Het multiculturele drama

 

 

Zo energiek als Nederland `de sociale kwestie' van weleer te lijf ging, zo gelaten wordt nu gereageerd op het achterblijven van hele generaties allochtonen en op de vorming van een etnische onderklasse. Waarom denken we het ons te kunnen veroorloven generaties immigranten te zien mislukken en een verondersteld reservoir aan talent onbenut te laten? En waaraan ontlenen we het vertrouwen dat alles wel op zijn pootjes terecht zal komen? De maatschappelijke vrede wordt ernstig bedreigd, meent Paul Scheffer.

 

Soms neemt de culturele verwarring een komische wending. Eerdaags kunnen we op wervingsposters van de gemeentepolitie de volgende tekst verwachten: `Die tulband past ons allemaal'. Het voorstel van de hoofdcommissarissen om de pet naar believen in te ruilen voor een hoofddoekje of tulband laat goed de onzekerheid zien, die de aanwezigheid van meer en meer migranten in Nederland met zich meebrengt. Zo'n buiging naar religieuze voorkeuren is vast goed bedoeld, maar blijkbaar vraagt men zich niet af of deze koestering van eigen identiteit wel samengaat met het streven naar emancipatie.

 

De achter ons liggende eeuw is getekend door de poging de sociale ongelijkheid terug te dringen. Geen vraagstuk heeft het openbare leven in Nederland zo beroerd als het streven naar verheffing van de verschillende bevolkingsgroepen, opdat eenieder volwaardig burger zou kunnen zijn. Die zorg voor gelijke kansen kwam voort uit angst voor sociaal oproer. Maar dat was niet het enige: in de tweede helft van de negentiende eeuw zien we ook een beschavingsoffensief opkomen.

 

Over het geheel genomen is deze poging tot integratie geslaagd te noemen. De standen en klassen verloren hun scherpe randen: afkomst werd steeds minder een noodlot. Juist daarom is de gelaten manier waarmee gereageerd wordt op het ontstaan van een nieuwe, veel venijniger tweedeling in de Nederlandse samenleving zo onvoorstelbaar. Want waarom wordt er niet in veel dwingender termen gesproken over het achterblijven van hele generaties allochtonen en over de vorming van een etnische onderklasse? Zo energiek als `de sociale kwestie' van weleer te lijf is gegaan, zo aarzelend wordt nu omgegaan met het multiculturele drama dat zich onder onze ogen voltrekt.

 

Is dat niet te zwartgallig? Nee, lees onder meer de recente `Rapportage minderheden 1999' van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), een studie gewijd aan de positie van allochtonen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Hoewel de verschillen tussen en binnen de etnische groepen aanmerkelijk zijn, lijkt de algehele situatie zorgwekkend. Gemiddeld hebben de allochtone kinderen een aanmerkelijke achterstand in cognitieve ontwikkeling en taalvaardigheid, waardoor de toegang tot de betere banen is afgesloten. In Turkse en Marokkaanse kring treft men meer dan elders kinderen aan zonder enig schooldiploma. Er is volgens het SCP een `aanzienlijke talentenreserve'. Toch blijft de kloof tussen autochtone en allochtone kinderen groot en groeit die zelfs volgens sommige onderzoekers.

 

Wie alle beschikbare gegevens overziet komt tot een ontnuchterende conclusie: werkloosheid, armoede, schooluitval en criminaliteit hopen zich op bij de etnische minderheden. En de vooruitzichten zijn over de gehele linie niet gunstig, in weerwil van individuele succesverhalen. Het gaat om enorme aantallen achterblijvers en kanslozen, die de Nederlandse samenleving in toenemende mate zullen belasten.

 

Volgens de meest terughoudende telling herbergt Nederland nu een kleine anderhalf miljoen allochtonen die worden gerekend tot de zogeheten doelgroepen van het minderhedenbeleid. Dan hebben we het over landen van herkomst als Turkije, Marokko, Suriname, Antillen, en niet over Amerika of Zweden. De voorspelling van het SCP-rapport luidt dat in 2015 twaalf procent van de bevolking, dat wil zeggen rond de twee miljoen burgers, uit deze `doelgroepen' afkomstig is. Zo'n veertig procent van hen zijn asielmigranten uit de Derde Wereld. Belangrijk is ook dat in 2015 ongeveer de helft van de bevolking in de vier grote steden allochtoon zal zijn. Nu al is de schooljeugd er in meerderheid afkomstig uit wat straks enkel nog in naam `minderheden' zijn. Voor alle vijfenveertig grote steden van Nederland zal deze omslag over tien jaar een feit zijn.

