culturele kapitaal.

Houtman licht dit toe: “Opleiding wordt door sociologen vanouds gezien als indicator voor iemands positie in een systeem van sociale ongelijkheid, van klassen. Maar onze stelling is – en daar ligt heel veel empirisch onderzoek aan ten grondslag, dat in ons boek maar summier wordt behandeld – dat opvattingen over culturele kwesties juist afhangen van het opleidingsniveau en dat staat voor iemands culturele kapitaal, niet voor een bepaalde economische positie.”

Achterberg: “Ook aan de rechterzijde, in Nederland en elders, zie je sinds de jaren negentig een splitsing optreden, ditmaal in oud en nieuw rechts. De VVD heeft vanouds twee achterbannen: een neoconservatieve, autoritaire achterban en een oude middenklasse die in economisch opzicht conservatief is, maar op liberale gronden hecht aan individuele vrijheidsrechten. Dat is uitgedraaid op een breuk, en de breuklijn is een culturele.

Eerst ging Wilders eruit, toen Verdonk en volgens peilingen zijn die samen nu groter dan de VVD.”

Het nieuwe rechtse populisme à la Wilders en Verdonk oefent vooral aantrekkingskracht uit op laaggeschoolden, zeggen Houtman en Achterberg. Deze partijen zingen de lof van de Gewone Man. Hij wordt op een voetstuk gezet, want hij is gezagsgetrouw, betaalt belasting, werkt hard en is betrouwbaar.

Dit in tegenstelling tot allochtone uitkeringstrekkers die zouden parasiteren op de veel te vergevingsgezinde verzorgingsstaat.

Houtman: “Het egalitarisme van populistische partijen is flinterdun: de achterban is nog wel voor meer gelijkheid, maar dan vooral voor zichzelf.

Het gelijkheidsideaal is niet langer ingebed in een universalistische filosofie.

In het socialistische wereldbeeld was solidariteit een beginsel, dat diende als tegenhanger van rijken die voor zichzelf zorgden. Bij de laaggeschoolde onderlaag vind je alleen nog solidariteit die anderen uitsluit. Vroeger waren dat kapitalisten, nu zijn dat moslims en uitkeringstrekkers.

Bij de hogere middenklasse, de culturele elite, zie je juist vormen van kosmopolitisch burgerschap, een inclusieve rationaliteit. Het draagvlak van de solidariteit verschuift maatschappelijk gezien naar boven.” libertaire praat En boven’ is het draagvlak smaller. Achterberg: “Binnen de PvdA vindt niet alleen Arie van der Zwan dat de sociaal-liberale agenda is uitgewerkt en dat de partij terug moet naar de economische thema’s van de sociaal- democratie. Die critici zien dat de partij op economisch vlak naar rechts opschuift en ook nog eens libertaire praat uitslaat. Voor je het weet is er niemand meer over.” Houtman: “Ja, want als je belang hecht aan multiculturalisme en emancipatie kun je ook terecht bij GroenLinks. De winnende politieke formule op links is die van de Socialistische Partij. Als de maatschappelijke onderkant economisch links is en cultureel rechts – en ik denk dat dit zo is – dan heeft de SP meer dan andere partijen zo’n profiel. Economisch zeer links – herverdeling, bestrijding van armoede, steun voor de verzorgingsstaat – en inzake de multiculturele samenleving rechtser dan andere linkse partijen.”

Achterberg: “En populistisch: een partij die opkomt voor de gewone man.” weinig lezen De Nijmeegse hoogleraar Wout Ultee beaamt dat Houtman c.s. kernvragen van de hedendaagse politieke sociologie opwerpen. Ultee: “Z ij borduren daarbij voort op Inglehart (1977) en Lipset (1960) die ingingen op het afnemende verband tussen klasse en stemgedrag: handarbeiders die rechts, en hoofdarbeiders die links stemmen.

Lipset had het over working class authoritarianism.

Arbeiders zouden neigen naar conservatisme, maar ter bescherming van hun sociaal-economische belangen op linkse partijen stemmen.” In 1981 wees Lipset overigens op variabelen als lidmaatschap van organisaties, lage opleiding, weinig lezen en geringe politieke belangstelling ter verklaring van die neiging van de onderklasse tot autoritarisme.

Toch heeft Ultee aarzelingen bij de culturele theorie van het drietal: “Het is de vraag of de ontkoppeling van klasse en stemgedrag alleen een kwestie is van culturele bagage. Het aantal handarbeiders slinkt door de technologische ontwikkeling.

Een linkse partij die vooruit kijkt en aan de macht wil blijven of komen, weet dat en gaat zich in haar programma ook op de onderste lagen van de categorie hoofdarbeiders richten. De Nederlandse PvdA zag dit al in de jaren vijftig. Bovendien heeft de verzorgingsstaat veel overheidsbanen voor hoogopgeleiden geschapen, en de VVD heeft het nooit zo begrepen op door de overheid betaalde scholen en ziekenhuizen. Verpleegsters en onderwijzers weten dat ze het van de PvdA moeten hebben. Ayse Guveli heeft dit uitgezocht voor haar promotie aan het ICS Nijmegen in 2007.

Dat kan mede het afnemende verband tussen klasse en stemgedrag verklaren.”

