De acceptatie neemt af en niemand weet er raad mee

 

Door Ed van Thijn

 

De recente ontwikkeling van onze samenleving wordt wel gekenschetst met het begrip individualisering. Maar hoe verhoudt die trend zich met het multi-culturele karakter dat die samenleving steeds meer krijgt? Wat moet de politiek aan met de toenemende weerstand tegen migranten?

 

In zijn vorige week gehouden Van Randwijk-lezing ging burgemeester Ed van Thijn uitvoerig in op deze vragen. Hier enkele fragmenten uit zijn tekst.

 

"Migratie is van alle tijden' schreef Jan Pronk onlangs in een moedig, fundamenteel en grensverleggend artikel.

 

Maar in de wereld van vandaag, die almaar kleiner wordt, terwijl de bevolking explosief toeneemt, zal de migratie alleen nog maar verder toenemen. Tientallen miljoenen mensen over de hele wereld zijn on the move.

 

Veruit de grootste aantallen migreren binnen Derde-wereldlanden: van het platteland naar de grote steden, die dan ook groeien als kool. Grote aantallen verhuizen ook binnen continenten van het ene land naar het andere (van Bangladesh naar India, van Mexico naar de VS). Het aantal migranten dat van continent naar continent trekt is, daarbij vergeleken, nog bescheiden. Natuurlijk is het rijke Europa erg in trek. Maar daarvan heeft tot voor kort Duitsland het leeuwedeel (namelijk 80 procent) voor zijn rekening genomen. Tot nu toe is Nederland met een positief migratiesaldo van 60.000 per jaar "goed weggekomen'.

 

"Is met zo'n aantal "een kritische grens' bereikt?", vraagt Pronk zich, in navolging van premier Lubbers, af. Eigenlijk niet, zo luidt zijn conclusie. Ik noem drie van zijn argumenten. Tegenover het recht van een Westerse samenleving om de migratie te beheersen plaatst hij "het fundamenteel recht van ieder mens om daar te leven en te werken waar hij of zij dat wil, mits daardoor hetzelfde recht van anderen niet wordt aangetast".

 

Pronks tweede argument verwijst naar Europa. "Europa is geen Middeleeuwse veste die haar poorten kan sluiten voor de buitenwereld. Het is een Europees eigenbelang dat die poorten open zijn, de bruggen neer, de ether vrij, de afstanden kort en de transportkosten laag", aldus Pronk. "Geen Fort Europa dus - noch voor goederen, noch voor mensen."

 

Dit argument, hoe juist ook, roept wel een nieuwe vraag op. Hoe bezien wij in dit verband onze relatie met Duitsland, dat, sinds "die Wende', naast de verhuizing van 900.000 voormalige DDR-burgers naar het Westen, naast de "terugkeer' van 1.200.000 Duitsers uit de rest van Oost-Europa, 670.000 asielzoekers en 730.000 burgers uit "derde landen' heeft opgenomen, zonder dat Nederland (zomin als enig ander EG-land) een krimp heeft gegeven?

 

Als wij werkelijk vinden dat er geen Fort Europa zou moeten zijn, dan is het minste wat er moet gebeuren - bij ontstentenis van een Europees beleid - een bilaterale afstemming van het vluchtelingenbeleid van beide landen, zoals ook de gulden en de D-mark - dwars door de monetaire stormen heen - aan elkaar geklonken zijn. Wij zouden dan onze woedende briefkaarten alsnog frankeren.

 

Pronks derde argument is, erkennende dat een zekere beperking geboden is om het immigratieproces beheersbaar te houden, dat een absoluut kritische grens niet is vast te stellen, omdat deze mede afhankelijk is "van de sociaal-psychologische acceptatie en van het gevoerde beleid'. Hier wordt een groot woord gelaten uitgesproken. Hoe meet je die sociaal-psychologische acceptatie? Met opinie-onderzoek?

 

Volgens 48 procent van de ondervraagden is de maat vol. Met de verkiezingsvoorspellingen? De aanhang van de PvdA staat al jarenlang op instorten. Met de opkomst in de oude wijken van de grote steden? Het merendeel van de mensen heeft de politiek de rug toegekeerd. Met de opkomst van extreem-rechts? Ik hou maar op. Is er wel een migratiebeleid te voeren in een zich snel individualiserende samenleving? Kan de politiek het zich wel veroorloven om op dit soort punten de oren te laten hangen naar het "sociaal-psychologisch' klimaat? Zo nee, hoe moet dan worden omgesprongen met de snel toenemende kloof tussen politiek en burger? Heeft de politiek nog wel vat op de snelle veranderingen in onze samenleving?

