De sputterende emancipatiemachine

 

Paul Scheffer

 

Wie suggereert dat de het duidelijke gewicht van de allochtone stem inde gemeenteraadsverkiezingen bewijs is van integratie, miskent het gevaarvan een etnisch eilandenrijk. De cijfers uit Amsterdam en Rotterdam latenzien hoe groot de problemen zijn - en daarbij steekt de hoofdstad helemaalniet gunstiger af dan de Maasstad. Werkloosheid, witwassen van Cito-toetsscores, segregatie - de grote steden moeten niet tegenover elkaar staan,maar samenwerken.

 

De gemeenteraadsverkiezingen waren volgens sommigen een feest voor dedemocratie. De hogere opkomst van kiezers uit de migrantengemeenschappenwerd bejubeld en een landelijk ochtendblad sprak instemmend over een'zwarte middelvinger'. De allochtone stemmers hadden duidelijk gemaaktwaarom zij de toon van het kabinet onaanvaardbaar vinden. Dat was toch eenduidelijk bewijs van integratie?

 

Na de blanke middelvinger van 2002 nu dus de zwarte middelvinger van2006. Actie en reactie, de uitslagen horen bij elkaar en laten eenpolarisatie zien die voortvloeit uit de problemen in de grote steden. Deverklaring voor beide uitslagen is dezelfde: vrees voor verandering, eenroep om bescherming. Voor wie er wil besturen is de opdracht duidelijk: devervreemding aan 'autochtone' en 'allochtone' kant moet worden overwonnen.Wanneer verandering louter als een verlies wordt ervaren, zal detweedeling langs etnische lijnen zich verdiepen en zal een administratiefbegrip als 'allochtoon' werkelijkheid worden. 'De allochtone stem': wiesprak daar nog over integratie?

 

Dat migranten meer opkomen bij verkiezingen is toe te juichen. En datmigranten en masse voor ťťn partij kiezen, kan als oppositioneel gebaarworden begrepen en toont het zelfcorrigerende vermogen van een democratie.Dat is helemaal geen probleem, integendeel. Maar zou dit een patroonworden, dan zou dat slecht nieuws zijn, hoezeer sociaal-democratischeKamerleden ook opgeven 'over een trend die is gezet'. Het zou namelijk insteden waar de helft van de bevolking allochtoon is, op den duur kunnenzorgen voor een witte vlucht in stemgedrag. Het samenvallen van etnischeen politieke scheidslijnen is niet goed voor het vertrouwen in dedemocratie.

 

Willen we dat een autochtone stemmer zich vertegenwoordigd kan voelendoor Aboutaleb of Griffith of willen we dat iedereen stilletjes denkt'eigen volk eerst'? Dat laatste kan alleen maar worden vermeden alsSurinaamse of Turkse kiezers niet alleen op eigen kandidaten en zeker nietallemaal op ťťn partij stemmen. Blijven we ons oriŽnteren op eenverdeelde herkomst of op een gemeenschappelijke toekomst?

 

Het kan niemand verbazen dat veel migranten zich vooral richten op huneigen groep, maar wanneer dat niet uitloopt op een vereenzelviging met desamenleving als geheel, zal de segregatie alleen maar verder toenemen.

 

Wat voorkomen moet worden is een terugval in de multiculturele droom vanweleer, al was het maar omdat de problemen in de afgelopen jaren erwerkelijk niet minder op zijn geworden. Je hoort her en der: 'deallochtonen hebben voor ons gekozen, nu moeten wij voor de allochtonenkiezen'. De stemdiscipline kan gemakkelijk tot cliŽntelisme leiden, watuiteindelijk ook voor migranten niet goed is. Zoals publicist MohammedBenzakour schreef: 'Het leidt tot degradatie van het onafhankelijke,individuele denken en kiezen. Dit is droevig, temeer daar we zo natuurlijken voortvarend op weg waren los te komen van die etnische gesegregeerdedwangbuis.'