 

Niemand kan dat een geruststellende gedachte vinden. Want het is duidelijk dat de razendsnelle demografische verandering enorme aanpassingsproblemen schept. In alle sectoren van de samenleving zijn de problemen legio: in de gezondheidszorg, het onderwijs, de rechtspraak, de volkshuisvesting en de arbeidsmarkt. Een voorbeeld uit vele: over vijftien jaar zal Nederland rond de één miljoen asielzoekers herbergen. Zeer velen van hen kampen met trauma's wegens de oorlogen of rampen waaraan ze zijn ontkomen en de geestelijke gezondheidszorg wordt geacht daarop een antwoord te geven. De enorme problemen die dat oplevert zijn bekend, maar dat lijkt de pleitbezorgers van een ruimhartig asielbeleid niet erg veel zorgen te baren. Althans je hoort ze er niet vaak over uitweiden. Zoals altijd zijn we beter in het voeren van de vorige oorlog. Momenteel woedt een debat over `excuses' aan de joodse bevolking en onderzoekt een waar leger van wetenschappers de opvang van degenen die na 1945 uit de kampen terugkwamen.

 

De vraag is: hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom denken we het ons te kunnen veroorloven generaties immigranten te zien mislukken en een verondersteld reservoir aan talent onbenut te laten? En waaraan ontlenen we het vertrouwen dat ondanks de zichtbare problemen alles wel op zijn pootjes terecht zal komen? Komt dat door de economische groei waarmee onrust kan worden afgekocht en de tevreden waarneming dat we hier geen rassenrellen kennen en het dus elders veel slechter gaat?

 

In 1994 wijdde het kabinet nog wel urgente woorden aan de etnische minderheden: ,,Het kabinet concludeert dat de situatie voor de toekomst uiterst zorgwekkend is. Redenen voor die zorg zijn de stagnerende economische ontwikkeling, de voortdurende immigratie - in het bijzonder van asielzoekers - en de ingrijpende effecten daarvan voor het maatschappelijk draagvlak voor het beleid.'' (`Contourennota Integratiebeleid etnische minderheden'). Het lijkt alsof die zorg is verdampt in de gelukzaligheid van het poldermodel.

 

Velen leven met het misverstand dat de integratie van de etnische minderheden ongeveer hetzelfde verloop zal hebben als de vreedzame verzoening van religieuze groepen in Nederland. Net als voorheen is het een kwestie van schikken, plooien, afkopen, onderhandelen en geheimhouding. Daarin openbaart zich vooral een grenzeloos geloof in elites. Succesvolle migranten maken het voor hun `achterban' gemakkelijker om zich te vereenzelvigen met de Nederlandse samenleving, zo luidt de onuitgesproken verwachting. Kortom, velen denken dat de regels en gebruiken van de pacificatie-democratie ook de nieuwe verdeeldheid kunnen temperen.

 

Het doet een beetje denken aan het geloof in de neutraliteitspolitiek aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Toen was eenieder ervan overtuigd dat wat een kwart eeuw eerder was gelukt - namelijk buiten de Eerste Wereldoorlog te blijven - ook nu weer kans van slagen had. En zo verloor een hele natie het zicht op de werkelijkheid.

 

Met het geloof in de pacificatie is iets vergelijkbaars aan de hand: het heeft gewerkt om de religieuze verdeeldheid te overwinnen en zal nu wel weer werken om de etnische verdeeldheid te beheersen. Maar dan wordt het hoofdstuk `Nationaal saamhorigheidsgevoel' in het klassieke boek uit 1968 over de Nederlandse pacificatie van Arend Lijphart vergeten (`Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek'). Zijn conclusie was: `De sterkte van het Nederlandse nationalisme moet niet worden overdreven, maar het lijdt geen twijfel dat het bestaat'. De levensbeschouwelijke verdeeldheid betrof een gemeenschappelijke geschiedenis, werd in toom gehouden door een algemeen aanvaarde grondwet en kon worden uitgevochten in een en dezelfde taal. Anders gezegd: de zuilen droegen één dak.

