De prijs van de vermijding

 

 

Paul Scheffer

 

Gedogen en relativisme zijn in hun huidige vorm een uitvloeisel van een slecht begrepen tolerantie en maken de samenleving onvrijer. Verdraagzaamheid wordt niet onderhouden door een overheid die vooral wil terugtreden. Ook de nieuwkomers kunnen hun positie niet markeren in een samenleving die meer toegeeft dan teruggeeft, vindt Paul Scheffer.

 

En toen was er een conflict tussen twee minderheden. Nogal verwarrend voor al degenen die denken dat het gelijk met de onderdrukten is. Want hoe moeten we oordelen over imams die haat prediken tegen homoseksuelen? In beginsel niet anders dan over de bisschop van Groningen, die mannenliefde een neurose noemde. De verontwaardiging waarmee op die woorden werd gereageerd was van dezelfde orde als de commotie over de Rotterdamse imam. Gelijke monniken, gelijke kappen.Hoe tolerant kunnen we zijn jegens intolerantie? Uit de halfhartige reactie van politici op de afgelasting van de opera AÔsja, bleek een misplaatst gevoel van verlegenheid in de omgang met de veelvormige islamitische gemeenschap in ons land. Natuurlijk hoeven bestuurders niet elk conflict publiekelijk te beslechten, maar het verdedigen van tolerantie in het publieke domein behoort tot de kerntaken van het openbaar bestuur. Te lang hebben politici geaarzeld zich in het multiculturele debat te mengen, met als gevolg dat men nu naar de andere kant doorschiet en lukraak om uitzetting van imams roept.!!!!

 

Dat premier Kok zich over deze kwestie uitliet is veel belangrijker dan een oordeel van de rechter. Het is geen goed idee om de Rotterdamse imam te vervolgen wegens zijn uitlatingen over homo's. Door een eventueel verbod worden zulke geloofsopvattingen, die door talloze moslims zullen worden gedeeld, opnieuw onzichtbaar gemaakt. En het is juist zo belangrijk dat deze debatten plaatsvinden in het openbaar, waardoor ook Turkse of Marokkaanse politici en intellectuelen zich uitgedaagd voelen hierover een standpunt te bepalen.

 

De kunst van de tolerantie wordt op de proef gesteld in een tijd van omvangrijke immigratie, waardoor tal van mensen in Nederland aankomen die zijn opgegroeid in een onvrije samenleving. Vaak genoeg gaat het om herkenbare opvattingen die in onze contreien zo'n veertig jaar geleden gemeengoed waren, maar daarom nog niet minder onbehagelijk stemmen in het hier en nu. Ook duiken denkbeelden op die verder gaan en neerkomen op een totale verwerping van het Westen.

 

De vraag dringt zich op hoe de Nederlandse goegemeente met de tolerantie omgaat. In een multiculturele omgeving komt verdraagzaamheid op een toegespitste manier aan de orde, maar nooit moet worden vergeten dat het een algemeen vraagstuk betreft. In de achter ons liggende jaren is op een slordige manier omgesprongen met vrijheden. We beroepen ons graag op kenmerken van onze samenleving die op het eerste oog nogal tegenstrijdig zijn, namelijk tolerantie en consensus. Wat we ons te weinig afvragen is hoe beiden eigenlijk samengaan, anders gezegd: hoe verdraagzaam is het land dat gelijkgezind wil zijn?

 

Het kan ook wat dichterlijker worden gezegd. De beroemde schrijver van sprookjes Hans Christian Andersen noteerde ooit tijdens een bezoek aan Nederland: ,,Een tuin is Holland; licht slaat hier het hart; hier voelt men zich terstond verheugd en thuis''. Wanneer we even nadenken is duidelijk dat het een dubbelzinnig compliment is. Want in een gecultiveerde ruimte voelt men zich weldra op zijn gemak, maar de benauwenis ligt nooit ver weg. Een idealer land is her en der ongerept en heeft ondoorgrondelijke uithoeken. Toch heeft Andersen gelijk: `Een tuin is Holland'.

 

Waar komt die hang naar cultivering vandaan? In wat wel eens is omschreven als de `morele geografie' van Nederland - namelijk de invloed van een kleine en dichtbevolkte ruimte op de zeden en gewoonten van haar inwoners - ligt een sleutel om deze geordende vrijheid te doorgronden. Voorop staat het scheppen van culturele ruimte waar die in een fysieke zin niet voorhanden is. Dat mag niet worden verward met laisser faire. De verdraagzaamheid werd groepsgewijs beleden en dat is iets anders dan een individuele verworvenheid. Het was een kwestie van veel organisatie en onderhoud door bestuurders die zich realiseerden hoe precair de maatschappelijke vrede was.

 

Conflictvermijding is een groot goed, maar kan gemakkelijk tot algehele vermijding worden. De onwil om te oordelen over opvattingen en gedragingen van anderen kan de tolerantie bedreigen. Het doet er minder toe of zulke vermijding zich praktisch rechtvaardigt als het oogluikend toestaan van wetsovertreding (gedogen) of zich beroept op het beginsel dat alle culturen van gelijke waarde zijn (relativisme). Gedogen en relativisme zijn natuurlijke bondgenoten in een samenleving waar burgers en bestuurders elkaar dachten te vinden in een laisser faire.

