Immigratietrauma’s

de Volkskrant, Boeken, 5 oktober 2007 (pagina 23)
Piet Emmer

In de baaierd van emoties waarmee de immigratie en integratie in Nederland zijn omgeven, is het nieuwe boek van Paul Scheffer, Het land van aankomst, een verademing. Al valt er op zijn veronderstellingen wel wat aan te merken. Door Piet Emmer

Kees van Kooten als de Turk Mehmet Pamuk (rechts), die in voortreffelijk Nederlands boodschappen doet bij groentenist Henk Blok (Wim de Bie) in 1984.

Er zit niet anders op dan te blijven nadenken over een toekomst met immigratie

Het land van aankomst

Paul Scheffer

De Bezige Bij; 477 pagina’s; € 22,50 (paperback), € 27,50 (gebonden)ISBN 978 90 234 1974 7 (paperback)ISBN 978 90 234 7070 0

Paul Scheffer gaat zondag 7 oktober in debat met oud-premier Ruud Lubbers op een bijeenkomst van de Volkskrant op zondag. Een van de stellingen waarover zij de degens kruisen is: de politieke elite is te luchthartig met immigratie omgesprongen. Aanvang 16 uur (aanmelden via 020 6385606), toegang gratis, De Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam (zie ook www.rodehoed.nl)

Máxima straalde bij de presentatie van het rapport van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid over de integratie van immigranten en wenste ons ‘veel leesplezier’, maar de kritiek was er niet minder om. Nederland bestaat niet? Twee paspoorten staan een goed Nederlanderschap niet in de weg? Je eigen ‘footprints’ koesteren? Inburgeren op basis van vrijwilligheid? Dat was toch allemaal achterhaald en moest toch juist te vuur en te zwaard worden bestreden? Volgens Geert Wilders zou de raad uit een stelletje wereldvreemde geleerden bestaan, die nog niet hadden ontdekt dat het multiculturalisme al jaren had afgedaan. Immigranten dienen zich aan te passen of naar huis terug te keren. Van nieuwe immigratie kan geen sprake zijn. Nederland moet eerst maar eens op slot, want alleen dan kunnen we orde op zaken stellen.

Deze tegenstellingen geven wel aan dat immigratie en integratie Nederland tot op het bot verdelen en dat de discussie steeds meer wordt overheerst door emoties. Om knettergek van te worden.

Dat het debat zo heftig is, komt doordat veel Turkse en Marokkaanse immigranten een eeuwigdurende last voor Nederland dreigen te worden. We wisten al dat de eerste generatie weinig verdiende, weinig premies en belastingen betaalde, maar disproportioneel gebruikmaakte van de sociale voorzieningen, gesubsidieerde huisvesting en de gezondheidszorg. Nu vervliegt echter ook de hoop dat de tweede generatie het beter zal doen. Turkse en Marokkaanse kinderen verlaten massaal hun school en opleiding zonder diploma, komen relatief vaak in aanraking met justitie en lijken zich nog minder met Nederland te identificeren dan hun ouders. Nederland bestaat niet meer. Niet, zoals Máxima bedoelde, omdat de Nederlanders niet goed weten wie en wat ze zijn, maar omdat er in de grote steden hele wijken zijn met bewoners die niet bij Nederland willen horen.

Tot overmaat van ramp, lezen we bijna dagelijks in de kranten, geeft de economie ons geen rust. Pas op de plaats is er niet bij, want Nederland vergrijst in hoog tempo, het aantal werkenden wordt steeds kleiner, terwijl onze economie niet om minder, maar juist om meer arbeid vraagt. Wat te doen? Voorlopig wringen we ons in allerlei bochten om maar niet te hoeven nadenken over nieuwe immigranten. Vandaar dat we plotseling verontwaardigd zijn over het feit dat de vrouwen in Nederland in overgrote meerderheid in deeltijd willen werken. En waarom zou de pensioenleeftijd niet wat opgetrokken kunnen worden? Bovendien staan er nog steeds meer dan een miljoen mensen met een uitkering aan de kant, en ook zij zouden best eens de handen uit de mouwen kunnen steken. En mocht dat allemaal niet voldoende zijn, dan maar geen groeiende economie. Maar alsjeblieft, is de boodschap, geen permanente immigratie meer. Zelfs de pendelende Polen boezemen ons angst in, hoewel ze keihard werken, hevig in de juiste God geloven en nauwelijks gebruikmaken van onze dure sociale voorzieningen.