 

Wat is de waarde van de aloude methode van vreedzame coëxistentie in geheel nieuwe omstandigheden? Functioneert die nog op dezelfde manier? Is het een teken van zelfvertrouwen om niet teveel nadruk op het eigene van onze samenleving te leggen? De culturele samenhang waarbinnen het verschil kon worden beleefd, is nu veel minder voor handen; er zijn weinig bronnen van saamhorigheid. De vergelijking met de verzuiling gaat niet op. Segregatie in het onderwijs door zwarte en witte scholen is natuurlijk van een geheel andere orde dan de scheiding van openbare en bijzondere scholen.

 

Ook de rol van de islam is niet zomaar te vergelijken met die van de christelijke godsdiensten in Nederland. ,,Een mogelijk bindende factor aan allochtone zijde is gelegen in het blijvend hoge aandeel van de moslims in de minderhedenbevolking,'' schrijft het SCP bij wijze van `geruststelling' in zijn rapport. Het gaat naar schatting om de helft van de minderheden. Dat wil zeggen, straks is zo'n miljoen inwoners van Nederland moslim. Ook al weten we dat velen de islam in een verwaterde vorm zullen belijden, dan nog is dat is geen vanzelfsprekend gegeven, net zomin als scholen op islamitische grondslag dat zijn.

 

Misschien zal zich een liberale traditie ontwikkelen in wat wel de `buitengewesten van de islam' wordt genoemd. Vooralsnog is het hervormingsstreven beperkt, uitzonderingen als Mohammed Arkoun daargelaten. De arabist Jan Brugman schrijft in `Het raadsel van de multicultuur' (1998) over de geschiedenis van modernisering binnen de islam: ,,Wie deze modernistische bewegingen enigszins grondig bestudeert, merkt echter al snel dat zij in wezen conservatief zijn gebleven en dat een vergelijking met het christelijk modernisme niet opgaat. (...) Van een fundamentele heroverweging van de centrale leerstukken van de Islam, van de Islamitische Wet, of van de verhouding tussen Islam en staat was geen sprake.''

 

Waar het vooral om gaat, is dat de scheiding van staat en kerk niet werkelijk is aanvaard in islamitische kring. Af en toe wordt iets zichtbaar van wat door imams wordt gepreekt en hoort men voorbeelden van haatdragenheid tegenover de samenleving waarvan ze geacht worden deel te zijn. Zo kon in de tijd dat Ed Van Thijn burgemeester van Amsterdam was, de opvatting worden vernomen dat moslims zich niet zouden hoeven te houden aan de wetten van een stad die door een joodse burgemeester werd bestuurd.

 

Het verschil kan ook anders worden omschreven. De islamitische wet verbindt aan afvalligheid rechtsgevolgen die in ons land onaanvaardbaar zijn: zoals ontbinding van huwelijk, ontzegging uit de ouderlijke macht en verval van erfrechtaanspraken. Of die wetten nu worden nageleefd of niet, vooral in de gezinscultuur kan een aanmerkelijke afstand worden vastgesteld tussen de gangbare omgangsvormen in Nederland en het normbesef binnen de islamitische gemeenschappen. Men leeft nu goeddeels langs elkaar heen en kijkt veel de andere kant op, maar er zijn culturele verschillen die niet vatbaar zijn voor plooien, schikken en afkopen.

 

We kunnen niet blijven voorbijgaan aan het culturele isolement en de gevoelens van wrok, omdat het misschien minder prettig is die onder ogen te zien. Zohra Acherrat-Stitou, een Marokkaanse psychiater in opleiding zegt in een boeiend interview over haar generatiegenoten: ,,Ze zijn boos op de samenleving, die hun ouders zo gebruikt heeft, en boos op de ouders dat ze zich daar niet tegen verzet hebben. Veel Marokkaanse jongeren, valt mij op, voelen zich slachtoffer. Een slachtoffer voelt zich mishandeld, onbegrepen, niet veilig. Ze moeten van die slachtofferrol af om een identiteit te vinden.'' (de Volkskrant, 5 maart 1997).

