Waarom we voetjevrijen met de Chinezen en bang zijn voor de Russen

Zaterdag 19-04-2008 | Sectie: Overig | Pagina: 19 | Hubert Smeets

De liberale markteconomieŽn zijn het initiatief kwijt. De groeiende economische macht van Rusland en China illustreert de botsing tussen marktkapitalisme en staatskapitalisme. Kosmopolitisch kapitalisme zit in de verdrukking, nationaal kapitalisme komt op.

Bijna twintig jaar na dato weet het vrije Westen zich geen raad meer met zijn glorieuze overwinning in de Koude Oorlog. Het democratische model blijkt economisch niet meer alleen zaligmakend, wordt zelfs openlijk uitgedaagd, en hierop heeft het Westen geen eenduidig antwoord.

Een goed voorbeeld van dit ongemak is de bejegening van de twee grootste postcommunistische staten: China en Rusland. In beide mogendheden wil de macht zich zo min mogelijk aan de buitenwereld gelegen laten liggen. Waar China in het postindustriŽle Westen lange tijd is gedefinieerd als een economische uitdaging, is Rusland juist een politieke teleurstelling.

An electoral sham that shames Russia, stelde The Financial Times keihard op zaterdag 1 maart, een dag vůůr de inderdaad voorspelbare presidentsverkiezingen in Rusland. Trouble in Tibet, opperde dezelfde krant heel voorzichtigjes op maandag 17 maart, na het neerslaan van de protesten in Lhasa.

Ruim een maand later is ook The Financial Times intussen wat minder behoedzaam. De olympische fakkel ontmoet immers her en der zo veel weerstand, dat de publieke meningsvorming over de Spelen in Peking niet meer is te stuiten. Maar de Communistische Partij van China hoeft zich, ondanks Tibet, niet voor te bereiden op een heuse boycot, zoals de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, dankzij Afghanistan, in 1980 wel moest. Het waarom van dit verschil in benadering ligt voor de hand. Toen draaide de Koude Oorlog om politiek. Nu gaat de globalisering vooral om economie.

Toch wringt er iets. Hoe anders waren de verwachtingen twee decennia geleden. President George Bush Sr. schetste op 11 september 1990, naar aanleiding van Iraakse inval in Koeweit, voor het Congres niets minder dan een nieuwe wereldorde. De vijanden van weleer zouden de schurken van nu voortaan gezamenlijk aanpakken. Krap drie jaar later voorzag politicoloog Samuel Huntington in het tijdschrift Foreign Affairs zelfs een heuse clash of civilizations, die zich onderscheidde van de Koude Oorlog doordat het geen botsing tussen ideologische of economische systemen, maar een strijd tussen culturen zou zijn. Op 9/11 leek Huntington gelijk te krijgen. Zij aan zij stond de ontwikkelde wereld tegenover het islamitisch terrorisme. Gesteund door Vladimir Poetin sprak president George Bush Jr. dan ook in bijbelse termen. De keuze was simpel geworden: wij of zij. Theres no middle ground.

Nu, ruim zeven jaar later, valt op dat het juist op dat middenveld nogal druk is. Zij, de tegenstanders van ons, veranderden namelijk nogal vaak van naam. Afghanistan, Irak en Iran deden haasje-over.

In de kring van niet-islamitische vijanden is het eveneens een komen en gaan geweest. Vůůr 2001 was China het grote gevaar, vooral voor de VS, waar de concurrentie voelbaar was. Nu is Rusland de antagonist, met name in Engeland, waar de City meer en meer wordt bewoond door Siberisch knoflookvolk. Dit voorjaar verscheen daarover een illustratief boek: De Nieuwe Koude Oorlog van de Britse journalist Edward Lucas, reizend correspondent voor The Economist. Het is niet zozeer een boek alswel een pamflet tegen een nieuwe energiesupermacht, mťt kernwapens.

