Brinkman kiest voor het bestuur, de andere fractieleiders voor poltiek; Verlangens met een hoog Swiebertje-gehalte

 

Door Mark Kranenburg, Redacteur NRC Handelsblad

 

Lijkt het maar zo, of volgen de tekenen van bestuurlijke onmacht elkaar de laatste weken steeds vaker op? De ramp die de neergestorte Boeing 747 in de Bijlmermeer veroorzaakte, bracht tevens de chaos van de gemeentelijke bevolkingsadministratie aan het licht. Het bevolkingsregister bleek slechts één van de vele bronnen om te kunnen achterhalen wie er in de weggeslagen flats woonden. Ten minste zo behulpzaam waren echter de klantenadministraties van de diverse postorderbedrijven. Amsterdam weet niet meer waar zijn bewoners wonen, was dan ook de conclusie.

 

Het jongste voorbeeld van bestuurlijk onvermogen komt uit Groningen. Nog niet de helft van de in die stad verstrekte bijstandsuitkeringen blijkt volkomen rechtmatig te worden verleend. Van alle overige uitkeringen kloppen de door de ontvangers verstrekte gegevens niet, zo blijkt uit een representatieve steekproef onder de 18.000 ontvangers. Het probleem is slechts gesignaleerd, de fraudeurs zijn nog niet gevonden. De conclusie ligt voor de hand: Groningen weet niet waar zijn uitkeringen zitten.

 

Keer op keer zijn er de illustraties van het falen van de instanties. Ze komen allemaal terecht op de grote hoop met klachten over de bestuurders van het voor het overige zo tevreden Nederland, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs nog eens vaststelde. Er is wat mis met dè overheid, hèt bestuur en dè politiek. De één noemt het met een romantische ondertoon de Italianisering van Nederland, de ander de afbladdering van ons mooie nationale huis. Diverse processen lopen door elkaar heen: meer regelgeving, complexere regelgeving, door Europa opgelegde regelgeving, gedecentraliseerde regelgeving, geprivatiseerde regelgeving. De gemiddelde burger houdt het allang niet meer bij. Hij hoeft het ook niet. Daarvoor delegeert hij de macht eens in de zoveel jaar met zijn gang naar het stembureau aan de politicus in wie hij vertrouwen stelt. Maar het beeld dat nu opdoemt, is dat die politicus het zicht ook is verloren. "Ze' in Den Haag zijn de leiding kwijt en daarmee raakt hun gezag langzaam maar zeker aangetast. Het gevolg daarvan is dat "ze' nog geïsoleerder raken en terechtkomen in een draaikolk van onmacht. Nederland is ziek, constateerde de minister-president nadat hij al acht jaar leiding had gegeven aan het land.

 

In de krantekolommen woedt het debat over het publieke ongenoegen. Veel over de politiek, maar weinig bijdragen vàn de politiek. Daar is nu een einde aan gekomen. Het antwoord van de politiek is op vier plaatsen gegeven. D66-leider Van Mierlo opende twee weken geleden de rij in de door hem uitgesproken Coornhertrede, fractievoorzitter Brinkman van het CDA gaf zijn antwoord vorige week in een toespraak bij een symposium van Bureau Berenschot, PvdA-fractievoorzitter Wöltgens levert een bijdrage aan het debat met zijn donderdag verschenen boek Lof van de politiek en hetzelfde doet de fractievoorzitter van de VVD, Bolkestein in zijn eveneens donderdag verschenen boek Woorden hebben hun betekenis.

 

Met nog bijna anderhalf jaar te gaan voor de volgende Tweede Kamerverkiezingen zijn de politci naarstig op zoek naar hun speelveld. Over de doelen van het spel als zodanig staan in deze tijd van ontideologisering de meningen niet echt diametraal tegenover elkaar. Om het in coalitietermen uit te drukken: iedereen kan met een beetje goede wil met elkaar regeren. Het verschil zit veel meer in de bepaling van het speelveld. Wat is nog het domein van de politiek? Dat wordt steeds meer de discussie. Politici stellen de vraag: als we gaan besturen, waarover gaan we dan nog besturen. Wat in die discussie opvalt, is de toch betrekkelijk eenzame positie die CDA-leider Brinkman inneemt.