 

Deze woorden vatten samen wat men vaker in Marokkaanse of Turkse of Antilliaanse kring kan horen. Sommigen maken zich ongerust over de wrok en afkeer die ze in de eigen `gemeenschap' bespeuren jegens de Nederlandse samenleving. Tal van deze `slachtoffers' maken namelijk een snelle carrière als dader, wat ook bedreigend is voor de minderheden in Nederland. De angst voor Marokkaanse jongeren is in een stad als Amsterdam inmiddels spreekwoordelijk.

 

En zo stort het kaartenhuis van de multiculturele samenleving ineen. Alle onuitgesproken verwachtingen, als zou integratie vooral een kwestie van tijd zijn, worden niet bewaarheid. Onder de oppervlakte van het openbare leven drijft een zee van verhalen over de botsing van culturen, die niet of nauwelijks worden gehoord. We leven nu al met de migranten van de derde generatie en de problemen zijn alleen maar groter geworden. Of succesvolle migranten de gehoopte voortrekkersrol spelen is onzeker, want doorgaans weten ze niet hoe snel ze zich moeten losmaken van hun veronderstelde `achterban'.

 

Het is geen teken van openheid aan zulke waarnemingen voorbij te gaan met een ontspannen pleidooi voor de multiculturele samenleving. Al die apologeten van de diversiteit zijn niet geïnteresseerd in wat zich in de grote steden van Nederland afspeelt. De overgang naar een anonieme stadssamenleving - waar men de wetten niet zo nauw neemt en liever onderhandelt dan straft - is te groot gebleken voor veel migranten. In een tijd die door omvangrijke immigratie wordt getekend, kunnen de vrijheden in Nederland niet met oude middelen worden bestendigd.

 

De cultuur van het gedogen, die nu op haar grenzen stuit, gaat hand in hand met een zelfbeeld dat onwaarachtig is. Nodig is een afscheid van de kosmopolitische illusie waarin velen zich wentelen. De wegwerpende manier waarop in Nederland is omgesprongen met nationaal besef werkt namelijk niet uitnodigend. We slaan onszelf op de nationale borst omdat we denken er geen te hebben. Die grenzeloze houding van Nederlanders draagt niet bij tot integratie, omdat daar achter maar al te vaak een afstandelijke en achteloze samenleving schuilgaat.

 

Nu heerst teveel het postmoderne geschiedenisbeeld waarin elk `wij' onmiddellijk verdacht is. De literatuurwetenschapper Douwe Fokkema schrijft in deze trant: ,,Het is onmogelijk om te zeggen dat `wij' om Kaap de Goede Hoop naar de Oost zijn gevaren of op Nova Zembla hebben overwinterd. Dat waren `wij' niet. Die mensen spraken onze taal niet en volgden andere conventies.'' (NRC Handelsblad, 15 juni 1996). Tollens met zijn romantische verbeelding van de overwintering op Nova Zembla, waarom zouden we ons nog interesseren voor zulke exotische stemmen? Zo wordt elk `wij' onmogelijk, zijn er geen levende tradities meer en kan over het land van herkomst geen verhaal meer worden verteld.

 

Een gemakzuchtig multiculturalisme maakt school omdat we onvoldoende onder woorden brengen wat onze samenleving bijeenhoudt. We zeggen te weinig over onze grenzen, koesteren geen verhouding tegenover het eigen verleden en bejegenen de taal op een nonchalante manier. Een samenleving die zichzelf verloochent heeft nieuwkomers niets te bieden. Een meerderheid die ontkent meerderheid te zijn, heeft geen oog voor de `hardhandigheid' van integratie, die ook altijd verlies van eigen tradities betekent. En wie niet begrijpt wat er wordt genomen, die heeft ook weinig te geven.

 

Er worden wel pogingen ondernomen om een verplichtender opvatting van de multiculturele samenleving te verdedigen. Zo werd in een rapport van Entzinger en Van der Zwan (1992) meer nadruk gelegd op inburgering van allochtonen dan tot nog toe gebruikelijk was. Onder meer door het aanbieden van programma's die de immigranten vertrouwd kunnen maken met de Nederlandse taal en cultuur. Dat gaat allemaal niet zo goed, mede wegens gebrek aan middelen. Het wordt door de nationale overheid blijkbaar niet ervaren als een dringende opgave.