 

Willen we deze patstelling doorbreken, dan moet allereerst nuchterworden gekeken naar de toestand in de grote steden. De socioloog Van Doornschreef in een commentaar op de verkiezingen over de positie van migranten:'Ze staan niet, zoals vroeger de Nederlandse arbeiders onder op demaatschappelijke ladder, maar ze staan er grotendeels naast. Ze zullen denodige stappen moeten zetten alvorens de onderste treden te kunnenbestijgen. Dat wil zeggen dat de PvdA naast een sociale emancipatietaak ookeen culturele integratieopdracht krijgt toegeschoven.' Hij heeft gelijk,maar dat geldt evenzeer voor de andere grote partijen, die zich ook deuitslag van de verkiezingen zeer moeten aantrekken.

 

Nog steeds wordt de grootstedelijke problematiek niet op waardegeschat. Zo zijn Amsterdam en Rotterdam de afgelopen jaren voortdurendtegenover elkaar gesteld, als zouden de problemen in die laatste stad veelurgenter zijn. Het heeft ertoe geleid dat deze steden een verschillende weghebben gekozen en dat Amsterdam met de rug is gaan staan naar de regering,die onlangs nog door stadsbestuurders hooghartig werd gekwalificeerd alseen 'plattelandskabinet'. Allemaal niet erg productief, wanneer men debelangen van de eigen burgers wil dienen. Een vergelijking van deze stedenpakt helemaal niet zo eenduidig in het voordeel van Amsterdam uit. Zeker,er is genoeg dat voor de hoofdstad spreekt. Zo is de beroepsbevolking inAmsterdam beter opgeleid en toegerust op een postindustriŽle samenleving.Uitgesplitst tussen een laag, midden en hoog opleidingsniveau is deverdeling voor Amsterdam respectievelijk 21, 34 en 45 procent. VoorRotterdam zijn die cijfers 34, 36 en 30 procent. Waar er verschillen zijn,worden die vooral veroorzaakt door de omvang van de laagopgeleideautochtone bevolking, terwijl de prestaties van de migranten en hunkinderen zeer vergelijkbaar zijn.

 

De werkloze beroepsbevolking in Amsterdam is 8 procent tegenover 10,5procent in Rotterdam en het gemiddeld besteedbare inkomen is in Amsterdamhoger: 13.700 versus 12.200 euro. Dat laatste heeft overigens veel te makenmet het aandeel van westerse migranten in de bevolking van Amsterdam, dattwee keer zo hoog is als in Rotterdam (10 tegen 5 procent). En diemigranten verdienen goed.

 

Al die gegevens bevestigen de gangbare indruk dat Amsterdam er betervoor staat. Toch is dat lang niet het hele verhaal. Kijken we naar deuitkeringsafhankelijkheid, dan zien we dat Amsterdam het slechter doet danRotterdam, ondanks de zwakkere economie van die laatste stad. Tellen wenamelijk de werkloosheidsuitkeringen, bijstand en arbeidsongeschiktheid bijelkaar op, dan zien we dat in de hoofdstad 14,1 procent en in de grootstehavenstad 13,5 procent van de beroepsbevolking afhankelijk is van eenuitkering. Dat komt omdat in Amsterdam aanzienlijk meer mensenarbeidsongeschikt zijn dan in Rotterdam, wat merkwaardig is gezien hetzwaardere werk in de haven.

 

Kijken we naar een ander gegeven: de segregatie, het uit elkaar groeienvan bevolkingsgroepen in de wijken en de scholen van de stad. Uit derapportage van de Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdamblijkt dat in Rotterdam de segregatie is afgenomen, terwijl die inAmsterdam juist is toegenomen. Dat is slecht nieuws. Wanneer het motto is'de boel bij elkaar houden', dan moet de groeiende segregatie toch als eenaanwijzing worden gezien dat het beleid niet werkt.

 

Kijken we vervolgens naar het onderwijs, waar de gegevens ronduitalarmerend zijn. Ook in Amsterdam zijn de trends overwegend negatief. Vanalle jongeren tussen de 17 en 23 jaar in Amsterdam heeft gemiddeld 44procent geen startkwalificatie, dat wil zeggen minimaal twee jaarmiddelbaar beroeps onderwijs (zeg maar mavo plus). Uitgesplitst over deverschillende groepen levert dat het volgende beeld op: Surinamers 67,9,Antilianen 51,7, Turken 54,3, Marokkanen 61 en Nederlanders 30,8 procent.Dan hebben we het over de jeugd die de toekomst van de grote steden zalbepalen en dat beeld is dus zonder meer slecht.

