Alles van waarde moet zich verweren

 

Paul Scheffer

 

Lang is lang gedacht dat onze open samenleving zich vanzelf zou bestendigen en verdiepen, maar nu stuiten we op de grenzen ervan. De gewelddadige kanten worden zichtbaar van de onttroning van het gezag die in de jaren zestig is ingezet. Nederland is gedesoriŽnteerd geraakt en moet op zoek naar een nieuwe vorm van burgerschap. In een samenleving die worstelt met de problemen van migratie, vormen de grote steden het laboratorium daarvoor, vindt Paul Scheffer. Want zonder `wij' gaat het helemaal niet.

 

Toegegeven, het is een versleten woord, maar het land dat we het onze mogen noemen verkeert in een identiteitscrisis. Het gevoel van desoriŽntatie is aan alle kanten merkbaar, velen lijken niet goed raad te weten met de toestand waarin we ons bevinden. De `oude' politiek heeft afgedaan, maar wat is dan de `nieuwe' politiek? Burgers en bestuurders proberen greep krijgen op de veranderingen, die zich gewild en ongewild, in de achter ons liggende maanden hebben voorgedaan. Voorlopig is het een zoeken zonder veel zekerheden.

 

Sommige politici van het ancien rťgime weten precies wat er aan de hand is. Ze zijn gekozen als Kamerlid, hebben vervolgens voor de eer bedankt en zijn in hun welverdiende vakantie gaan nadenken over de stand van het land. De ongelukkige lijsttrekker hekelt de media als voorname oorzaak van zijn ondergang. En de vorige minister van Integratie weet zeker dat we nu worden geregeerd door `een wilde bende': het land dat hij heeft gediend is `gek geworden'. De druiven zijn er inderdaad verschrikkelijk zuur.

 

Wat vooral steekt is het `na ons de zondvloed' dat in hun uitlatingen meespreekt. De oppositie heeft nog geen begin gemaakt met het afleggen van verantwoording over de afgelopen periode - het wachten is onder anderen op Kok - maar vooral lijkt men zich in die kring niet te realiseren dat achter een spoedige mislukking van deze regering een groter risico schuilgaat. Verdere radicalisering van het ongenoegen is niet uitgesloten: wie of wat komt er na Fortuyn, die vraag zou iedereen bezig moeten houden. Er is van alles aan te merken op de nieuwe regering, maar het onbehagen dat zich voorlopig in de democratie manifesteert en niet erbuiten, moet eenieder zich aantrekken.

 

Het is beter om de verongelijkte geluiden uit de oppositiebankjes voorlopig links te laten liggen en zo onbevangen mogelijk te zoeken naar een duiding van de veranderingen in Nederland. Die omslag staat natuurlijk niet op zichzelf, maar past in een ontwikkeling die we ook zien in vergelijkbare landen als Denemarken, BelgiŽ en Oostenrijk. Hoe moeten we de afwijzing van de gevestigde politiek verklaren? Opvallend is in ieder geval dat die zich openbaart na lange jaren van economische voorspoed. Blijkbaar bestaat een onbehagen in de democratie dat eerder culturele dan sociale oorzaken heeft. In dat opzicht lijkt het hedendaagse protest vergelijkbaar met de tegendraadse stemming van de jaren zestig, die immers ook niet primair door sociale achterstand werd ingegeven.

 

Naast die overeenkomst bestaat een groot verschil met de toenmalige kritiek. De weerzin geldt nu de nieuwe regenten die zijn voortgekomen uit de omwenteling van de jaren zestig. Dat is meer dan alleen een personele wisseling van de wacht. Stond het verlangen naar verandering destijds in het teken van vrijmaking van de burger, nu staat het ongeduld in het teken van de veiligheid van de burger. We zien dat na vele jaren van nadruk op individuele ontplooiing en burgerrechten wordt gezocht naar woorden voor gemeenschapszin en burgerplichten, zeg maar gerust normen en waarden.