 

Laten we eens beginnen de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis veel serieuzer te nemen. Niet lang geleden merkte iemand in een debat over deze kwestie op: ,,Je gaat Turkse kinderen toch niet lastig vallen met de jaren '40-'45?'' Was dat een verlicht inzicht? Nee, het was een domme poging om kinderen met ouders van elders de mogelijkheid te ontzeggen deel te nemen aan de collectieve herinnering zoals die gestalte krijgt in Nederland. Waarom zouden kinderen die de rest van hun leven hier doorbrengen, niet lastiggevallen worden met de geschiedenis van het land waarin ze leven? Waarom kent ons land geen museum voor contemporaine geschiedenis, zoiets als het `Haus der Geschichte', dat in Duitsland veel belangstelling trekt?

 

Anil Ramdas kritiseerde de Nederlandse schrijvers wegens hun onvermogen de werkelijkheid van immigranten in hun literatuur tot leven te brengen: ,,Het is toch een formidabele wanprestatie van de Nederlandse vertellers om niet te zien dat hun samenleving in de afgelopen twintig jaar drastisch van kleur en aard is veranderd? Terwijl een miljoen burgers hun dagelijkse vernederingen verbijten kijken de Nederlandse schrijvers een andere kant op. Zo langzamerhand moeten we dat gaan wijten aan moedwil en kwade trouw.'' (NRC Handelsblad, 14 maart 1997).

 

Zijn waarneming klopt, maar zijn verwijt is onterecht. Aan de literatuur kun je vooralsnog aflezen hoe beperkt de integratie in Nederland is. Voor de meeste schrijvers in Nederland is de `multiculturele samenleving' een verschijnsel van horen zeggen, iets van een vluchtige blik in het straatbeeld. Het is geen onderdeel van hun geleefde werkelijkheid, en, naar men mag aannemen, geldt dat ook voor de meeste burgers in dit land. We leven in Nederland langs elkaar heen: ieder zijn eigen café, zijn eigen school, zijn eigen idolen, zijn eigen muziek, zijn eigen geloof, zijn eigen slager en straks zijn eigen straat of buurt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat al die oude en nieuwe Nederlanders weinig tot niets van elkaar weten.

 

Het zou goed zijn mededeelzamer te worden. Nadere kennismaking met de Nederlandse cultuur en geschiedenis hoeft zeker niet kritiekloos te zijn. Integendeel, wie nadruk legt op collectieve herinnering zal ook beseffen dat een discussie over het Nederlandse aandeel in de slavernij geen onzin is. Ook de `zwarte' bladzijden in ons verleden moeten worden besproken. Een dwingender zelfonderzoek naar zulke episoden is één van vele de vragen die de komst van velen uit vroegere koloniën met zich meebrengt.

 

Wederkerigheid is belangrijk, maar kan niet verhullen dat het gaat om de verdediging van een open samenleving. Dat stelt grenzen aan het culturele veelvoud. De liberale democratie poseert vaak als een neutrale arena waarbinnen culturen kunnen botsen en versmelten. Maar zoals de Rushdie-affaire laat zien, houden neutraliteit en relativisme ergens op. Sterker nog: tolerantie moet worden verdedigd tegenover gewetensdwang. In het openbare leven behoort geen plaats te zijn voor stromingen die de scheiding van staat en kerk of de gelijke rechten van man en vrouw willen opheffen. Religieuze symbolen als hoofddoekjes horen bij het privéleven en niet bij een openbare functie als de politie.

 

Deze opvatting biedt derhalve geen genoegdoening aan etnische groepen die in de liberale democratie een weigering zien om hun cultuur als van gelijke waarde te erkennen. De Amerikaanse schrijver Norman Podhoretz, zelf afkomstig uit een gezin van Poolse immigranten in Brooklyn, beschrijft het deel hebben aan een gemeenschappelijke cultuur als een `brutal bargain': het verwerven van een plaats in een nieuw land is meestal ook een verraad van de eigen familiegeschiedenis.