 

Het probleem van gemiddelden is dat de toenemende verschillen binnenetnische groepen niet zichtbaar worden. Zo zit ongeveer driekwart van deTurkse en Marokkaanse leerlingen op het vmbo, maar ook een kwart ophavo/vwo. Dat kwart mag niet uit het oog worden verloren, al is het welduidelijk dat zij nog steeds aanzienlijk oververtegenwoordigd zijn op hetvmbo en daarbinnen weer in de lagere leerwegen.

 

De werkelijke stand van zaken in het basisonderwijs wordt door demanipulatie van Cito-scores aan het zicht onttrokken. De groep zogenoemde'zorgleerlingen' die buiten de score wordt gehouden, bedroeg in 2005 inAmsterdam op 6.300 leerlingen in groep 8 niet minder dan 1400, dat wilzeggen: bijna een kwart van de leerlingen in het basisonderwijs wordt nietmeegeteld. Dat aantal is in de afgelopen drie jaar toegenomen van 17 naar23 procent. Geen wonder dat de gemeente Amsterdam elk jaar rapporteert datde Cito-scores stijgen. In Rotterdam werd in 2005 18,8 procent van deschoolpopulatie buiten de Cito-score gehouden.

 

Wethouder Aboutaleb verdedigt het witwassen van de scores met hetargument dat het vooral om leerlingen gaat die pas kort in Nederland zijn.Dat klopt eenvoudigweg niet. Van de 1400 leerlingen gaat het in derapportage van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeenteslechts om 40 leerlingen die te kort in Nederland zijn. De overigen hebbendermate grote leerachterstanden en/of gedragsproblemen dat een reguliereloopbaan in het onderwijs er niet in zit. Een kwart van de leerlingen, datis heel veel. Ten slotte de positie van de minima. Bijna eenderde van allejongeren, zo'n 40.000 in totaal, in die stad groeit volgens de Amsterdamsearmoedemonitor 2005 in armoedige omstandigheden op. Opnieuw is het beeldvoor de etnische minderheden niet goed: van de Marokkaanse jongeren leeft46 procent op de armoedegrens, van de Antilliaanse jongeren 43procent, vande Turkse jongeren 38 procent en van de Surinaamse jongeren 36 procent.

 

Dat zijn allemaal voorbeelden die duidelijk maken dat Amsterdam hetweliswaar aan de bovenkant beter doet dan Rotterdam, maar dat aan deonderkant de problemen in beide steden zeer vergelijkbaar zijn, wanneer wekijken naar kwesties als schooluitval, jongeren zonder startkwalificatie,armoede, uitkeringsafhankelijkheid, segregatie en criminaliteit. Ook alheeft de houding van burgemeester Cohen na de moord op Theo van Gogh veelwaardering gekregen, gemeten aan de eigen doelstellingen zijn de resultatenvan het stadsbestuur mager te noemen.

 

Voorstellen zijn er genoeg, bijvoorbeeld om voor de zwakkere leerlingende basisschool een jaar te verlengen of om door middel van eigentijdseinternaten voor meer sociale controle te zorgen voor leerlingen uitproblematische gezinnen. En dan is er de roep om een hervorming van hetvmbo die op korte termijn tot iets moet leiden. We weten dat het met de eerste generatie migranten niet goed is gegaan. Nu dreigt een aanzienlijkdeel van de tweede generatie, de schoolgaande jeugd, op een doodlopendspoor te raken.

 

De emancipatiemachine die de grote stad zou moeten willen zijn, sputterten valt stil. Dat heeft naast sociale ook culturele oorzaken. Willen we deimpasse overwinnen, dat moet de zinloze polemiek tussen eensociaal-economische en een culturele benadering van het integratievraagstukworden gestaakt. Het is zonneklaar dat beide onontbeerlijk zijn.Emancipatie is meer dan materiŽle lotsverbetering alleen, maar altijd ookwat vroeger culturele 'verheffing' werd genoemd en wat we nu alsburgerschap zouden kunnen omschrijven.

