Bezuinigingsplan miskent het eigen karakter van de universiteit

 

P.A. Verheyen; P.A. Verheyen is hoogleraar bedrijfseconometrie aan de Katholieke Universiteit Brabant en oud-voorzitter van het college van bestuur van de KUB.

 

De voorstellen voor bezuinigingen op het hoger onderwijs zijn oppervlakkig en onjuist onderbouwd, vindt Piet Verheyen. Argumenten uit de markteconomie kunnen niet worden gebruikt om non profit-instellingen als universiteiten te beoordelen.

 

Na het verschijnen van de Regeringsverklaring, waarin een korting van 500 miljoen gulden aan het hoger onderwijs werd opgelegd, wordt in verschillende beleidsadviezen aangegeven hoe deze korting kan worden geŽffectueerd.

 

Hoewel ik het met de korting niet eens ben, wil ik op de korting zelf niet reageren. Ik verzet mij alleen tegen de argumenten die gebruikt worden om de korting te onderbouwen en richt mij op twee recente voorbeelden hiervan.

 

Enkele weken geleden werd in deze krant (30 september) het rapport van CSHOB (Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid) en IOO (Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven) besproken, waaruit zou blijken dat de universiteiten in totaal zes procent of 200 miljoen gulden goedkoper worden als de meest doelmatige faculteiten als voorbeeld zouden worden genomen. In het onderzoek staan de uitgaven per student centraal, dus de totale exploitatie-uitgaven, inclusief de uitgaven voor contractonderzoek, gedeeld door het aantal studenten. EfficiŽnte instellingen hebben per student de laagste uitgaven. De minder efficiŽnte instellingen - ze gebruiken meer middelen dan de efficiŽnte instellingen - kunnen dus efficiŽntie-winst behalen. In Nederland zou zo een efficiŽntie-winst bereikbaar zijn van circa 6 procent. Weliswaar staat deze conclusie verscholen in de tekst van het rapport en niet in de conclusies, maar wel stond deze conclusie in alle publicaties over dit onderzoek.

 

Het tweede voorbeeld is het rapport van het ministerie van financiŽn met een argumentatie voor een bezuiniging van 600 miljoen gulden door het samenvoegen van opleidingen met weinig studenten (sterrenkunde) en door het opheffen van opleidingen moderne westerse talen, van een medische faculteit en mogelijk van een juridische (effect 200 miljoen gulden), door te snijden in overhead (80 miljoen) en onderzoek (100 miljoen) et cetera.

 

Oppervlakkig gesproken klinken de voorstellen redelijk. Iedereen kent wel een publicatie van een 'kritische' wetenschapper die op de inefficiŽntie heeft gewezen of heeft wel een oordeel over de vergadertijd van de universiteitsraden. Toch is dit een te oppervlakkige en onjuiste onderbouwing van de voorstellen. Om dit te verduidelijken moet ik eerst mijn uitgangspunt verduidelijken.

 

De laatste tijd wordt er veel aandacht geschonken aan de non profit-sector en aan de economische regels die hier gelden. De algemene conclusie is dat er drie sectoren in de economie te onderscheiden zijn, namelijk de markteconomie met het prijssysteem, de overheidssector met een centrale leiding van de minister en de non profit-sector. In deze laatste sector wordt aan zelfstandige rechtspersonen zoals universiteiten, ziekenhuizen en musea een bepaalde taak van de overheid opgedragen en hiervoor worden financiŽle middelen toegewezen. De instellingen willen met deze beperkte middelen de kwaliteit van de dienstverlening maximaliseren.

 

De middelen worden toegewezen met behulp van globale sleutels. Zo geldt voor de universiteiten, dat het onderwijsbudget gelijk is aan het aantal 1e, 2e, 3e, 4e jaarsstudenten plus doctoraaldiploma's, vermenigvuldigd met een lage prijs voor alfa- en gamma studenten (5.000 gulden) en met een hoge prijs voor studenten in de bŤtawetenschappen, medicijnen en techniek (7.500 gulden) en dat het onderzoeksbudget drie elementen kent, namelijk een basisvoorziening gerelateerd aan het onderwijs, een vergoeding voor promoties en een onderzoekcomponent. Tegenover dit budget hebben de universiteiten als taak studenten op te leiden en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Deze taken worden gecontroleerd door visitatiecommissies. Het is dus een budgetsysteem met een duidelijke relatie tussen taak en geld.

 

Opmerkelijk is dat de voorstellen van de beleidsvoorbereiders met deze economische structuur geen rekening houden. In het onderzoek van CSHOB en IOO wordt geconcludeerd dat de universiteiten inefficiŽnt zijn of, met andere woorden, dat de non profit-instellingen slecht geleide profit-instellingen zijn; minimalisering van de kosten bij een gegeven produktie is namelijk een doelstelling uit de markteconomie, terwijl maximalisering van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek een doelstelling van de universiteit is. In het onderzoek van FinanciŽn wordt verondersteld dat de minister kan ingrijpen in de universiteiten en zo de overhead kan verlagen. Men veronderstelt dus dat de universiteiten een deel zijn van de overheidsbureaucratie en vergeet dat de universiteiten zelfstandige rechtspersonen zijn met een eigen management.

 

Zelfs als men de voorstellen in het licht van het geldende budgetsysteem beoordeelt, zijn ze onjuist: de toewijzing van de middelen is niet zo specifiek, dat op basis van een onderzoek een gedetailleerde korting voor 'inefficiŽntie' kan worden opgelegd en het bijeenvoegen van kleine opleidingen heeft geen effect omdat de universiteiten niet per opleiding, maar per student worden betaald. De financiering is niet afhankelijk van het aantal opleidingsplaatsen.

 

Elke economische structuur kent haar eigen wetten en regels. De decentralisatie heeft tot gevolg dat zelfstandige organisaties een deel van de overheidstaak uitvoeren. Gegeven de middelen moet de taakuitvoering van deze non-profit organisaties worden gecontroleerd en als de beoordeling onvoldoende is, moeten maatregelen worden genomen.

 

In Nederland worden door visitatiecommissies en door studentenenquÍtes (Elsevier, 29 oktober) oordelen uitgesproken. Opmerkelijk is dat alle 84 opleidingen die in dit weekblad worden genoemd door de studenten positief worden beoordeeld en dat de output van het onderzoek sterk is verbeterd. Het aantal publicaties en proefschriften is in de afgelopen tien jaar verdubbeld. Duidelijke oordelen over de kwaliteit zijn nodig en de financiering van de instellingen moet met deze eigen taak van de universiteiten samenhangen. Argumenten uit de markteconomie of uit de overheidsbureaucratie kunnen niet gebruikt worden om universiteiten te beoordelen.