 

Reizen we bij wijze van gedachtenoefening even van Brooklyn naar Veghel. Al die enthousiaste woordvoerders van de multiculturele samenleving die zweren bij het devies `s lands wijs, `s lands eer, wat moeten die nu denken? Erewraak is een cultuureigen uiting en toch geen goed idee. De strafmaat in Turkije is in deze gevallen een geheel andere dan hier en dat lijkt niet iets om over te nemen of zelfs maar begrip voor te tonen. Onze wetten zijn helemaal niet neutraal en toch willen we die niet heroverwegen met het oog op de veranderde samenstelling van de bevolking. Integratie met behoud van eigen identiteit is een vrome leugen, die niet zoals nu door de overheid moet worden aangemoedigd. Oud-minister Van Kemenade merkte onlangs terecht op dat deze nadruk op eigen identiteit ,,ernstig risico loopt sociale ongelijkheid eerder te vergroten dan te verkleinen''. Omdat we jarenlang hebben ontkend immigratieland te zijn hebben we ons niet ontwikkeld tot een integratieland, luidt zijn stelling.

 

De conclusie is helder: integratie is nu eerder uitzondering dan regel, alleen al omdat het onderwijs uiteenvalt in witte en zwarte scholen en kinderen dus van jongs af aan in gescheiden werelden groot worden. Dat zou een primaire zorg in Nederland moeten zijn. Maar daarover lees je weinig in de cultuurnota van de vorige staatssecretaris Nuis, die volhardt in sympathieke vaagheden over `intercultureel onderwijs', terwijl de werkelijkheid van `spontane' apartheid hard om zich heen grijpt: ,,Met een souplesse die altijd een opvallende karaktertrek van onze cultuur is geweest, wordt het vreemde allengs opgenomen in wat we gewoon vinden.''

 

De richting van het huidige onderwijs- en cultuurbeleid staat haaks op wat nodig is. We moeten een groot vraagteken plaatsen bij het `onderwijs in eigen taal en cultuur'. Is het niet veel zinvoller de achterstand in beheersing van het Nederlands met alle mogelijke middelen op te heffen? En misschien nog belangrijker: de grondwettelijke vrijheid van onderwijs maakt segregatie mogelijk en gemakkelijk. Gezwegen wordt over de wellevende burgerij die voor haar kinderen hoogwaardig onderwijs koopt. Een minimaal streven zou toch moeten zijn dat scholen enigszins de samenstelling van een stad weerspiegelen en dat in het onderlinge verkeer tussen leerlingen Nederlands wordt gesproken.

 

Wat helemaal niet serieus wordt genomen, is de wanhoop van talloze leerkrachten. Er wordt zeker geld uitgetrokken om extra aandacht te kunnen geven aan allochtone kinderen. Maar het probleem zit veel dieper. Rector Sjamaar, al dertig jaar werkzaam in de leiding van het Niels Stensen College in Utrecht, trok in het voorjaar van 1998 landelijke aandacht met zijn stelling dat zijn school beter kon sluiten. Door een hoge concentratie allochtone, vooral Marokkaanse, leerlingen (zeventig procent in de brugklassen) liep de school leeg en kon geen volwaardige VWO/Havo-

 

afdeling handhaven. Goede autochtone èn allochtone leerlingen zochten in toenemende mate hun heil elders. Een jaar na zijn hartekreet werd Sjamaar ontslagen.

 

Toch valt zijn diagnose moeilijk te weerleggen: in de grote steden zal het aantal deelnemers aan VWO/Havo-afdelingen van veertig naar vijfentwintig procent van de leerlingen dalen en derhalve zal in deze steden één op de drie scholen deze afdelingen in de komende jaren zien leeglopen. De maatschappelijke gevolgen zijn straks ingrijpend: ,,De steden zijn woonplaats voor de overwegend donkerder gekleurde onderlagen, die niet of nauwelijks meedoen aan de kennissamenleving en voor de nu nog gebruikelijke medische en sociale minimumvoorzieningen zal in de steden het geld ontbreken. Zo'n samenleving kan beter kastenmaatschappij dan kennismaatschappij heten,'' aldus Sjamaar (NRC Handelsblad, 30 april 1999).