Lucas is kennelijk doodsbang. Zijn angst is op zich niet onzinnig. De verticale macht van het Kremlin heeft de civil society in de kiem gesmoord. De eenzijdige vervolging van oligarch Michail Chodorkovski en olieconcern Joekos getuigt meer van willekeur dan van rule of law. Maar Lucas heeft wel een analytisch probleem. Tijdens de Koude Oorlog zou hij eenduidige politieke argumenten hebben gehad. Nu ontbeert hij die. Daarom sprokkelt hij een constructie bij elkaar om de noodklok te luiden: namelijk dat Rusland zelfs aardgas als wapen inzet. Je zou zeggen: dat is ouderwetse machtspolitiek ŗ la de negentiende eeuw en dus eerder reden voor een ander energiebeleid dan voor morele verontwaardiging. Maar nee. Lucas is zo benauwd dat hij zelfs met de feiten - het sterke punt van Britse kwaliteitsjournalistiek - een loopje neemt. Zo schrijft hij: Repressie in eigen land gaat gepaard aan agressie in het buitenland. Rusland is begonnen met het opschorten van wapenbeheersingsakkoorden.

Dat lijkt plausibel. Denk aan de gewelddadige dood van Anna Politkovskaja en andere journalisten. Maar die tweede zin is echt onzin. Het was Bush die eind 2001 aankondigde uit het ABM-verdrag te stappen omdat dit een raketschild tegen de Iraanse bom in de weg stond. Poetin reageerde wel gretig, zo zelfs dat het er op leek dat het hem wel erg goed uitkwam.

Het pamflet van Lucas zou kunnen worden weggelegd, ware het niet dat de auteur niet alleen staat. Bush mag zich in Sotsji wat hebben verzoend met Vladimir, en Poetin bezigt in gesprek met George wat minder straattaal en meer burgerlijk Russisch, maar Foreign Affairs publiceert om de haverklap betogen in de geest van Lucas. Alleen de directeur van het Richard Nixon Center , die net als Nixon verstand heeft van de erfenis van het socialisme, houdt het hoofd koel. Twee punten keren daarin steeds terug.

Ten eerste een gevoel bedonderd te zijn. Het communisme is volgens de overlevering verslagen dankzij de onwankelbare houding van president Ronald Reagan. Maar nu blijkt dat de Sovjet-Unie toch meer was dan een marxistisch-leninistisch wangedrocht. De Sovjet-Unie was ůůk een expressie van het oude koloniale Russische Rijk. Het lijkt zelfs te gaan uitdraaien op een synthese.

De komende man, Dmitri Medvedev, moet proberen de nieuwe tsaar in het Kremlin te worden. De gaande man, Poetin, die premier wordt en dinsdag is gekozen tot voorzitter van de staatspartij Verenigd Rusland - kan zich ontpoppen als schaduwpresident. De vraag is wel of deze dubbele macht, als die al effectief wordt, lijkt op de tijd van tsaar Nikolaas II en premier Pjotr Stolypin (1906- 1911) of die van secretaris-generaal Leonid Brezjnev en staatshoofd Nikolai Podgorny (1965-1977). Hoe dan ook, deze continuÔteit van de geschiedenis was in 1989/91 niet afgesproken.

Ten tweede is er de vrees dat Rusland andere landen weer tot afhankelijkheid en aanhankelijkheid wil dwingen. Ook dat stond twee decennia geleden niet op de agenda. De nieuwe financiŽle positie heeft immers politieke gevolgen. Tien jaar geleden kon Rusland niets, nu is het vermogend. Het Stabilisatiefonds, waarin de inkomsten uit de energie-export worden opgepot, heeft 160 miljard dollar in kas. Het Reservefonds beheert 130 miljoen. En de Centrale Bank, in 1998 feitelijk failliet, heeft nu ruim 500 miljard aan valuta en deviezen. Al bedraagt de totale buitenlandse schuld nog altijd 460 miljoen dollar, Russische ondernemers uit de ruwe grondstoffen- of staalsector zijn toch onbekommerd en zelfverzekerd op overnamepad. Voetbalclub Chelsea was niet meer dan het begin van de koopwoede.

De onmin daarvoor wordt vergroot door culturele verwantschap. Als Chinezen in het Amstelhotel logeren, zijn ze daar voor zaken. Als Russen in een Mercedes rijden, zijn het maffiose patsers.