 

Er is een botsing gaande tussen de vaak traditionele gezinsmoraal vanmigranten en een moderne, geÔndividualiseerde samenleving. Het islamdebatin Rotterdam was een poging om met vallen en opstaan het gesprek daaroverte voeren. Hoeveel avontuurlijker en spannender was dat vergeleken met debrave campagne 'wij Amsterdammers'. Er gist meer binnen demigrantengemeenschappen dan vaak wordt aangenomen en het gaat erom destemmen die aandringen op verandering te horen. Dat er nu bijvoorbeeldinitiatieven zijn in de Turkse gemeenschap om het probleem van de eerwraakaan de orde te stellen, is belangrijk, omdat het geweld tegen vrouwen geenmarginaal verschijnsel is.

 

Er zijn tekenen van vrijheid en tegelijk is een vervreemding zichtbaardie iedereen zorgen moet baren. De uit SomaliŽ afkomstige schrijfsterYasmine Allas merkt op in haar zojuist verschenen Ontheemd en toch thuis:'Ik ontmoette mensen die al jaren hier woonden, maar die er werkelijk geenidee van hadden wat Nederland was, mensen die alleen door hun cultuur engeloofsgenoten waren omringd, kinderen die hier in dit land waren geborenen getogen maar die nog nooit met Nederlandse kinderen in aanraking warengeweest. Tot mijn verbazing ontmoette ik mensen die gekozen hadden voor ditland, maar er tegelijkertijd met minachting over spraken.'

 

In die vaststelling ligt een uitnodiging besloten om buiten de eigenetnische gemeenschap te kijken en zich te vereenzelvigen met de stad alsgeheel. Nu zien we een verdeeldheid van de stedelijke samenlevingen, diesteeds meer tot een etnisch eilandenrijk worden zonder al te veel bruggen.Die scheidslijnen maken het belang van een nieuwe middenklasse, die zichongeacht etnische achtergrond verantwoordelijk voelt voor de steden, alleenmaar groter.

 

Het is onbegrijpelijk dat de grote steden niet meer doen aan rituelenvan burgerschap. Om te beginnen zouden ze de naturalisatieceremonie, dievanaf begin dit jaar verplicht is, met veel animo gestalte moeten geven.Wat is er mooier dan de Burgerzaal van het paleis op de Dam, ons eigenstadhuis dat tijdelijk is uitgeleend aan de koninklijke familie, enkelemalen per jaar gevuld met duizend nieuwe Nederlanders, die door deburgemeester, door schrijvers, ondernemers, sporters en wie al niet wordentoegesproken. Betrek schoolklassen erbij en je maakt op gezette tijdenzichtbaar dat de stedelijke bevolking diepgaand verandert en je hebt eenverwachting tegenover de nieuwkomers uitgesproken. In de praktijk gebeurter in de meeste steden, ook in Amsterdam, helemaal niks, in weerwil vanalle hooggestemde opvattingen over burgerschap.

 

Ziedaar grootstedelijke ambities voor de komende jaren. De problemen inRotterdam en Amsterdam tonen ons in een uitvergrote vorm de problemen vanalle grote en middelgrote steden in ons land. Die problemen gaan niet wegdoor andere politieke verhoudingen. Integendeel, ze behoren iedereen diezich opwerpt als stadsbestuurder te disciplineren. Dat geldt voor deťťnpartijstad Amsterdam, maar ook voor Rotterdam. Hoe denken de winnaarsde stad te verenigen, waar het de leefbaren niet is gelukt om de etnischeverschillen te overbruggen? De sociaal-democraten zijn niet bij machtegebleken om de eigen traditionele achterban terug te winnen en hebben dusredenen genoeg om bescheiden te zijn en samenwerking te zoeken. Wanneer wede loopgraven van zwart versus wit verlaten, zien we dat er au fond geenbelangentegenstelling hoeft te zijn tussen 'autochtoon' en 'allochtoon'Nederland. In de steden moeten er toch nieuwe meerderheden te vinden zijnom de problemen met een grotere betrokkenheid aan te pakken.Onderwijsachterstand, uitkeringsafhankelijkheid, jeugdcriminaliteit,religieuze intolerantie of huiselijk geweld zijn problemen die demaatschappij als geheel raken. Dat veel van die problemen in verhevigdemate bijeenkomen in migrantengemeenschappen, kan niemand verbazen die degeschiedenis van onze migratie kent.