 

Helaas hebben de bewindslieden van Onderwijs en Cultuur andere dingen aan hun hoofd. Staatssecretaris Van der Ploeg wilde culturele instellingen die niet voldoende aan etniciteit doen een strafkorting opleggen. Dat is nu omgezet in een eveneens absurde bonus op de begroting van de instellingen, die bewijzen van multiculturaliteit kunnen overleggen. Lees verder in de cultuurnota en huiver: ,,In het licht van de ontwikkeling van Nederland als multiculturele samenleving behoeft het kwaliteitsbegrip dat wordt gehanteerd bij het beoordelen van aanvragen, aanpassing.'' De ene fijne zin rolt over de andere: gesproken wordt over de ,,verrijking van andere culturen'' en ,,de bevordering van diversiteit''. In de vier grote steden wordt ,,een initiator en verkenner voor culturele diversiteit'' aangesteld, een soort van keuringsdienst voor minderheden. Ondertussen omschrijft Van der Ploeg zichzelf als `internationalist' en hekelt zijn critici als `protectionisten'. Maar wie speelt er hier nu eigenlijk voor beschermheilige?

 

We hebben het uitsluitend gehad over degenen die hier zijn, niet over degenen die nog komen. Uit het voorgaande blijkt wel dat een land waar de integratie mislukt, niet in Europa voorop moet willen lopen met de aantallen mensen die worden opgenomen. Het SCP maakt in het eerder geciteerde rapport terechte kanttekeningen bij het vluchtelingenverdrag: ,,Het uit 1951 daterende verdrag is opgesteld in een tijd dat de wereld er aanmerkelijk anders uitzag dan thans, al was het maar doordat sindsdien de opkomst van de massacommunicatie en de luchtvaart de mentale en fysieke afstand tot de westerse wereld hebben doen verschrompelen. Vermoedelijk is ook niet voorzien dat de mensensmokkel tot een omvangrijke mondiale bedrijfstak zou uitgroeien.''

 

Natuurlijk hebben landen baat bij de schok van het vreemde. Degenen die zeggen dat landen zich niet kunnen en ook niet moeten willen afschermen van de buitenwereld hebben alle gelijk van de wereld. Nederland heeft zich bijvoorbeeld gemoderniseerd als gevolg van de Napoleontische tijd. Ook immigratie heeft een lange traditie in Nederland, denk maar aan de hugenoten of de joden, en vaak hebben we daar wel bij gevaren. Die algemene overweging betekent echter geen instemming met de huidige omvang en aard van de immigratie, die in menig opzicht eilanden van armoede en onwetendheid in de Nederlandse samenleving schept. De socioloog J.A.A. van Doorn schreef dat ,,de aanwezigheid van de allochtonen, evolutionair gezien, de klok van de Nederlandse geschiedenis een halve eeuw of langer heeft teruggezet'' (`Indische Lessen', 1995).

 

We hebben een uitzonderlijke tijd achter ons, waarin een zeer ontspannen en welvarende samenleving de teugels heeft laten vieren. De illusie van onkwetsbaarheid was sterk en het leek alsof de vrijheid en verdraagzaamheid zich als vanzelf bestendigden. Die jaren zijn voorbij. Burgers ontlenen momenteel minder rechtszekerheid, sociale bescherming en culturele bevestiging aan de staat. Nu deze hoekstenen van onze tevreden natie zijn gaan schuiven, keren velen zich af van een overheid die zichzelf voortdurend relativeert. De politieke bovenlaag die vroeger over een duidelijke beschavingsmissie beschikte, twijfelt aan zichzelf en verliest meer en meer zijn greep op de maatschappelijke werkelijkheid.

 

Zo kan men de weigering begrijpen van kabinet en parlement voor iedereen zichtbare en vaak gesignaleerde problemen rondom etnische minderheden in Nederland onder ogen te zien. Een parlementair onderzoek naar het immigratie- en integratiebeleid is nodig, want nu worden hele generaties onder het mom van tolerantie afgeschreven. Het huidige beleid van ruime toelating en beperkte integratie vergroot de ongelijkheid en draagt bij tot een gevoel van vervreemding in de samenleving. De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud. Het multiculturele drama dat zich voltrekt is dan ook de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede.

 

Datum:

29-01-2000

Sectie:

Opinie

Pagina:

6

Info:

Paul Scheffer is publicist.

Onderschrift:

Tekening: Frits Mller

Trefwoord:

Minderheden; Sociaal cultureel; Maatschappij; Bevolking

 

Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.