DE WETENSCHAP TOBT MET EEN FREUDCOMPLEX
(vertaalproject nadert voltooiing)
 

Met de publicatie van het 29ste en 30ste deel heeft uitgeverij Boom de Grote
Nederlandse Freud-vertaling bijna afgerond. Binnenkort verschijnt nog ťťn deel in
vertaling:
Studies over hysterie (in de reeks klinische beschouwingen) uit 1895, dat
kan worden beschouwd als het begin van de psychoanalyse. Dan is het enorme
karwei geklaard.
 

Dertien jaar geleden ging dit project groots opgezet van start. Gelauwerde figuren
als Adriaan MorriŽn en Henk Mulder vormden de redactie en tekenden tevens voor de
eerste vertalingen, onder andere de ziektegeschiedenissen van 'De Kleine Hans' en
'De Wolvenman'. Bovendien was er nog een begeleidingscommissie van
gerenommeerde psychoanalytici.

Deze ideale opstelling hield helaas niet lang stand.
Door conflicten over de kwaliteit van vertalingen dreigde er stagnatie. Een volledig
veranderde en sterk ingeperkte staf slaagde er vervolgens in een middenweg te
vinden tussen kwaliteits- en kwantiteits-eisen en voor een regelmatige productie van 2
ŗ 3 delen per jaar te zorgen . Thomas Graftdijk en Wilfred Oranje namen daarbij het
leeuwendeel van het redactie- en vertaalwerk voor hun rekening.
 

Deze twee recent verschenen delen kunnen als een mooie afsluiting van het project
beschouwd worden, omdat zij twee zeer verschillende kanten van Freud laten zien. In
het voorlaatste -29ste- deel zijn een 15-tal kortere artikelen verzameld die de periode
van 1904 tot 1937 omvatten. Zij gaan vooral over de technische kanten van de
psychoanalyse, zijn voor collega's geschreven en geven praktische adviezen over hoe
je iets doet en waarom of waarom niet. Ook voor de huidige generatie psychotherapeuten nog steeds boeiende literatuur.
 

De bekendste artikelen in deze bundel zijn: Herinneren, herhalen en doorwerken
(1914) en De eindige en oneindige analyse (1937). Zo optimistisch als Freud in het
eerste nog is over de heilzame werking van het '
doorwerken van weerstanden' zo
pessimistisch is hij in het laatste over de duurzaamheid van de inmiddels door de
analyse beoogde structurele '
Ik-verandering'. In dit deel is vooral de ervaren clinicus
aan het woord. En ervaring kun je Freud moeilijk ontzeggen als je bedenkt dat hij
vanaf ongeveer 1890 tot aan zijn dood in 1939 dagelijks zo'n 6 tot 8 uur analyses
deed.
 

Het 30ste deel, De man Mozes en de monotheÔstische religie, toont Freud in optima
forma als de theoreticus, de grote speculator, de concepten-ziener, de constructenbouwer, de gedreven doordenker die zich vanaf het moment dat er niets meer bewezen en er alleen nog maar 'geahnt' kan worden eerder meer dan minder op zijn gemak lijkt te voelen. Dit theoretisch talent is tegelijk zijn kracht en zijn zwakte.

Het heeft de wereld verrijkt met bruikbare, nog redelijk dicht bij de dagelijkse
psychotherapeutische praktijk blijvende concepten als
het Onbewuste, verdringing,
weerstand, afweer, herhalingsdwang, overdrac
ht
. Maar het heeft de psychoanalyse
ook belast met een waterhoofd van metapsychologische ideeŽn over de structuur en
werking van het psychisch apparaat. Op zich vaak grootse, meeslepende en
stimulerende hypotheses, maar zij worden problematisch als zij ongemerkt hun
speculatieve connotatie verliezen en tot zekerheden, waarheden, overtuigingen en
principes verworden, die geloofd moeten worden.
 

De man Mozes... gaat niet over de psychoanalytische theorie als zodanig. Het is
een toepassing ervan op de cultuurhistorie; een lang, lezenswaardig en in veel
opzichten provocerend essay over het ontstaan van het (joodse) monotheÔsme.
Gepubliceerd in 1939 is het 't laatste in een rijtje van eerdere essays waarin een
uitgesproken atheÔstische Freud modellen aandraagt voor het ontstaan en de
ontwikkeling van de menselijke beschaving.

Een en ander gebeurt volgens een vast
procedť: de psychoanalytische inzichten in de vroegkinderlijke ontwikkeling worden
geŽxtrapoleerd naar vroegmenselijke ontwikkelingsstadia. In het begin van deze eeuw
was vanwege embryologische vondsten en Darwins biologische ontdekkingen het idee
dat de fylogenese (de ontwikkeling van Ė zeg Ė amoebe tot mens) zich herhaalt in de
ontogenese (de ontwikkeling van eicel tot volwassene) zeer vanzelfsprekend en
populair. En haast even vanzelfsprekend en makkelijk was de stap: in de
psychologische ontwikkeling van het individu herhaalt zich de culturele ontwikkeling
van de mensheid.