“Zo bezien, vervolgt Ultee, “hoef je geen beroep te doen op cultuur, die stoplap. Ingleharts ‘postmateriële wa a r d e n ’ zijn verankerd in de nieuwe sociale structuur van een samenleving met hoge overheidsuitgaven voor verzorging.

Die waarden hebben geleid tot groen-linkse naast rood-linkse partijen.

En aan de rechterkant kwam naast fatsoenlijk rechts populistisch rechts, de hedendaagse uitdrukking van Lipsets ‘working class authoritarianism.” rationeel gezag Volgens Ultee speelt er nog een andere kwestie in de politieke sociologie: de teruggang van alle mainstream – linkse én rechtse – partijen in de VS en West-Europa sinds het begin van de jaren tachtig. “Die kwestie is opgeworpen door Manuel Castells in The Power of Identity uit 1998. Castells ontwikkelde hiervoor een eigen theorie, die Max Webers klassieke theorie over de legitimatie van gezag op losse schroeven zet. Weber onderscheidde rationeel gezag van traditioneel en charismatisch gezag, en zag een vermindering van traditioneel en charismatisch en een groei van rationeel gezag. Die trend is er niet; er is eerder een tendens naar meer charismatisch gezag ofwel populisme, terwijl rationeel gezag afneemt.

Volgens Castells komt dat door de logica van de media. Door de technologische ontwikkeling zijn er meer televisiekanalen gekomen en is er meer commerciële tv. De toenemende wedijver in de media leidt tot meer aandacht voor personen, omdat personen kijkcijfers verhogen. De media voeren personen ten tonele, maar laten hen ook weer van het toneel verdwijnen. De aanhang van populisten kan dus snel wegsmelten.”

“De oude theorieën over politiek en stemgedrag ,” zegt Ultee, “waren klassentheorieën.

Ze stammen uit een tijd waarin er nog geen algemene leerplicht was. We leven in een postindustriële maatschappij. Als klasse de ruggengraat van de samenleving was en deels nóg is, dan bestaat het ruggenmerg nu uit opleiding.

Dat is wel degelijk de belangrijkste dimensie van sociale stratificatie.

Die bepaalt beroepshoogte en al of geen werk. Opleiding – vooral bepaalde hogere opleidingen – predisponeert behalve tot stemmen voor een partij die de progressie in de belasting wil verminderen, ook tot stemmen op politici die mensen zelf laten beslissen over wel of geen abortus, met wie ze in bed liggen en aan wie ze hun erfenis nalaten.”

Een mogelijke conclusie uit het betoog van Houtman c.s. is deze: als het opleidingsniveau blijft stijgen, dan is er een grens aan autoritair stemgedrag. Houtman aarzelt: “Het hangt niet alleen af van het niveau, maar ook van de inhoud van het onderwijs. In samenlevingen die geen democratische traditie kennen, bestaat er geen verband tussen opleiding en cultureel kapitaal. Sovjetacademici werden geschoold in de leer van Marx en alles wat daar van afweek was burgerlijk en dus verwerpelijk. Het idee dat hoogopgeleiden altijd ruimerdenkend, toleranter en democratischer zijn dan laagopgeleiden, is een vooroordeel van de Verlichting. Je kunt uit een lage opleiding eigenlijk meer opmaken dan uit een hoge. Natuurlijk worden kennis, cognitieve vaardigheden en probleemoplossend vermogen overgedragen in het onderwijs, maar vooral een culturele habitus, waarden en normen.

En die zijn niet onveranderlijk. De laatste tijd kunnen onderwijzers zeggen dat de islam een inferieure traditie is, want vrijheid van meningsuiting is tóch belangrijker.’” vrijheidslievend Achterberg ziet wel een grens: “In Nederland gaat het gemiddelde opleidingsniveau nog steeds omhoog. En ook de laagopgeleiden zijn in de loop der tijd een beetje opgeschoven in vrijheidslievende richting.

Die zijn niet zwaar in de richting van het autoritarisme gegaan. Hogeropgeleiden worden in de loop van de tijd snel ruimerdenkend, lageropgeleiden veel langzamer en het verschil wordt groter.”

Volgens Houtman is er reden tot zorg: “Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is dat mensen gaan inzien dat populisme nergens toe leidt, teleurgesteld afhaken en gewoon niet meer stemmen.

Dan zijn we terug bij af. De tweede mogelijkheid is dat niet zozeer het vertrouwen in de zittende politici wordt opgezegd, maar dat vooral de structuren, de spelregels het moeten ontgelden. Als een meerderheid vindt dat de institutionele taaiheid niet meer te doorbreken is en dat allerlei democratische waarborgen het probleem zijn, loert er gevaar.

Je ziet dit nu al. Als een tbs’er op proefverlof een misdrijf pleegt, hoor je steeds vaker: opsluiten, geen gezeur.

Mensen storen zich aan eindeloze beroepsmogelijkheden, ze willen af van het ‘Haagse gedoe’. Maar dat Haagse gedoe, dat is de democratische rechtsstaat.”

Dick Houtman, Peter Achterberg & Anton Derks, Farewell to the Leftist Working Class, New Brunswick, 2008, 144 blz., ISBN 978-1- 4128-0693-0, US dollar 39,95.

Men is voor meer gelijkheid, maar vooral voor zichzelf
Converted with the trial version of Word Cleaner
To remove this message click here to buy the full version now.