Deze herboren vrees voor Russen - die als puntje bij paaltje komt toch christenen zijn, in tegenstelling tot Chinezen, IndiŽrs of Turken - bewijst dat Huntington ongelijk had. Er dient zich geen culturele clash of civilizations aan, maar juist een klassieke krachtmeting. Een clash tussen marktkapitalisme en staatskapitalisme, tussen kosmopolitisch en nationaal kapitalisme.

De eerste variant zit daarbij in de verdrukking. De meeste landen die volgens de CIA in 2007 een hogere groei realiseerden dan het mondiale gemiddelde van 5,2 procent, zijn met de beste wil van de wereld niet liberaal te noemen. In die groep bevinden zich natuurlijk ook democratische landen, zoals nagenoeg alle nieuwe NAVO-lidstaten. Maar kwantitatief is het beeld anders. De top-100 wordt gedomineerd door industriŽle of energieproducerende machten als Azerbeidzjan, Kazachstan, Rusland, China en Vietnam. Allemaal landen waar verkiezingen nu net nŪťt volgens het boekje van de Organisatie van Veiligheid en Samenwerking in Europa worden georganiseerd. Van de landen die demografisch wat om het lijf hebben zijn India en OekraÔne de witte raven.

Deze hitparade is natuurlijk een uiting van de wet van de stimulerende achterstand. Het is simpeler de economische index van 10 naar 110 te laten groeien dan van 900 naar 1000. Ter relativering kan eveneens worden opgemerkt dat er, op grond van historische statistieken, minder gevaar is te duchten van Azerbeidzjan dan zijn koppositie in de top-100 doet vermoeden.

Tussen 1820 (het eerste jaar waarvan enigszins betrouwbare cijfers beschikbaar zijn) en 1990 (einde koude oorlog) is de economische wereldorde namelijk verbluffend eenzijdig gebleven. Eigenlijk heeft alleen Japan zich er in die 170 jaar tussen gewrongen en is ArgentiniŽ eruit gevallen.

Maar deze sussende analogieŽn gaan voorbij aan een andere realiteit. Namelijk dat het halverwege 1820 en 1990 allerminst pais en vree was. We mogen minimaal ťťn wereldoorlog en menig revolutie bijschrijven op het conto van deze economische competitie. De historicus Hans-Ulrich Wehler heeft daarvoor ooit het begrip negatieve integratie gebruikt.

Veel indicatoren wijzen er op dat zich wederom een strijd om de hegemonie aandient. Het draait ook nu niet zozeer om diametraal tegenover elkaar staande ideologische systemen, maar om conflicterende varianten binnen ťťn economisch bestel. Het gaat overal om kapitaal. Maar de mate waarin de vrije ondernemingsgewijze productie ook vrij is, verschilt onderling enorm.

Singapore is dť inspiratiebron voor onvrije groeimodellen. De stadstaat - in 2007 met 7,5 procent gegroeid - wordt al decennia autoritair geleid. China (11,4 procent) is een kapitalistische staat met ťťn partij. Rusland (8,1 procent) is, ondanks een grondwet met Franse en Amerikaanse allure, een soevereine (lees: unieke) democratie die zich door de gewone democratieŽn niet meer de les laat lezen.

In al deze landen gaan politiek en economie hand in hand. Zonder staatsmacht geen materieel gewin en omgekeerd. Twee bijvoeglijke naamwoorden zijn dus van toepassing: het staatskapitalisme is er autoritair en nationalistisch.

Over de hele linie is dit harde kapitalisme aan de winnende hand. Het lijkt een inhaalslag te maken, vergelijkbaar met Duitsland tussen 1871 en 1914. De vriendelijke, naar binnengekeerde transitiefase van eind vorige eeuw is hoe dan ook voorbij.

Sterker nog, het kapitalisme van de harde hand wordt expansiever. Door de overschotten op de betalingsbalans - veroorzaakt door factoren als lage lonen, bestedingsbeperkingen, hoge olieprijzen en gereguleerd kapitaalverkeer - hebben deze staten met hun sovereign wealth funds een economische oorlogskas waarmee ze alle noodlijdende banken in het Westen kunnen opkopen.