In deze baaierd van emoties is het overzichtswerk van Paul Scheffer een verademing. Het land van aankomst zou verplichte lectuur moeten zijn voor al diegenen die ’s nachts liggen te woelen omdat Nederland onmachtig lijkt de vele integratie - en immigratieproblemen het hoofd te bieden. Niet dat de auteur kant-en-klare oplossingen voorstelt, maar hij kan het allemaal zo goed, weloverwogen en rustig uitleggen.

Het PvdA-lid Scheffer heeft ook veel gezag. Zeven jaar geleden maakte hij met zijn essay over het multiculturele drama een abrupt einde aan de gedachte dat ons vrijblijvende multiculturalisme goed was voor de nieuwkomers. Niet langer wegkijken, vergoelijken en de segregatie maar voor lief nemen, maar de immigranten dwingen om mee te doen. Dat was toen vloeken in de linkse kerk, want veel van wat Scheffer zei, werd traditiegetrouw geassocieerd met onfrisse lieden van extreem rechtse signatuur, zoals Janmaat, Le Pen, Dewinter en consorten. Toegegeven, de toenmalige VVD-leider Bolkestein had ook wel eens iets in die trant opgemerkt, maar dat werd als een eenmalige oprisping gezien.

Het land van aankomst is een uitvoerige onderbouwing van Scheffers essay over het multiculturele drama, en meer dan dat. De auteur heeft zich breed ingelezen, en de literatuurlijst is van een encyclopedische omvang. Hier en daar lijkt de tekst op een omgevallen boekenkast, maar dat vergeef je de auteur graag vanwege zijn weloverwogen meningen en zeer leesbare stijl. Het zal overigens nog een hele toer worden om na te gaan waar al die citaten en opvattingen precies vandaan komen, want voetnoten ontbreken. Immigratie en integratie zijn steeds terugkerende thema’s, maar en passant behandelt Scheffer ook de geschiedenis van de Europese expansie, het kolonialisme, de dekolonisatie, het racisme, de afwijkende ontwikkeling van China, de eenwording van Europa, de opkomst van de laïcité in Frankrijk, de discriminatie van de ex-slaven in de VS, de gelijkwaardigheid en ongelijkwaardigheid van culturen, en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Al die interessante uitweidingen doen er niets aan af dat Scheffer aan zijn vroegere mening vasthoudt. Dat wil zeggen: eigen uitkeringstrekkers eerst, en liever geen nieuwe immigranten; geen multiculturalisme, want dan weten de immigranten niet in welk land ze zijn gearriveerd; trots zijn op Nederland, want alleen dan wordt het de immigrant duidelijk dat je erbij moet horen; geen zwarte scholen en gesegregeerde wijken, hoe verleidelijk het ook mag zijn om immigranten bij wijze van tussenfase even onder elkaar te laten.

Nederland is volgens de auteur eigenlijk geen geschikt immigratieland, want een aantal van onze verzuilde maatschappelijke arrangementen houdt geen rekening met de noodzaak om van nieuwkomers Nederlanders te maken. De eerste generatie immigranten mag dan moeite hebben om vast te stellen wat het land van aankomst precies inhoudt, voor hun kinderen zou dat anders moeten zijn, al was het maar op school. Maar zelfs daar komt weinig van terecht, want de meerderheid van de basis- en vmbo-scholen in de grote steden is ‘zwart’, terwijl een klein aantal moslimouders de onderwijspacificatie van 1917 (!) gebruikt om met moslimscholen nog meer apartheid in het onderwijs te scheppen. Zuilen hebben alleen zin als ze geleid worden door een elite van welbespraakte, goed opgeleide voormannen, en die hebben de Turken en Marokkanen niet.