 

Wat aan het licht is gekomen is een breder onbehagen, dat niet alleen de mensen met een laag inkomen en weinig opleiding betreft, maar ook diep in het beter verdienende en hoger opgeleide deel van ons land reikt. De stemmen op Fortuyn komen uit alle delen van de samenleving en dat weerspreekt de simpele gedachte dat SBS6 de macht heeft gegrepen. Het onderzoeksbureau Motivaction kwam mei vorig jaar tot de conclusie dat de `sociaal-psychologische staat van Nederland alarmerend is'. Daaronder verstaan deze onderzoekers een groeiend wantrouwen jegens het openbaar bestuur en toenemende angst voor een verlies aan sociale bindingen. Volgens deze onderzoekers heeft de sociaal-economische ontwikkeling van ons land geen gelijke tred gehouden met de sociaal-culturele ontwikkeling.

 

We moeten dus zoeken naar de culturele veranderingen die zichtbaar worden in de politieke omslag van dit moment. Alom wordt geklaagd over een te ver doorgeschoten individualisme. Wie zoekt naar verklaringen voor de gekrenktheid in ons land die zich vertaalt in een toenemende agressie in de openbare ruimte, moet kijken naar de eenzijdige nadruk op rechten in de achter ons liggende decennia. De ruimte die elk individu opeist is enorm gegroeid en elke inbreuk daarop wordt ervaren als een persoonlijke belediging. Uitgestelde behoeftebevrediging is iets van vroeger, alles moet in het hier en in het nu beschikbaar zijn. Het maatschappelijke verkeer is steeds meer gaan lijken op het verkeer in engere zin. En daar is niets vanzelfsprekends aan, ook al vinden lacherige liberalen van links en van rechts dat je `gewoon jezelf' moeten kunnen zijn.

 

De grote nadruk op individuele vrijheden heeft een schaduwzijde. We hebben jarenlang geteerd op het sociale en culturele kapitaal van vorige generaties. Het leek alsof de vrijheid zichzelf beteugelde, maar die zelfbeheersing kwam mede voort uit de herinnering aan een gezagsgetrouwe samenleving. De onttroning van het gezag is inmiddels gemeengoed en, zo is wel gebleken, heeft naast weldadige ook gewelddadige kanten. De toegenomen agressie tegen leerkrachten, artsen, politieagenten, kortom tegen al degenen die zorg dragen voor het samenleven, kan niemand meer ontgaan.

 

De criminoloog Hans Boutellier wijst in zijn recente boek De veiligheidsutopie op een tegenstrijdige ontwikkeling: aan de ene kant is de hang naar vrijheid enorm toegenomen en tegelijk daarmee is de roep om bescherming tegen de gevolgen van die vrijheid ůůk enorm toegenomen. Het gevoel van onveiligheid is echt meer dan een subjectieve beleving, want de misdaad is sinds de jaren zestig vertienvoudigd. En de rechtshandhaving is langzaam maar zeker ondermijnd nu niet meer dan gemiddeld vijftien procent van de misdrijven wordt opgelost.

 

Het blijft van groot belang dat het individu wordt beschermd tegen een al te opdringerige overheid, die zich niet moet bedienen van gelegenheidswetgeving, zoals in het geval van Volkert van der G. is gebeurd. Maar de nadruk op individuele vrijheden en rechten is ten koste gegaan van de rechtsstaat. Dat wordt al snel duidelijk wanneer we naar de wetgeving op het gebied van de privacy kijken. Jaren achtereen zijn stap voor stap de wettelijke waarborgen van de privť-sfeer versterkt tot het punt is bereikt waarop die waarborgen afbreuk zijn gaan doen aan de openbare sfeer. Lange tijd heeft men geweigerd om persoonsgebonden gegevens te koppelen teneinde sociale fraude te achterhalen en dat heeft een zeer nadelige invloed gehad op de publieke moraal.

 

En zo zijn er meer voorbeelden van een overdreven nadruk op privacy. De hele discussie over een algehele identificatieplicht staat in deze toonzetting. Elke suggestie om een voor iedereen verplicht identificatiebewijs in te voeren om zo onder meer illegaliteit te kunnen tegengaan, wordt onmiddellijk bestreden als een vergaande aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Veel te weinig stelt men zich de vraag of het door de vingers zien van illegaliteit niet een toenemende inbreuk vormt op de publieke levenssfeer. De slotsom van onderzoekers die de overheid verwijten dat een strengere aanpak van illegaliteit leidt tot meer misdaad - door hen `overlevingscriminaliteit' genoemd - laat eenzelfde misvatting zien. Hier worden zoals zo vaak de daders verontschuldigd en wordt een overheid aangeklaagd, die eindelijk werk wil maken van het bestrijden van illegaliteit.