De voornaamste staatsfondsen uit AziŽ en het Midden-Oosten hebben volgens Robert Kimmitt, de Amerikaanse onderminister van FinanciŽn, momenteel ruim 2500 miljard dollar in kas. Dat is even veel als het bbp van Groot-BrittanniŽ. Volgens Kimmitt groeien de staatsspaarpotten jaarlijks met 1000 miljard aan. Nederland moet daarvoor ruim een jaar lang werken.

Tot nu toe zijn er bewijzen dat de sovereign wealth funds op zoek zijn naar hogere rendementen zonder politieke tegenstellingen te genereren, denkt Kimmitt in Foreign Affairs. Welterusten. De onderminister mag hopen dat de fondsen hun ambities inderdaad zo bescheiden houden. Maar meer dan hoop moet hij echt niet koesteren. Zowel in China als in Rusland is de uitvoerende macht niet alleen uit op een potje beleggen aan de beurs. De staatsfondsen, die nu nog marktconform opereren, kunnen wel degelijk politiek worden ingezet, zeker als de materiŽle belangen van de natie of de regerende elite daartoe nopen. Ze hebben daarbij veel keus. Ze kunnen zieltogende bedrijven in het Westen kopen en die dienstbaar maken aan de eigen strategische industrie. De Russische energiesector zit bijvoorbeeld te springen om knowhow. Of ze zetten geld in als een paraplu wanneer de kredietcrisis en recessies uit het Westen komen aanwaaien. Alweer Rusland als voorbeeld. Het armetierige bankwezen daar siddert en de agflatie, zoals de stijgende voedselprijzen er worden genoemd, is een sociale tijdbom in een land waar brood de maat der dingen is.

In elk geval zijn de liberale markteconomieŽn het initiatief kwijt. En dat is nog mild uitgedrukt, afgaande op de dagelijkse nieuwsstroom. Onveranderlijk valt het woord crisis, een begrip dat zonder uitzondering betrekking heeft op het democratische marktmodel dat vijftien jaar geleden nog de overwinning in de Koude Oorlog opeiste.

Veel meer dan nostalgie naar die glorieuze jaren negentig zit er voorlopig echter niet in. Want hoe kan de sociale markteconomie zich effectief en vooral geloofwaardig beschermen tegen het nationaal kapitalisme? Het vrije en wispelturige Angelsaksische aandeelhoudersmodel kan zich niet verschuilen achter beschermende muren omdat die er niet zijn of zouden mogen zijn. Het wat slome en corporatistische Rijnlandse model kan hooguit de stakeholders wat privilegiŽren.

Tegelijkertijd staan alle liberale modellen in eigen huis onder druk. Oog in oog met de nieuwe kapers op de kust eisen met name de middengroepen - die, anders dan topmanagers en gastarbeiders, aan de natiestaat zijn vastgeklonken en niet zomaar kunnen emigreren - veiligheid en bescherming: van arbeidsplaatsen, sociale arrangementen, onderwijsfaciliteiten, betaalbare huizen, pensioenvoorzieningen en het eigen vege lijf. Een deel van deze burgers zoekt zijn heil bij oud links, nieuw rechts of andere varianten. Uiteenlopende politici als Silvio Berlusconi, Rita Verdonk, Gregor Gysi en zelfs Hillary Clinton proberen er hun voordeel mee te doen.

Ook de nieuwe wereld van Amerika begint onder deze druk kennelijk op het oude Avondland te lijken. Kapitalisme is niet meer het onvermijdelijke synoniem van democratie. Kapitalisme is niet meer een vanzelfsprekende variant van kosmopolitisme. De verwachting dat elk autoritair bewind, dat economisch groeit en bloeit, onvermijdelijk zijn eigen middenklasse schept en daarmee zijn eigen ondergang, is zodoende geen wetmatigheid meer.

Vandaar die teleurstelling over de democratie in Rusland, dat cultureel nabijer leek dan China en daarom een veilige gasleverancier had moeten zijn. Vandaar die verwarring over Tibet en Olympische Spelen, waar morele waarheden en materiŽle belangen moeilijker dan ooit zijn te verzoenen. Het zelfvertrouwen van Westen staat onder druk. Zo benard heeft het zich decennia niet gevoeld.

Sovjet-Unie was ůůk een expressie van het oude Russische Rijk China is definieerd als een uitdaging, Rusland als een teleurstelling