Het is de tragiek van de voordenker dat zijn ideeën pas na enige tijd gemeengoed worden, en zo is het ook met Scheffers aanbevelingen om de reeds in ons land woonachtige nieuwkomers krachtig onder de arm te pakken en bij Nederland te betrekken. Maar op de vraag of Nederland in de toekomst nog immigranten nodig heeft en zo ja, hoe we de fouten van vroeger dan vermijden, heeft zijn boek niet méér te bieden dan een pleidooi voor een pas op de plaats. Het binnenhalen van immigranten is gevaarlijk en onnodig, want dan doen we niet genoeg moeite om werk te vinden voor hen die aan de kant staan, meent hij. We hebben volgens de auteur trouwens geen nieuwe immigranten meer nodig, want Nederland is af, we zijn rijk genoeg, en er komt toch nooit meer zo’n groeispurt als tijdens het Wirtschaftswunder van na de Tweede Wereldoorlog.

Op elk van deze veronderstellingen is wel wat aan te merken. Zo is het gelukkig helemaal niet zeker dat er een eind is gekomen aan de economische groei in Nederland, want die zal ook in de toekomst hard nodig zijn om achterstanden, armoede en milieuvervuiling te bestrijden. Meer groei betekent meer koopkracht, en dat schept nieuwe kansen, ook voor de Derde Wereld. Daardoor kunnen de industrie en de dienstverlening groeien, maar anders dan Scheffer denkt gebeurt dat in de arme landen meestal maar mondjesmaat, omdat ze er niet in slagen om producten en diensten te ontwikkelen die het Westen wil kopen. Groei betekent dan ook meer bedrijvigheid in eigen land, en daardoor zullen er in de toekomt nog meer gaten op de Nederlandse arbeidsmarkt vallen dan nu al het geval is.

Met hangen en wurgen kunnen we de arbeidsparticipatie in Nederland nog wel wat verhogen, maar daar moeten we niet te veel van verwachten. Wat is er trouwens op tegen als we de gestegen welvaart gebruiken om minder betaald werk te doen? En wie zit er te wachten op de uitkeringstrekkers die onder de dreiging van draconische kortingen op hun uitkering de arbeidsmarkt zijn opgeslagen? Vanaf het ontstaan van de welvaartsstaat hebben we ons verzoend met de gedachte dat niet iedereen een plaats kan vinden in onze economie en dat we daar een nette financiële regeling voor moeten treffen. In een oprisping van politiek incorrecte eerlijkheid hebben de directeuren van de sociale diensten in Nederland trouwens laten weten dat het grootste deel van de langdurig werklozen op de arbeidsmarkt geen enkele kans meer maakt.

Dan maar een Nederland met een kleinere economie zonder ongeschoolde immigranten? De fruitplukkers in het Westland zijn toch een aflopende zaak, want landen met gratis zon en lage lonen kunnen veel goedkoper groente en fruit telen. Helaas, weer blijkt dat arme landen niet beschikken over de juiste technologie, goede marketing en effectief management. Het is te gek voor woorden dat we nog steeds bloemen en tomaten produceren, maar na de haven van Rotterdam en Schiphol is de tuinbouw wel de derde motor van onze economie. Daarin verdienen tienduizenden goed opgeleide Nederlanders een behoorlijke boterham, want naast het eenvoudige plukwerk kent de sector veel innovatie en nieuwe technologie. Die zet je niet even bij het oud vuil, zoals Scheffer langs zijn neus weg voorstelt.

Als het om integratie gaat, valt er weinig op de analyse en aanbevelingen van Scheffer af te dingen, maar zijn pleidooi voor een ‘Fort Nederland’ maakt weinig indruk, al was het maar omdat de propagandatruc van Goebbels met zijn Festung Europa op een grote mislukking is uitgelopen. Er zit niet anders op dan te blijven nadenken over een toekomst met immigratie. Nederland mag dan worden geteisterd door de nasleep van een verkeerde immigratiepolitiek met verkeerde immigranten, het ontvangt dagelijks ook hard werkende Oost-Europese pendelaars en talloze hoog opgeleide nieuwkomers die flink bijdragen aan onze welvaart. Geslaagde immigranten vormen een geschenk voor het ontvangende land, alsof je een wegennet of een dijkenstelsel cadeau krijgt. Dat daar in het hier besproken boek weinig over te lezen valt, bewijst hoe groot het immigratietrauma in Het land van aankomst is. Piet Emmer is hoogleraar geschiedenis in Leiden. Hij schreef samen met Hans Wansink Wegsturen of binnenlaten – Tien vragen en antwoorden over migratie (De Arbeiderspers)