 

Bij het symposium van Berenschot presenteerde hij een moderne variant op de tien geboden in de vorm van tien uitdagingen. De CDA-premier in opleiding vroeg onder andere om gemeenschapszin, eigen verantwoordelijkheid, erkenning van het gezag, en herstel van het normbesef. Brinkman: "Het gaat om de overheid die met de samenleving de uidagingen van komende jaren aanpakt. Niet een overheid en samenleving die tegen elkaar opstaan met steeds meer regels, steeds meer sancties, steeds meer mazen, steeds meer ontduiking, steeds meer spanning. Niet een burgemeester uit de tijd van Swiebertje. Wel een overheid en een samenleving die van de openheid en het onderling overleg van latere jaren dan de jaren vijftig hebben geleerd".

 

De politicus die appelleert aan het saamhorigheids- en verantwoordelijkheidsgevoel van de burger: als geen ander blijft Brinkman maar op dat aambeeld hameren en in die zin kan hem profilering niet worden ontzegd. Zijn ideaalbeeld van de maatschappij van de jaren negentig is die waarin de laatste restanten van de jaren zestig zijn opgeruimd, zoals hij onlangs nog in een toespraak tot hoofdredacteuren zei. Een maatschappij waarin jongeren 's avonds niet gewapend met messen in verlaten winkelstraten ronddolen, maar samen gelukkig zijn om het biljart als ze tenminste op dat moment geen taak in het kader van hun sociale dienstplicht hebben te vervullen. Het zijn toch allemaal verlangens met een hoog Swiebertje-gehalte die hopman Brinkman vraagt.

 

Dat hij daarbij het eerst D66-fractievoorzitter Van Mierlo op zijn weg vindt, is niet zo verwonderlijk. Hij is nu eenmaal de personificatie van de jaren zestig, waarin op soms hardhandige wijze werd afgerekend met de zo overzichtelijke Nederlandse zuilenmaatschappij. Degene die zich ontworstelde aan de beklemmende sfeer van het groepsdenken en -leven versus degene die daar zo graag naar zou willen terugkeren: dat moet wel op een clash uitlopen. Dat gebeurde dan ook al bij de kabinetsformatie in 1989, toen D66 door toedoen van het CDA buiten spel werd gezet. Daar lagen natuurlijk allereerst politiek strategische overwegingen aan ten grondslag. D66 was niet nodig om een meerderheid te vormen, maar zou daarentegen wel een cruciale "wippositie' kunnen innemen. Maar er waren ook de onderliggende ressentimenten tegen de vrijdenkers van D66 met hun "individualiseringsdogma' dat een bijna niet te overbruggen culturele kloof vormde en nog steeds vormt met het CDA. Het leidt tot een groot wantrouwen.

 

Hetzelfde wantrouwen overigens dat een man als VVD-fractievoorzitter Bolkestein bij grote delen van het CDA weet op te roepen. Met zijn opvattingen over sociaal-economische onderwerpen hebben ze geen probleem, maar op het immateriële vlak is het toch allemaal iets te veel "grachtengordel'. "Het is de overtuiging van liberalen dat de gemeenschap ermee is gediend wanneer rechten en verantwoordelijkheden zo dicht mogelijk bij het individu worden gelegd. Juist wanneer de verantwoordelijkheid op het collectief kan worden afgeschoven, volgt erosie van de gemeenschapszin", schrijft Bolkestein in het eerste hoofdstuk van zijn boek. Het lijkt op Brinkman, maar waar Bolkestein spreekt over individu, heeft de CDA-fractievoorzitter het juist over verbanden.

 

De controverse tussen Brinkman en Van Mierlo (maar in dit geval zou voor de naam van de D66 leider ook gemakkelijk die van Bolkestein kunnen worden gelezen) is terug te voeren op de schuldvraag van de collectieve verlamming die de relatie tussen de overheid en haar burgers lijkt te beheersen. In zijn Coornhertrede zette Van Mierlo het verschil helder uiteen. "De overheid ziet de burgers als calculerende individuen, gericht op het eigenbelang en steeds moeilijker aanspreekbaar op haar collectieve verantwoordelijkheden. (...) Ik geloof niets van dat egoïsme en van die aantasting van solidariteit. Ik zie er ook niets van. Ik zie wel een toenemende onverschilligheid en een egoïsme, dat er overigens altijd al is geweest, maar dat heeft niets te maken met het individualiseringsproces. (...) Ik draai het om en zeg dat één van de redenen waarom de binding tussen burger en de publieke zaak kleiner en kleiner wordt - waardoor onverschilligheid wordt aangewakkerd en de "ieder voor zich en God voor ons allen houding toeneemt - juist ligt in het feit dat te lang en te krampachtig wordt vastgehouden aan de illusies van een oude maatschappij en te weinig ruimte wordt gemaakt voor die verzelfstandiging van het individu, terwijl de behoefte daaraan alleen maar toeneemt."

