Boosaardige geschiedschrijving

 

Kees van der Malen

 

E. van Thijn: Dagboek van een minister 288 blz., Van Gennep 1994, f. 34,50

 

"Heb je de nieuwe Van Thijn al gelezen?". "Nee, maar hij moet schitterend zijn. Nog mooier dan zijn vorige." "Kan hij dat allemaal opschrijven, wat daar achter gesloten deuren gebeurt?". "Weet ik niet, maar het is goed dat iemand die rotzooi in Den Haag blootlegt."

 

Ed van Thijn, de voormalige minister van binnenlandse zaken, heeft inderdaad een schitterend boek geschreven. Een politieke thriller, niet gebaseerd op fictie, maar op zijn eigen lotgevallen: van de burgemeester van Amsterdam, die minister van binnenlandse zaken wordt en nauwelijks vijf maanden later weer op de keien staat. Een episode, waarin zich ook de onttakeling van het CDA, de teloorgang van Lubbers en de komst van een CDA-loos kabinet voltrekt.

 

Spannend is zijn rondreis door politiek sprookjesland, onthullend ook. Debatten uit de ministerraad, verslagen van het bewindsliedenoverleg van de PvdA, inkijkjes in het ministerie van binnenlandse zaken, persoonlijke correspondentie, vertrouwelijke gesprekken. Ed van Thijn lijkt de lezer niets te willen onthouden van wat zich in de beslotenheid rond het Binnenhof voltrekt. Als een journalist-in-vermomming licht hij de ene tegel na de ander. En daar begint het dagboek tegelijk te wringen.

 

Hoever mag een ex-minister, en dan nog één die zich verantwoordelijk wist voor de zuiverheid van het openbaar bestuur, gaan? Mag hij klappen uit de ministerraad? Officieel niet, want voor het daar besprokene geldt een geheimhouding van twintig jaar. Mag hij uit vertrouwelijke correspondentie citeren? Fatsoenlijk is het in elk geval niet.

 

Waarom heeft Van Thijn zijn dagboek over een nog nauwelijks voorbije periode gepubliceerd? Is het rancune, een afreking voor alles wat hem in Den Haag overkwam? Moest hij een boze droom van zich af schrijven? Nee, verantwoordt hij zich. Hij heeft alleen een bijdrage willen leveren aan de parlementaire geschiedschrijving.

 

Inderdaad, maar dan op een behoorlijk boosaardige manier. Van Thijn legt zo ongeveer een bommentapijt over het Binnenhof met gedetailleerde beschrijvingen van wat hij meemaakte: de spelletjes van Lubbers, de ongrijpbaarheid van Hirsch Ballin, het chagrijn van Kok, de ambitie van Kosto, het gedram van Maij-Weggen. Ieder krijgt zijn deel

 

En Van Thijn zelf, die lijkt het allemaal te overkomen. Als een novice die belandt is in een smerig roversnest doet hij quasi-verwonderd verslag. In het kabinet breken ze elkaar de benen en bij de PvdA krabben ze elkaar de ogen uit. Waarvoor was hij eigenlijk naar Den Haag geroepen, vraagt hij zich af. Maar overkwam het hem ook allemaal? Natuurlijk, de Partij van de Arbeid had heftige, om niet te zeggen onfatsoenlijk zware druk op hem uitgeoefend om minister te worden. Ien Dales was nog geen dag overleden of de burgemeester van Amsterdam vond een fax op zijn Spaanse vakantieadres die hem het pistool op de borst zette. "Ed, we hebben je nodig", zou Wim Kok later nog zeggen. Als hij toch betrekkelijk snel besluit 'ja' te zeggen blijft het niettemin zijn eigen beslissing om "op een ijsschots richting zomer te stappen".

 

De oud-burgemeester komt zichzelf vervolgens snel tegen als de etterende zweer die IRT heet, openbarst. Hij raakt verstrikt in zijn verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Het is even ongelooflijk als deerniswekkend om van dag tot dag te lezen hoe Van Thijn weigert in te zien dat hij in een onmogelijke positie is beland. Terwijl de ijsschots zienderogen onder zijn voeten afbrokkelt, houdt hij onwrikbaar vast aan zijn gelijk.

 

Om zijn gelijk te houden, moet hij zich in zijn boek wel van een paar streken bedienen. De slachtoffers zijn Wiarda en Hirsch Ballin. De één is hoofdcommissaris in Utrecht, de ander was minister van justitie. Wiarda was in de IRT-zaak de rivaal van Amsterdam, de man die de Amsterdamse methodes bestreed, de man die op voet van oorlog raakte met zijn collega Nordholt. In de dagboeken duikt hij op als kandidaat voor de functie van hoofdcommissaris van politie in Amsterdam in 1987. Nordholt had als eerste geweigerd en Van Thijn raakte in gesprek met Wiarda. Bij het derde gesprek liep het echter spaak. Waarom? "Hij had te veel noten op zijn zang", aldus Van Thijn. Dat kan zo zijn, maar verschaft dat Van Thijn een alibi om zoveel jaar later tegenover Wiarda de vertrouwelijkheid van de sollicitatie te schenden?

 

En Hirsch Ballin, de andere rivaal in de IRT-kwestie. Die moet eigenlijk niet zeuren over de gedragingen van Nordholt als Amsterdamse politiecommissaris. Was het niet Hirsch Ballin die november vorig jaar uitgerekend Nordholt vroeg op het departement van Justitie directeur politie te worden, zo openbaart Van Thijn. Hij meldt dat in zijn dagboek op 21 maart, op een moment dat Hirsch Ballin maatregelen voorstaat tegen de hoofdrolspelers in de IRT-zaak, waar hij die zelf juist wil verijdelen. De bedoeling is duidelijk: hier moet Hirsch Ballin beschadigd worden.

 

In de politiek gaat het zelden irenisch toe. Waarom dan gezeurd? Het is toch een prachtig boek? Waar lees je nou verder dat een minister zich na inspannende besprekingen van de Kroon door zijn chauffeur naar de Febo laat rijden.

 

Ed van Thijn was minister geworden, voor korte duur weliswaar, maar daar draagt hij zelf ook verantwoordelijkheid voor. "Nog bedankt, Ed", citeert hij Wim Kok als deze hem op 17 augustus meedeelt dat er voor hem geen plaats is in het paarse kabinet. Van Thijn heeft zijn verhaal dan rond: het verhaal van een gelauwerd burgemeester die omwille van de partij minister is geworden en dat duur moet bekopen. Nergens een begin van een aarzeling, laat staan de gedachte dat een terugkeer als minister in zijn situatie gewoon niet meer kon.

 

Onbetwist is dat Van Thijn voor de tweede keer in zijn leven een briljant chroniqueur is van zijn eigen nederlaag. Maar anders dan bij zijn Dagboek van een onderhandelaar - over de mislukte formatie van het tweede kabinet-Den Uyl - blijft na het lezen van zijn Dagboek van een minister een rare smaak achter.