 

Waar we nu in Nederland tegenaan lopen is gedogen dat voortvloeit uit bestuurlijke onmacht, die overal zichtbaar is. Zeker in een multiculturele context is die houding weinig behulpzaam. Een voorbeeld uit vele. Het asielbeleid, dat velen afwijst maar weinigen uitwijst, schept een groeiende illegaliteit, die door de vingers wordt gezien. Dat hiermee een kwetsbare groep mensen ontstaat, die een gemakkelijke prooi zijn voor uitbuiting en misdaad is duidelijk. Gedogen heeft een schijnheilige kant: zolang de onzichtbaarheid is verzekerd, bekreunt niemand zich om dergelijke misstanden, volgens het adagium `let them rot in their own privacy'.

 

Gedogen kan worden verdedigd als overgangsfase tussen een verbod van vroeger en een wettelijke erkenning in de nabije toekomst. In Nederland heeft het zich tot een permanente toestand ontwikkeld. Men kan zich wel tijdelijk in een schemerzone van de wet bewegen, maar het langdurig ontlopen van regels ondermijnt het vertrouwen in de rechtsbeginselen. Het gedogen maakt nu de samenleving als geheel onvrijer. Tolerantie kan niet gebouwd worden op rechtsongelijkheid.

 

De omgang met criminaliteit laat dat zien. De opsporing en bestraffing van met name geweldsmisdrijven is, ondanks de aanpassingen van de laatste jaren, nog steeds te halfhartig. Het kan niemand verbazen dat zo'n rechtscultuur weinig indruk maakt op nieuwkomers. Dat heeft er vast toe bijgedragen dat nu ongeveer de helft van de gevangenisbevolking van allochtone komaf is. De weinig consequente rechtshandhaving heeft slecht gewerkt en zo kan men de Turkse vader begrijpen die uitroept: `Jullie hebben mijn zoon verpest'.

 

Hetzelfde kan worden gezegd over fraudebestrijding. De ruzie met Marokko over het uitvoeren van controles op huizenbezit in het land van herkomst betreft niets anders dan het naleven van de wet. Het regime is voor iedereen strenger geworden, maar de verbazing in Marokkaanse kring is er niet minder groot om. Want in de tijd dat de migranten hier aankwamen, werd er nauwelijks gecontroleerd. Ingezetene of nieuwkomer, het maakte niet uit: iedereen deelde in een nonchalance, die met de mantel der sociale liefde werd bedekt. Wanneer de publicist Mohammed Benzakour concludeert ,,gun deze mensen hun huis'', horen we een late echo van die houding.

 

Een reŽel probleem is dat tolerantie steeds meer wordt uitgelegd als een waardenrelativisme, volgens welke niemand kan oordelen over opvattingen en gebruiken van andere beschavingen. Weinigen zullen ontkennen dat andere culturen met respect moeten worden bejegend, maar tolerantie is meer dan relativisme en heeft een universele betekenis, die onlosmakelijk verbonden is met de verwezenlijking van mensenrechten.!!!!!!!

 

Een stelselmatige relativering van culturen leidt tot een breuk met het verleden. Wie terugkijkt ziet namelijk een geschiedenis, gemaakt door een `wij' dat niet meer beantwoordt aan de huidige samenstelling van de bevolking. Daarom is de zoektocht naar nieuwe tekenen van verbondenheid - zoals het monument ter herinnering aan de slavernij - volop gaande. Dat is goed. Wie echter alleen collectieve symbolen wil handhaven die het huidige `wij' omvatten, zou moeten beginnen aan een beeldenstorm en bijvoorbeeld het volkslied moeten inruilen voor een veelkleurige lofzang. Die aandrang is zichtbaar in de poging om integratie te vervangen door wat de hoofdstedelijke politici inmiddels `diversiteitsbeleid' noemen.

 

We zien de uitwerking van deze opvatting in de discussie over de zondagsrust. Over zo'n rustdag kan van mening worden verschild, maar de voorstellen om hem af te schaffen worden nu omkleed met multiculturele gelegenheidsargumenten. Andere godsdiensten hebben andere rustdagen, dus in een religieus zo diverse samenleving is het beter om geen enkele dag specifiek aan te wijzen. De zondag, die in het geseculariseerde Nederland al langere tijd geen religieuze betekenis meer had, wordt nu met terugwerkende kracht omschreven als een christelijke rustdag en moet dus worden afgeschaft.

 

Op een andere manier zien we het relativisme opduiken in het debat over het dragen van hoofddoekjes in de rechtszaal. De Zwolse rechtbank weigerde een studente als hulpgriffier aan te nemen, omdat ze verklaarde ook ter zitting haar hoofddoek te willen dragen. Nu de gedachte dat neutraliteit van de rechtsspraak het dragen van religieuze symbolen verbiedt onder druk staat, zou het voor de hand liggen dat de betrokken minister zich hierover uitlaat. Volgens sommigen gaan de blinddoek en de hoofddoek heel goed samen, niet enkel in het geval van de hulpgriffier die niet meestemt, maar ook in de functie van rechter. Toch is het een groot goed om onpartijdigheid in de rechtszaal te handhaven en die vraagt nu juist om een zekere uniformiteit.