 

Iedereen die geÔnteresseerd is in de emancipatie van migranten, zoumoeten zien dat het strengere immigratie- en asielbeleid van de afgelopenjaren goed is geweest voor de grote steden. Toen burgemeester Cohen in zijnnieuwjaarstoespraak opmerkte dat Amsterdam een geweldig probleem heeft metarmoede, maar dat de instroom van armoede desondanks geen probleem is, ginghij daaraan nogal gemakkelijk voorbij. En dat terwijl de afgelopen decenniatoch zo duidelijk hebben gemaakt dat de massale immigratie vanlaaggeschoolde migranten uiteindelijk ook nadelig werkt voor de kansen opsociale stijging van de betrokken groepen, nog afgezien van de belastingvoor de stedelijke samenleving als geheel.

 

Kunnen we over het geheel genomen zeggen dat het immigratie- enasielbeleid effectief is geweest, met alle discussie over individuelegevallen die nodig is, op het gebied van integratie is weinig tot standgebracht door de regering. Integendeel: minister Verdonk is druk beziggeweest om de vertrouwensbreuk met de autochtone kiezer te herstellen endaarmee heeft ze bijgedragen aan een vervreemding van de allochtonestemmers.

 

Die dans van witte en zwarte middelvingers helpt ons niet verder. Alsde verkiezingen iets duidelijk hebben gemaakt, is het wel de noodzaak omeen terughoudend immigratiebeleid te verzoenen met een uitnodigendintegratiebeleid. Dat kan heel goed, maar het vereist wel een helder ideeover wat van migranten kan worden gevraagd en waartoe de samenleving zichzou willen verplichten. Dat is tot op heden uitgebleven. De grote stedenmoeten nu gezamenlijk het voortouw nemen en eigen voorstellen aandragen.Niemand is erbij gebaat dat Amsterdam en Rotterdam tegenover elkaar blijvenstaan en dat Amsterdam opnieuw de regering links laat liggen.

 

Wat voorkomen moet worden is een terugval in de multiculturele droom Grote steden moeten meer doen aan rituelen van burgerschap

 

Info:  

Buitengewoon hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteitvan Amsterdam en publicist Rectificatie / Gerectificeerd In het artikel De sputterende emancipatiemachine (18 maart, pagina 15) is een fout geslopen. De cijfers over de startkwalificatie van jongeren tussen 17 en 23 jaar in Amsterdam betreffen alleen jongeren die niet meer naar school gaan. Van hen heeft 67,9 procent van de Surinamers een ontoereikende startkwalificatie (minimaal twee jaar middelbaar beroepsonderwijs), 51,7 procent van de Antillianen, 54,3 procent van de Turken, 61 procent van de Marokkanen en 30,8 procent van de Nederlanders. Cijfers die een representatiever beeld geven over startkwalificaties van de verschillende groepen zijn landelijk en hebben betrekking op de categorie die niet meer naar school gaat tussen 20-34 jaar. In deze categorie ontbreekt het 40 procent van de Surinaams-Antilliaanse jongeren aan een adequate startkwalificatie. Bij Turkse en Marokkaanse jongeren gaat het om zo'n 60 procent en bij Nederlandse jongeren om circa 15 procent. Wat segregatie betreft is in Amsterdam sprake van een toename en in Rotterdam van een afname. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat de segregatie in Rotterdam nog zo'n 4 procentpunt hoger ligt. Bedroeg de zogeheten segregatie -index in 1980 in Amsterdam 30 procent en in Rotterdam 47 procent, nu zijn de percentages respectievelijk 37 en 41.