 

Wat opvalt is dat het denken over zulke kwesties in juridische kring nogal achterloopt bij de maatschappelijke ontwikkelingen. De eerste reflex is altijd dat men bij een relativering van individuele waarborgen spreekt over een ondermijning van de rechtsstaat, terwijl opsporingsmethoden zoals preventief fouilleren juist de rechtsstaat kunnen dienen. Een politie die over ruimere bevoegdheden beschikt verplicht zich overigens wel tot een zorgvuldig gebruik ervan, opdat de angst van critici die zeggen dat identificeren zal gaan neerkomen op discrimineren, niet wordt bewaarheid.

 

De nadruk op individuele vrijheden heeft veel opgeleverd, maar is op een grens gestuit. Niemand wil terug naar de jaren van de wederopbouw, maar er hoeft in de zoektocht naar een andere verhouding van vrijheid en veiligheid ook helemaal geen nostalgisch motief mee te spelen. De omslag die we nu meemaken heeft een productieve kant, omdat op die manier juist de emancipatie van de burger wordt verdedigd. Wie de onveiligheid laat voortbestaan schept namelijk een sfeer van intolerantie, die zich uiteindelijk tegen de vrijheid keert.

 

Iedereen die zegt dat het onbehagen in de democratie niet alleen met repressieve middelen kan worden opgelost heeft natuurlijk gelijk. En juist daarom is het debat over `normen en waarden' zo slecht nog niet. De filosoof GabriŽl van den Brink pleit al langer voor een `beschavingsoffensief'. Hoe we het ook omschrijven, de huidige politieke omslag vraagt om een culturele herwaardering. Dat zelfonderzoek behoort de kern van het maatschappelijke debat te vormen. De roep om rechtshandhaving is namelijk kansloos zonder een bewuste cultuuroverdracht. Het omgekeerde geldt evenzeer: alles van waarde moet zich verweren. Een open samenleving behoeft verdediging.

 

Nederland staat in dat zelfonderzoek niet alleen. Overal zien we de opvattingen verschuiven van een relativering van de eigen cultuur naar een bevestiging daarvan. Dat kan een verandering ten goede zijn wanneer een nieuw evenwicht wordt gevonden tussen het streven naar zelfrelativering, dat uit de aanraking met andere culturen terechte vragen afleidt, en de behoefte aan zelfbevestiging, die een begrijpelijke reactie vormt in een woelige wereld.

 

Misschien is de identiteitscrisis hier wel zo diep omdat de omslag van de jaren zestig in ons land veel sneller en radicaler verliep dan in andere Europese landen. Die botsing van zelfrelativering en zelfbevestiging in onze cultuur roept in ieder geval heftige emoties op. Nadruk op het eigene kan al snel leiden tot vormen van uitsluiting van mensen of ideeŽn die als vreemd worden ervaren. Tegelijk kan een verwaarlozing van de overdracht van het culturele erfgoed bijdragen tot een samenleving die steeds minder innerlijk verband heeft en geen burgers meer kent maar louter consumenten herbergt. De maatschappij als marktplaats mag voor sommigen een aantrekkelijke metafoor zijn, het is tegelijk een nogal karige uitkomst van de nationale geschiedenis die vier eeuwen omspant, met alle hoogte- en dieptepunten die daar bij horen.

 

Het zou mogelijk moeten zijn om de vragen die zo indringend worden gesteld bij de omgang met het eigen verleden, te zien als een uitnodiging om dat verleden op een eigentijdse manier serieus te nemen. Openheid in de wereld en koestering van het erfgoed moeten met elkaar in verband worden gebracht. De Franse filosoof Finkielkraut heeft gelijk wanneer hij weigert te kiezen tussen `het universalisme of het bewustzijn van een bijzondere lotsbestemming; de onthechting of het verband; de openheid of het erfgoed; de tolerantie of de trouw'.