 

Een tweede facet in het procedť van Freud is dat hij steeds weer uitkomt op de
centrale rol van wat hij in de individuele ontwikkeling van het kind het Oedipuscomplex
noemde.
In het eerste van deze serie cultuuressays,
Totem und Tabu (1913), ziet
Freud parallellen tussen de psychologie van 'wilden' en neurotici. Hij gaat voorts uit
van Darwins speculatie dat de mens oorspronkelijk in horden leefde die aangevoerd
werden door ťťn dominante man die alleenrecht op de vrouwen claimde en zijn zonen
uiteindelijk verstootte. Deze zonen spanden, volgens Freud, samen en begingen de
'oermisdaad': het vermoorden, slachten en eten van de vader. Hun schuldgevoel
leidde tot het vereren van de vermoorde vader die nu symbolisch als totem
voortleefde. Deze oermisdaad is nu als oedipuscomplex terug te vinden bij het kind en
de neuroot.
 

In Die Zukunft einer Illusion (1927) legt hij een verband tussen dwangneurose en
religie en verklaart hij religieuze voorstellingen als illusies die de hulpeloosheid en
kleinheid van de mens ten opzichte van de natuur moeten helpen bezweren. En in
Das Unbehagen in der Kultur (1930) werkt hij zijn idee uit dat het individu met zijn
behoefte aan driftbevredigin
g automatisch op zeer gespannen voet staat met zijn
omgeving die hem beheersing en inperking van zijn driften oplegt.
In
De man Mozes... 'speculeert' Freud dat Mozes geen jood maar een Egyptische
edelman was. Hij had het monotheÔsme overgenomen dat in de 14e eeuw vChr
kortstondig onder farao Amenhotep IV gebloeid had, maar daarna wreed was
onderdrukt.
Hij gaf dit strenge, veeleisende geloof door aan het joodse volk in
ballingschap. Een keer uit Egypte geleid kwam het volk in opstand tegen Mozes en
werd hij vermoord. Pas vele eeuwen later kon een nieuwe profeet met de naam Mozes
de vruchten plukken van het schuldgevoel over deze (verdrongen herhaling van de)
oermisdaad en de monotheÔstische leer definitief vestigen.
 

Op saaiheid heeft men Freud nooit kunnen betrappen maar men kan zich
voorstellen dat in 1939 niemand op dit boek zat te wachten. Zowel van christelijke als
joodse kant kwamen er emotionele verwerpingen. Een weloverwogen en goed
gedocumenteerde weerlegging van Freuds Mozes-ideeŽn is in 1991 verschenen van
de hand van de Amerikaanse historicus Yerushalmi. Onlangs verscheen een Duitse
vertaling van dit boek.

 

Welke status de freudiaanse denkbeelden zich in de huidige wereld hebben weten
te verwerven is niet zo eenvoudig te zeggen. Alleen al omdat zij zo divers en
uitgebreid zijn. Men kan eigenlijk ook niet van ťťn eenduidige theorie of leer spreken.
Het gaat meer om een verzameling van ideeŽn die tijdens Freuds leven ook nog
voortdurend veranderden en na zijn dood in de verschillende psychoanalytische
'scholen' verder ontwikkeld en aangepast werden. Veel van Freuds meer klinische
inzichten hebben hun toepassing gevonden in verschillende hedendaagse
psychotherapeutische stromingen en zijn vaak al zozeer gemeengoed dat zij haast niet
eens meer als freudiaans of analytisch herkend worden.

 

Freud is van het begin af aan tot nu, meer dan 50 jaar na zijn dood, even fel bestreden als verdedigd. Vaak om oneigenlijke redenen. Maar er was en is ook de nodige terechte kritiek op basis van wetenschappelijke argumenten. Een belangrijke rol bij dit alles speelt de vertrouwelijkheid en onreproduceerbaarheid van het analytische proces tussen behandelaar en patiŽnt. Elke werkdag ťťn uur persoonlijke aandacht gedurende vele maanden, zelfs jaren; dat was nog nooit eerder vertoond in de geschiedenis van de mensheid, zelfs niet als je het huwelijk er bij betrekt.

 Freud ontleende zijn evidenties er aan, maar het verwijt van beÔnvloeding en suggestie ligt voor de hand. De patiŽnt gaat zeggen wat er van hem verwacht wordt. En dan speelt er aan de andere kant nog eens dat de behandelaar alleen maar ziet wat hij wil zien.


Freud meende redelijke gronden te hebben om het verwijt van suggestie te kunnen
omzeilen, maar objectieve bewijskracht kan aan zo'n situatie nooit worden ontleend.
Met zijn eerste ideeŽn over de psychische dynamiek van
verdringing en het
onbewuste
viel hij volkomen buiten de denkwereld van de destijds nogal benauwd op
het
bewustzijn
gerichte psychologen. Waarschijnlijk werden zijn ideeŽn ook als
bedreigend ervaren door deze toen net ontluikende wetenschap die zich nog een
stevige academische plaats moest zien te verwerven. Hoe dan ook: de officiŽle
psychologie heeft zich altijd heftig tegen het bestaan van een
onbewuste verzet. Tot zij op grond van eigen, cognitief psychologische, experimenten in de jaren 80 er niet
meer onderuit konden iets als een onbewuste motivatie voor overigens bewust gedrag
aan te nemen.
 