 

Tolerantie gaat uit van diepgaande verschillen van opvatting en probeert het mogelijke conflict te voorkomen of in te dammen. Zulke handhaving van de maatschappelijke vrede is iets anders dan de benauwende droom van een samenleving waarin iedereen zich keurig aan de multiculturele etiquette houdt en nergens meer over durft te oordelen.

 

De Amerikaanse onderzoeker James Kennedy schrijft daarover in De lege tolerantie: ,,Dit is de grote paradox: zodra tolerantie zich ontwikkelt van een pragmatische modus vivendi tot openbare ideologie, neemt de mate van tolerantie af. Niet langer kunnen diegenen worden getolereerd die weigeren tolerante beginselen te aanvaarden. In dat opzicht verschilt een tolerante ideologie weinig van andere ideologieŽn''. Tolerantie kan niet worden gebouwd op al te veel taboes. Laat het debat plaatsvinden met open oog voor eigen en andermans bevangenheid.!!!!!

 

Zo'n publieke meningsvorming is moeilijk. Het gevoel onder de minderheden is vaak: we gaan de vuile was niet buiten hangen, we zijn al kwetsbaar genoeg. Verbondenheid met de eigen gemeenschap wordt opgevat als een uitnodiging om te zwijgen over datgene waar men zich in eigen kring aan ergert. Maar de ruimte voor minderheden in de Nederlandse samenleving wordt juist groter wanneer wat openlijker meningsverschillen zichtbaar worden gemaakt. Dat besmuikte zwijgen van al die Turkse, Marokkaanse of Surinaamse schrijvers en intellectuelen is jammer. Juist hun stem zou de afstand tussen ingezetenen en nieuwkomers kleiner kunnen maken.

 

Je kunt het ook anders zeggen: vreedzame coŽxistentie is een wel heel beperkte opvatting van integratie. Vergelijk het met Europa voor Ťn na 1989: waar koude vrede en afstand bestond, is er nu ruimte voor werkelijke vervlechting en toenadering. Zo is het ook in de multiculturele samenleving: we leven nog steeds in het tijdperk van de diplomatie en de niet-inmenging, maar samenleven vraagt om meer dan dat. Vertrouwen is een ander woord voor integratie en dat wordt enorm bevorderd wanneer het pluralisme aan alle kanten zichtbaar wordt.

 

Het is duidelijk dat sommigen daarbij meer te verliezen hebben dan anderen. Wat de een integratie noemt, is voor de ander al snel desintegratie, zoals Bas Heijne opmerkte in een mooie column. De talloze verbindingen met een seculiere en liberale samenleving maken een samenhangende Marokkaanse of Turkse gemeenschap tot een fictie. Daarom proberen verschillende imams de afstand tussen hun gelovige volgelingen en de Nederlandse samenleving zo groot mogelijk te houden, door erop te hameren dat deze decadente samenleving ze geen kans zal bieden. De opvattingen die aan imam El-Moumni worden toegeschreven - ,,De Europeanen staan lager dan honden of varkens'' - horen bij de fundamentalistische minachting voor het Westen.

 

De voorzitter van de Turkse Diyanet-moskeeŽn in ons land, Ayhan Tonca, zegt gladweg: ,,Ik moet helemaal niets. Bemoei je met je eigen zaken.'' Het lijkt niet tot hem door te dringen dat de honderdduizenden moslims in ons land deel hebben aan een democratische cultuur. Haci Karacaer van Turkse islamitische organisatie Milli GŲrŁs snapt beter wat er in Nederland omgaat: ,,De moskee is onbekend: niemand weet wat zich daarbinnen afspeelt.'' Reden genoeg om meer opening van zaken te geven, en dat is ook precies wat hij probeert met een pleidooi voor een `Nederlandse islam'. Wie invloed wil hebben op het geheel, zal ook door dat geheel worden beÔnvloed.

 

Het is goed om te weten dat er iets op het spel staat. Gedogen en relativisme zijn in hun huidige vorm een uitvloeisel van een slecht begrepen tolerantie en maken de samenleving onvrijer. Verdraagzaamheid wordt niet onderhouden door een overheid die vooral wil terugtreden. Ook de nieuwkomers kunnen hun positie niet markeren in een samenleving die meer toegeeft dan teruggeeft. Zo betaalt iedereen de prijs van de vermijding.

 

Datum:

26-05-2001

Sectie:

Opinie

Pagina:

7

Info:

Paul Scheffer publicist.

Onderschrift:

Tekening: FRITS MLLER

Trefwoord:

Minderheden; Sociaal cultureel; Discriminatie; Recht; Criminaliteit; Delicten; Maatschappij; Bevolking

 

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.