 

En dat stelt bij voorrang eisen aan het onderwijs en de cultuur. Net zoals in de rechterlijke macht heerst in kringen van onderwijs en cultuur een consensus die niet meer van deze tijd is. De maatschappijleer-generatie die inmiddels voor de klas staat leeft met een sleets wereldbeeld. Sla eens een lesboek open voor geschiedenis, Sprekend verleden, en vanaf de eerste bladzijde slaat het relativisme je tegemoet: `Ieder verhaal is afkomstig van iemand die alles vanuit zijn eigen standpunt bekijkt en beschrijft of vertelt'. Het lesboek Latijn Via Nova leert ons dat de nadruk is verschoven van `kennis/inzicht' naar `vaardigheden/toepassing'. Nodig is een heroverweging van het onderwijs- en cultuurbeleid, die eindelijk eens niet over de vorm maar over de inhoud gaat. Wat willen we overdragen aan komende generaties, daar gaat het om.

 

De laatste jaren zeggen we steeds vaker tegen elkaar dat het aantal hoog opgeleide en dus mondige mensen in ons land zo enorm is toegenomen. Maar vragen we ons wel voldoende af wat er schuil gaat achter dat `hoog opgeleid' en `mondig'. Daar is niets vanzelfsprekends aan, sterker nog, we moeten ons afvragen of de vloedgolf aan afgestudeerden ook een culturele vooruitgang vertegenwoordigt. Hoe moeten we bijvoorbeeld de groei van gediplomeerden zien in verband met de uitholling van de leescultuur, die zichtbaar wordt in de afnemende belangstelling van boeken en kranten? Wat weten al die hoog opgeleiden eigenlijk over de wereld waarin ze leven op het moment dat ze hun studie afronden?

 

De vorige kabinetten hebben de minister van Cultuur afgeschaft - waarom is daar niet veel meer ophef over gemaakt? - en het huidige kabinet presenteert een regeringsverklaring waarin geen enkele maal over cultuur wordt gerept. Dat gebrek aan cultuuroverdracht staat op gespannen voet met de ambitie om een debat te voeren over normen en waarden. Want die publieke moraal heeft een geschiedenis. Men is burger in een gemeenschap, die zich het beste laat omschrijven als een eindeloos gesprek. Jan en Annie Romein zeiden het goed in hun Erflaters van onze beschaving: `Ook in den gevestigde Staat blijft de Natie in wording'. Telkens opnieuw moet onder woorden worden gebracht wat ons samenbindt en verdeelt.

 

Ook de erfgenamen van Fortuyn zullen moeten kiezen, tussen de consument die leeft van het ongeremde `hier en nu' en de burger die gevoed wordt door de gedachte dat er iets aan hem is voorafgegaan en dat er iets na hem komt. Burgerschap heeft te maken met de wil om te investeren in de nabije en de wijdere omgeving waar men deel van uitmaakt. Zo'n inspanning wordt alleen gedaan door mensen die ervan overtuigd zijn dat ze deel uitmaken van een voortgaande geschiedenis. Dat bewustzijn ontstaat niet vanzelf.

 

Veel te lang hebben we geleefd met de veronderstelling dat de open samenleving zich als vanzelf zou bestendigen en verdiepen. Wanneer burgerschap niet wordt gecultiveerd - eerst en vooral in het onderwijs - is een verval van omgangsvormen niet uit te sluiten. We zien nu hoe snel de vergroving om zich heen kan grijpen. Dat vrijheid van meningsuiting geen vanzelfsprekendheid is, blijkt dezer dagen opnieuw. `Zekerheden zijn schijnzekerheden gebleken,'staat in de troonrede, en daar is niets mee miszegd.

 

Waar veel in beweging is, waar veel stroomt, moet eenieder zich zorgen maken over erosieverschijnselen. De verantwoordelijkheidszin van de maatschappelijke bovenlaag is verzwakt en soms zelfs vervallen tot uitgesproken egoÔsme. Die vrijgelaten plek wordt nu opgevuld: het populisme komt ergens vandaan. Het conflict tussen `hoge' en `lage' cultuur is overal voelbaar. Wat opvalt is dat de verdedigers van die hoge cultuur zo onthand zijn nu ze onder vuur liggen in steden als Amsterdam en Rotterdam. MichaŽl Zeeman concludeerde terecht: ,,Of het nu gaat om de canonvorming in het onderwijs, de rol van de krant in de democratie of de culturele functie van de televisie, de zelftwijfel slaat wild om zich heen.''