In dit, niet onbelangrijke geval, dus achteraf alsnog ťťn-nul voor Freud.
De wetenschapsfilosoof Karl Popper kwalificeerde in 1934 in zijn boek Logik der
Forschung
de psychoanalyse als een pseudowetenschap omdat haar uitspraken niet
te falsifiŽren zouden zijn. In
The foundations of Psychoanalysis (1984) stelt de
filosoof Adolf GrŁnbaum dat de psychoanalyse wel degelijk falsifieerbare uitspraken
doet maar dat het probleem juist is dat er geen hard experimenteel bewijs is dat die
uitspraken ondersteunt.
 

In Psychoanalyse en Wetenschap (1991) bundelden de filosofen Panhuysen en
Terwee een aantal reacties op GrŁnbaum. Behalve dat deze bundel laat zien hoe er in
de verschillende kampen over het titelthema gedacht werd en wordt, geeft het en
passant een helder beeld van de ontwikkelingen van de psychoanalyse na Freud.
 

Al langere tijd tekent zich een stroming af die de psychoanalyse niet als een
natuurwetenschappelijke maar als een hermeneutische wetenschap wil plaatsen. Men
is in een analyse niet bezig met het opsporen van
causale (natuurwetenschappelijk te
erkennen) factoren voor een bepaald als vreemd ervaren gedrag. Men is op zoek naar
de
betekenis
van dat vreemde gedrag voor een bepaald persoon met zijn eigen
specifieke histori
e.

De psychoanalyticus van Leeuwen verwoordt in deze bundel deze
interpretatieve opvatting het overtuigendst. Hij maakt onderscheidt tussen de meer
klinische hypothesen van Freud en de metapsychologische. Deze laatste hypothesen,
die gaan over hoe men zich de psyche voor moet stellen als causale veroorzaker van
gedrag, kunnen volgens hem zonder problemen overboord gezet worden.

De eersten, die betrekking hebben op de onbewuste motivatie, hebben veel raadselachtig gedrag een betekenis gegeven en begrijpelijk gemaakt. Van Leeuwen noemt een aantal voorbeelden van zulk gedrag: zoals het provoceren van gevreesd gedrag (bijvoorbeeld de clown uithangen om niet te worden uitgelachen); zoals het vastklemmen aan schuldgevoelens om een gevoel van belangrijkheid in het leven van anderen te bewaren; zoals de afweer van afhankelijkheidsbehoeften met bijvoorbeeld
druggebruik; en bijvoorbeeld het steeds als 'moeten' ervaren van wat men doet om
onbewust instanties in 't leven te houden die op je letten.

Dit zijn geen vaste wetmatige, en zeker geen causale verbindingen; zij kunnen hoogstens als zoekschema's dienen die kunnen aangeven in welke richting een mogelijke betekenis gezocht kan worden.
 

Freud, opgevoed in het positivistische wetenschapsideaal van de vorige eeuw, zou
nooit genoegen nemen met zo'n 'hermeneutische plaatsing'. Hij claimde een
natuurwetenschappelijke status met name ook voor zijn metapsychologische ideeŽn.
Tot een erkenning daarvan is het tot nu toe niet gekomen en het ziet er ook niet naar
uit dat dit zal gebeuren.
 

Het lot moest natuurlijk weer ironisch zijn: de klinische inzichten, waar Freud zelf
geringschattend over deed, hebben immers geschiedenis gemaakt. De theoretische
creaties, waarin Freud zijn ziel en zaligheid legde, lijken als zeepbellen de eeuwigheid
in te gaan. Prachtig gekleurd! Dat zeker.

 

Hilbert Kuik
1: Sigmund Freud: Geschriften over behandelingstechniek (Klinische Beschouwingen 4) Vertaald door
Wilfred Oranje. Uitgeverij Boom. (1992)  51,- .ISBN 90 9680
2: Sigmund Freud: De Man Mozes en de monotheÔstische religie. (Cultuur en Religie 6) In vertaling van
Wilfred Oranje. Uitgeverij Boom. (1992)  39,50. ISBN 90 60009 988 5
3: Yosef Hayim Yerushalmi: Freuds Moses Endliches und unendliches Judentum. Vertaald in het Duits
door Wolfgang Heusz. Uitgeverij Klaus Wagenbach, Berlijn.  ISBN 3 8031 3563 x
4: Geert Panhuysen en Sybe Terwee (red): Psychoanalyse en Wetenschap. Uitgeverij: Bohn Stafleu
Van Loghum.  55,- ISBN 90 368 0211 3