 

Nederland moet op zijn tellen passen. Een verminderde rol van de verzorgingsstaat, een steeds dominantere marktoriëntatie in de volkshuisvesting en een nog verder afnemende sociale mobiliteit van etnische jongeren kunnen - elkaar onderling versterkend - tot Amerikaanse toestanden gaan leiden. Door de verantwoordelijkheid voor het oplossen van het probleem van consumptie en werkloosheid meer naar het individu te verschuiven, loopt men het risico van grotere tegenstellingen, ook ruimtelijk, en van het ontstaan van concentraties van individuen die min of meer buiten de samenleving staan en daarmee tot onleefbare steden. Al kennen wij dan geen fysieke getto's, in de buurten waar uitzichtloosheid, apathie en marginalisering heerst, zit het getto de mensen in de kop, om met Geert Mak te spreken.

 

Wat óók in de kop zit zijn de bij zo'n situatie bijna onvermijdelijke "pictures in your head': vooroordelen, generalisaties, stigma's, over en weer.

 

Voeg daarbij het beeld van toenemende onveiligheid en het "plaatje in de kop' is compleet. In de literatuur heet dat het verschijnsel van "illusoire correlatie', maar intussen zitten we er maar mooi mee. Criminaliteit en etniciteit worden met elkaar in verband gebracht en "de teloorgang van de buurt' wordt toegeschreven aan "de buitenlanders'.

 

De sociaal-psychologische acceptatie waar Jan Pronk over sprak neemt eerder af dan toe en niemand weet er raad mee.

 

Jazeker, er is een Nationaal Minderhedendebat, maar dat wordt vooral gevoerd in de personeelskantines, op de sportvelden, in de buurtcafés. De belangrijkste conclusies worden getrokken door politiechefs, personeelchefs, schoolhoofden, en niet te vergeten, directeuren van woningbouwverenigingen. Het tijdschrift Binnenlands Bestuur spreekt met een corporatiedirecteur over het probleem van "moeilijk plaatsbare op grond van groepsgebonden afwijkend gedrag'. "Het gaat niet om buitenlanders", benadrukt de directeur, "het gaat om botsende leefstijlen." Hoe moet het anders, vraagt hij zich af: "Als wij een Turks gezin in een buurt plaatsen met veel racisten, denk je nu werkelijk dat die mensen daar gelukkig zijn? Ik vind het onverantwoord om iemand in een wijk te plaatsen als je weet dat het gaat escaleren, zelfs al is het zijn vrije keus."

 

De "kritische grens': van Jan Pronk in de praktijk. Die lag toch immers daar waar de "sociaal-psychologische acceptatie' ophield? Maar waar ligt het einde der geschiedenis? In een buurt met veel racisten? Een kleine gemeente? Een grote stad? Een land? Een continent?

 

Frits Bolkestein heeft terecht veel waardering geoogst voor zijn poging om een Nationaal Minderhedendebat aan te zwengelen. Hij heeft ook veel kritiek opgeroepen, maar dat hoort bij een debat. Woorden hebben immers hun betekenis. Eerlijk gezegd vind ik dat Bolkestein nog niet veel miszegd heeft. Dat de multiculturele samenleving grenzen kent, "namelijk waar de fundamentele normen ervan in het geding komen' ben ik met hem eens. Dat de tolerantie zich niet moet "uitstrekken tot de intoleranten', heb ik acht jaar geleden al eens uiteengezet in een "Brandende Kwestie' (Ons nationale debat verloopt niet flitsend).

 

Erger vind ik dat Bolkestein zoveel ook niét gezegd heeft. Tot de fundamentele waarden en beginselen die onze Westerse beschaving hebben voortgebracht rekent hij de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid en de non-discriminatie. "Het liberalisme claimt universele geldigheid en waarde van deze beginselen", zo zegt hij (als sociaal-democraat volsta ik maar met een diepe zucht) en voegt dan ferm toe: "Eén zaak moet als een paal boven water staan. Over bovengenoemde fundamentele politieke beginselen kan niet worden gemarchandeerd. Ook niet een klein beetje." De treurige werkelijkheid van alledag is dat er "in het veld' met de non-discriminatie aan de lopende band wordt gemarchandeerd en niet zo'n beetje ook.

 

Ook Nederland wordt met de dag minder verdraagzaam. De "universaliteit' is in ieder geval ver te zoeken. Zo gaat hij vervolgens uitvoerig in op het - meer concrete - vraagstuk van integratie zijnde "geen segregatie en geen assimilatie'. Een echte wegwijzer voor politiek handelen levert dit niet op. Door de bonte mengeling van ferme uitspraken en retirerende nuanceringen (gelukkig maar, trouwens) raakt men al snel het spoor bijster.

 

"Voor liberalen staat integratie voorop", zo zegt hij, maar hij heeft groot bezwaar tegen de slagzin "integratie met behoud van eigen identiteit'. Dat leidt uiteindelijk tot een "beleefde vorm van apartheid: ieder zijn eigen cultuur, zijn eigen enculturatie, zijn eigen etnische hok". Maar assimilatie staat hij ook niet voor. Dat betekent de "aanpassing in alle uiterlijkheden van de minderheid aan de meerderheid", en dat gaat hem weer te ver.