 

Een cultuur die zich niet meer in staat acht tot `een gesprek met de vorigen', die geen historische bewustzijn koestert, zal verpieteren. Daarmee is geen pleidooi gehouden voor hoogmoed in de trant van onze cultuur is de beste, maar voor een besef van kwetsbaarheid, die elke open samenleving zou moeten kenmerken. Het bevorderen van burgerschap vormt een uitnodiging aan iedereen om zich verantwoordelijk te voelen voor het vreedzaam samenleven. Dat vereist geen kritiekloze aanvaarding van het bestaande. Integendeel, een open samenleving leeft van het vermogen van haar burgers om zelfstandig te denken en te oordelen. Maar om op een betekenisvolle manier van mening te kunnen verschillen is onderlinge betrokkenheid nodig en die ontstaat niet vanzelf.

 

Het is goed om hierbij vooral te kijken naar de grote steden. Daar verdicht het onbehagen zich en dat zijn dan ook de plaatsen waar een nieuwe cultuur van burgerschap bij voorrang zal moeten worden uitgevonden. In die steden ligt ook de historische oorsprong van het burgerschapsideaal. Maar de omgeving waarin die burgers hun weg moeten vinden is ingrijpend veranderd. Een manifest van de vier grote steden heeft als titel De stad in de wereld, de wereld in de stad. Dat is een mooie gedachte zolang wordt begrepen dat de globalisering bevrijdende, maar ook bedreigende, kanten heeft. De stadsbestuurders moeten niet vreemd opkijken wanneer het overgrote deel van de burgers zich kwetsbaar voelt in een wereld die steeds grenzelozer wordt.

 

Migratie is het symbool bij uitstek van deze nieuwe omgeving. Uit onderzoek is inmiddels gebleken dat de stemmers op Fortuyn vooral door die kwestie zijn gemotiveerd. Daarin staan ze niet alleen. Vooral in de grote steden is een toenemende spanning ontstaan tussen morele overtuigingen en praktische ervaringen. Mensen zeggen niet massaal de verdraagzaamheid op. Het is veel ingewikkelder: de wil om open te staan voor het vreemde botst met een toenemend gevoel van onzekerheid. Dat kan vele vormen aannemen, maar het onbehagen zet zich niet toevallig vast op het snijpunt van immigratie en criminaliteit. Dat steeds verder uiteenlopen van overtuigingen en ervaringen bedreigt op termijn werkelijk onze cultuur van tolerantie.

 

De vier grote steden prijzen zichzelf aan als emancipatiefabriek. De omvang van de immigratie laat zien dat er grenzen zijn aan het absorptievermogen van deze steden. Ligt er niet een verplichting aan de kant van de stadsbesturen om mee te denken over de vraag hoeveel mensen we kunnen opvangen en in welke mate we onze instituties kunnen belasten met de achterstandsproblematiek, die veel immigratie met zich meebrengt. De armslag van de grote steden wordt groter naarmate ze zich met meer realisme mengen in het nationale debat. En deze regering zou op haar beurt veel ruimte geven, ook financieel, aan de grote steden, wil ze tenminste haar missie volvoeren. Voorlopig ligt dŠŠr een grote tegenstrijdigheid in het regeringsbeleid.

 

In die steden maakt men zich terecht grote zorgen over het vasthouden en terugwinnen van midden- en hogere inkomensgroepen. De omvang van de immigratie zal mede bepalen of de gevreesde witte vlucht, nadat die heeft plaatsgevonden in de oude wijken, zich nu in de betere buurten zal herhalen. Wie weet dat twee zwarte scholen in Utrecht worden gesloten, dat de opheffing van ťťn op de vijf zwarte scholen in Nederland wordt voorspeld en dat tegelijk bij de betere scholen in Amsterdam een lotingsysteem is ingevoerd, wie dat allemaal tot zich laat doordringen hoeft niet lang te zoeken naar redenen waarom men vreest voor het wegtrekken van de middengroepen, ook van de allochtone middengroepen.