 

Even later in zijn toespraak raakt Van Mierlo helemaal een gevoelige snaar bij Brinkman als hij stelt dat te te vaak vergeten wordt dat eigen belang en moraal oorspronkelijk in elkaars verlengde liggen: Ik zal niet doden omdat ik niet gedood wil worden; ik zal niet stelen omdat ik niet bestolen wil worden. Brinkman noemde dat vorige week een "wezenlijke ontkenning van welgemeend altruïsme dat ieder mens evenzeer kent. Zo slecht is de mens nu ook weer niet geschapen, zegt de hedendaagse calvinist in mij."

 

Er is zo'n wereld van verschil als het gaat om de oorzaken van de kloof, dat een oplossing bij voorbaat is uitgesloten. Consensus zou slechts kunnen worden gevonden door het laten voortduren van de status quo. Wil Brinkman op zijn ingeslagen weg verder dan kan hij in eerste instantie nog het best terecht bij zijn huidige coalitiegenoot, PvdA-fractievoorzitter Wöltgens, die eerder al de term "moreel ondernemerschap' introduceerde. In zijn eergisteren gepubliceerde boek zegt hij: "het is aan de politicus om het politieke draagvlak te creëren voor de oplossingen van de grote of kleine problemen van de samenleving. Dat betekent niets anders dan de overdracht van normen en waarden. De politicus is zedenmeester, maar pas als hij erin geslaagd is de samenleving te doordringen van zijn opvattingen wordt zijn morele opvatting deel van de consensus die onze constitutie vormt, of van het ethisch minimum dat de staat zich mag veroorloven zonder als zedenmeester ervaren te worden".

 

Wöltgens vindt dat van mensen meer mag worden gevraagd dan het welbegrepen eigenbelang. Er is als het ware een gemeenschappelijk belang dat het individu niets oplevert, maar de samenleving wel. Hij is ervan overtuigd dat mensen daarop kunnen worden aangesproken en dat een politicus de taak heeft dat te doen.

 

Maar Wöltgens laat Brinkman in de steek als het gaat om het primaat van de politiek. Dan meldt hij zich weer aan bij de twee oppsositionele fractievoorzitters Van Mierlo en Bolkestein. Een verkleining van de politieke invloed op de overheid is volgens Wöltgens zeer wenselijk. Hij toont zich in zijn boek een warm voorstander van privatisering van de uitvoerende diensten. Maar in de kern van het bestuur zal het primaat toch bij de politiek moeten liggen die de keuze moet maken tussen de diverse belangentegenstellingen. Het is de overheid, die niet voor niets als enige over dwangmiddelen beschikt om ècht overheid te kunnen zijn, die de beslissingen zal moeten nemen. Dan heeft hij weinig aan de boodschap van Brinkman, als beschermheer van het maatschappelijk middenveld, om de eerst betrokkenen er toch vooral samen uit te laten komen.

 

Brinkman kiest voor het bestuur, de overige drie kiezen voor de politiek. Het verschil is niet nieuw, het is alleen door de toespraken en de recent verschenen boeken weer manifest geworden. Of het van invloed is op de samenstelling van een toekomstig kabinet is zeer de vraag. Formaties hebben de neiging zich te beperken tot "brood en boter' onderwerpen. Dan gaat het toch allereerst om een keuze tussen het vooruitgangsgeloof van Bolkestein en het doemdenken van Wötlgens over de ecologische kwestie. Het domein van de politiek en de morele normen van de politicus worden liever bewaard voor buiten Den Haag. Op dat vlak verandert er dan ook niets. De overheid zal blijven klagen over de calculerende burger; de burger op zijn beurt zal blijven klagen over "ze' in Den Haag.