 

Ik ben het hartgrondig met Bolkestein eens dat segregatie het ergste van alle kwaden is, maar het probleem van onze rechtsorde "waaraan iedereen zich moet onderwerpen' is dat deze nog een handvol andere "fundamentele beginselen' omvat die daarbij lelijk in de weg kunnen zitten maar niettemin evenzeer "universele geldigheid' hebben. Ik noem: de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van vereniging en vergadering. Onze grondwet barst, als het om de grondrechten gaat, uit haar voegen, zoals wij bij de moeizame totstandbrenging van de Wet op de gelijke behandeling hebben kunnen merken.

 

De verzuiling moge dan een achterhaald station lijken, de mogelijkheid om de segregatie in het onderwijs van hogerhand te verbieden ontbreekt te enen male. Dat gescheiden scholen vaak voorbodes zijn van een gescheiden samenleving, ben ik met hem eens.

 

Staan wij dus met de handen in het haar? Stevenen wij machteloos af op de afgrond van een gesegregeerde samenleving? Is de samenleving dan volstrekt onmaakbaar geworden? Moeten wij er maar willoos in berusten dat het menselijk leed "zich laat uitsplitsen naar ons eigenbelang' zoals Finkielkraut zegt?

 

Natuurlijk niet. Mits wij een goede samensmelting kunnen bewerkstelligen van individualisering en saamhorigheid, een fundamenteel beginsel dat Bolkestein tot dusver onvermeld liet, misschien omdat een claim van het liberalisme op universele geldigheid hier te ongeloofwaardig zou klinken.

 

Met de individualisering in de zin van emancipatie tot mondige burgers die zich niet door derden hun identiteit laten voorschrijven, zijn wij in Nederland, zoals eerder betoogd, op de goede weg. Maar hoe komt het toch dat zelfs de meest verstokte individualisten die lijn niet consequent doortrekken als het om het minderhedenbeleid gaat? Nu nodigt de daar gebezigde terminologie niet bepaald uit tot het vermijden van generalisaties. We spreken met groot gemak over de minderheden die enerzijds uiteenvallen in migranten, asielzoekers, illegalen, buitenlanders, allochtonen enz. die vaak over één kam worden geschoren. En anderzijds worden de minderheden uitgesplitst naar de erkende doelgroepen: de Surinamers, de Antillianen, de Turken, de Marokkanen en noem verder maar op. Als men dan spreekt over het "behoud van eigen identiteit' denkt men aan de Surinaamse identiteit, de Turkse identiteit.

 

Maar de identiteit van een migrant is zo dynamisch als de migratie zelf. Allereerst is hij vaak afkomstig uit een land waarin op zichzelf reeds van een grote culturele pluriformiteit sprake is. In de tweede plaats kiest hij of zij voor migratie naar een "nieuwe' samenleving die op zich ook al een stempel op de identiteitsontwikkeling drukt. In de derde plaats wordt hij of zij geconfronteerd met een migrantengemeenschap uit eigen land, die nog pluriformer is dan de voormalige gemeenschap zelf. Niet alle banden worden door iedereen even hecht gekoesterd. Velen besluiten te assimileren en keren het land van oorsprong bewust de rug toe. Voor anderen ontstaat zoiets als een eeuwige speurtocht naar wat nu eigenlijk de eigen identiteit is.

 

Met ups en downs. Anil Ramdas zegt hierover dat een migrant altijd gekenmerkt wordt door een zekere "hybriditeit'. "Hier ben ik een kleurling, in Paramaribo niet. In Paramaribo ben ik een Hindoestaan, in India niet. In India ben ik een Westerling, in Nederland niet."

 

Maar Ramdas gaat verder: het vraagstuk van de identiteit is een culturele, geen politieke kwestie. "Cultuur en politiek zijn verschillende levensterreinen. Cultuur is een persoonlijke aangelegenheid, politiek een openbare. In de cultuur werken we aan de vervolmaking van onze individualiteit."

 

Anders gezegd: het identiteitsprobleem van migranten is een zaak van zelf-identificatie, geen staatszaak. Iedereen moet uiteindelijk zelf uitmaken of hij wil assimileren of integreren (en aarzelend voeg ik toe): of segregeren?

 

Naar het voorbeeld van de scheiding tussen kerk en staat bestaat er ook een wereld van verschil tussen staat en cultuur, inclusief nationaliteit. Ook hier doet zich de toenemende ontvlechting tussen natie en staat gelden.

 

Voor de staat is het irrelevant hoe een burger zijn of haar identiteit wenst te beleven.

 

Maar er is een maar. Zozeer als het de staat niet aangaat hoe de burger met zijn privé-domein omspringt, zozeer is de staat wel degelijk partij als het om het publieke domein gaat. De emancipatie tot mondige burger kan niet alleen tot een terugtrekkende beweging over en weer leiden.

 

Het gaat om mondige staatsburgers, niet om staatsverlaters. Ook dat heeft te maken met de identiteitsbeleving van burgers. Dikwijls strijden twee zielen in één borst. Geen mens is alleen maar een individualist. Elk mens is ook - in meer of mindere mate - een "social animal'.