 

Naast onderwijs is veiligheid beslissend voor de sociale samenhang van de grote steden. We zien na de verkiezingen van dit voorjaar het begin van een omslag, die weinig heeft te maken met de samenstelling van het college. In Den Haag doet men ineens wat daarvoor niet mogelijk bleek: een uitzettingsbeleid jegens illegalen. In Amsterdam lijkt er werkelijk een omslag in het denken over de zogeheten harde kern van jeugdige, veelal allochtone, criminelen te zijn bereikt. En terecht, want in rapporten kan men bijvoorbeeld lezen dat eenderde van de Amsterdammers geen gebruik meer durft te maken van het openbaar vervoer. De dagen zijn voorbij dat een burgemeester als Opstelten in multiculturele tegeltjeswijsheden kon grossieren.

 

Voor zowel de regering als de oppositie geldt dat veel van de toekomst van Nederland in de grote steden zal worden bepaald. Wat bij velen onzekerheid oproept, is de richting waarin de zo veelkleurige stedelijke samenlevingen zich ontwikkelen. Wat is de leidraad die de betrokken politici ons willen voorhouden? In sommige steden wordt naarstig gezocht naar zoiets als een `stadsetiquette'.

 

De kritiek van Balkenende op het onverplichtende denken van de achter ons liggende jaren was terecht: ,,Waar het geÔndividualiseerde vrijheidsdenken wordt gecombineerd met Nederland als een optelsom van naast elkaar staande culturen, daar liggen conflicten en problemen al bij voorbaat op de loer. Daaruit volgt dat multiculturaliteit als zodanig ontoereikend is om te kunnen dienen als basis voor integratie.'' Goed, maar wat willen we eigenlijk aan gedeelde kennis overdragen in ons onderwijs? Laten we eens de Italiaanse president tot voorbeeld nemen die aan het begin van het schooljaar alle leerlingen een exemplaar van de grondwet ter hand stelde met de mededeling: ,,Denk er over na, discussieer erover.''

 

Iedereen weet dat de vragen die men aan nieuwkomers stelt, onherroepelijk terugslaan op de ingezetenen. Wie inburgering nastreeft moet verhelderen wat de grondslagen van de eigen samenleving zijn; wie respect voor de rechtsorde wil bevorderen, moet zelf weten wat die regels inhouden; wie het culturele erfgoed wil overdragen, zal zelf een verhouding daartoe moeten hebben. Daarom horen beheersing van de landstaal, verinnerlijking van de rechtscultuur en een zeker historisch besef meer nadruk te krijgen. Deze samenleving heeft zo weinig talent om migranten tot deelname aan hun nieuwe omgeving te bewegen, omdat de cultuur van burgerschap is verwaarloosd.

 

De regering vraagt aan migranten om zich `in te leven' in de Nederlandse cultuur. Dat vraagt om nadere uitleg. Het is een groot misverstand dat cultuuroverdracht eigenlijk een vorm van heldenverering zou moeten zijn, met de gouden eeuw en het verzet als samenvattingen van onze voortreffelijkheid. Maar waarom zou de geschiedenis niet ook kunnen bijdragen tot het inzicht dat onze beschaving heel breekbaar is. Kennis van het slavernijverleden of de collaboratie hoort een onderdeel te zijn van ons historisch bewustzijn. De normen van onze rechtsstaat die we graag aan anderen voorhouden hebben een geschiedenis van vallen en opstaan. Slechts op die manier krijgt een bijzonder verleden een algemene betekenis en bevat zo ook een uitnodiging aan degenen die daar geen vanzelfsprekende verwantschap mee hebben.

 

Het gaat meer om een gedeelde vraag dan om een eensluidend antwoord. In een open debat horen de ervaringen en inzichten van verschillende generaties migranten een vanzelfsprekende plaats te hebben. De schrijver Abdelkader Benali heeft gelijk wanneer hij opmerkt dat het `Nederlander-zijn' aan een kritisch onderzoek moet worden onderworpen: ,,Het lijkt wel alsof veel allochtonen daar stilzwijgend op wachten, zodat ze zich uiteindelijke echt en volwaardig in de Nederlandse samenleving opgenomen kunnen voelen.'' Maar de betrokkenen kunnen niet langer stil afwachten tot voor hen een plaatsje wordt gereserveerd, ze zullen hun stem moeten gebruiken.

 

Het multiculturalisme heeft een onverplichtend antwoord gegeven: er is helemaal niets meer dat ons bindt behalve onze verschillen, er is niet meer zoiets als een `wij'. Maar wat dan nog overblijft van burgerschap is volkomen onduidelijk. Zonder `wij' gaat het helemaal niet. Als mensen zich niet vereenzelvigen met de samenleving, verbrokkelt die. Ook al zullen weinigen het hem nazeggen, het is toch vooruitgang wanneer een woordvoerder van een Turkse organisatie zegt: ,,Wij hebben gefaald in Srebrenica.''

 

In de grote steden zal het besef moeten groeien dat er een wederkerige afhankelijkheid is ontstaan. De toekomstkansen van mijn kinderen worden mede bepaald door de mate waarin allochtone klasgenoten hun talent kunnen ontplooien; de stedelijke economie van morgen zal ernstig worden gehinderd wanneer de achterstand van veel migranten niet kan worden overwonnen. Dat probleem is groot wanneer we ons realiseren dat vooralsnog zo'n driekwart van de allochtone kinderen in de lagere regionen van het onderwijs blijft steken en dat deze kinderen nu al in de vier grote steden de meerderheid van de schoolgaande jeugd vormen. Maar noch de oude, noch de nieuwe stadsbewoners lijken zich dat afdoende te realiseren. In ieder geval gedragen ze zich er niet naar.

 

Er is te veel wantrouwen over en weer. Van wezenlijk belang is dat `wij' ons losmaken van het gevoel dat `zij' onze gastvrijheid misbruiken. Die emotie is hardnekkig, maar niemand kan het zich blijven veroorloven om medeburgers als gasten te blijven zien. Het zou enorm helpen als die medeburgers zichzelf dan ook niet meer zouden zien als passanten, die weinig op hebben met het land waar ze de rest van hun leven zullen blijven. Slechts een minderheid onder hen voelt zich nu verantwoordelijk voor het grotere geheel, kan met overtuiging zeggen `dit land is nu ook van ons'.

 

Dat besef wordt niet bevorderd door een minister die van mensen met de Nederlandse nationaliteit opnieuw gasten probeert te maken, die in het uiterste geval het huis uitgezet kunnen worden. Het gaat echter om burgers met rechten en die juist daarom op hun plichten kunnen worden gewezen - net als iedereen. Het is wŤl terecht dat er een einde komt aan de gemakzucht waarmee de Nederlandse nationaliteit is behandeld. De vorige kabinetten hebben het aantal naturalisaties tot een recordhoogte laten stijgen. Dat uitdelen van paspoorten en het verschaffen van dubbele nationaliteiten zonder te beseffen wat de betekenis daarvan is, heeft afbreuk gedaan aan burgerschap. Het heeft de gedachte versterkt dat dit een leenland is waar je rechten verwerft zonder verplichtingen aan te gaan.

 

De culturele omslag in ons land kan een nieuwe verhouding opleveren van individu en gemeenschap, van vrijheid en ordening, maar kan ook leiden tot een verstoring van de open samenleving, tot een woekering van het wantrouwen. Wie de vraag blijft ontwijken wat ons als gemeenschap nog aaneen bindt, krijgt een rauwe uitleg van dat `wij' midden in het gezicht. Wie blijft weigeren om na te denken over de grenzen van onze vrijheden, wordt geconfronteerd met een hardhandige roep om orde. De prijs van deze vermijding hebben we dit voorjaar betaald.

 

In de troonrede viel te lezen: `Burgers zijn de dragers van de maatschappij'. Daarmee heeft een oud begrip nieuwe nadruk gekregen in de politiek. Te vaak werd de burger in verband gebracht met de burgerman of de kleinburger, en dat waren andere woorden voor fatsoensrakkerij. Toch is de tijd voor een herwaardering van publieke omgangsvormen gekomen. Misschien wordt een woord als `burgerbesef' uit de vergetelheid gered. Zeker is dat alleen een hernieuwde betrokkenheid antwoord biedt op de identiteitscrisis, die we de onze moeten noemen.