Historicus Ernst Zahn; Nationalisme bestaat in Nederland niet, alleen nostalgische herbezinning

Nederland wordt steeds internationaler. Tegelijk blijft de afwijzing van Duitsland onverminderd. De historicus Ernst Zahn hield onlangs een toespraak over verschuivingen in het Nederlandse zelfbeeld en onze plaats in Europa. Een gedeelte daaruit wordt hierbij afgedrukt. In een kort vraaggesprek gaat hij in op de eeuwige drang van Nederland om zichzelf te vernieuwen.

De historicus Ernst Zahn werd in Nederland bekend met zijn boek 'Regenten, rebellen en reformatoren' (1989) dat na verschijning een standaardwerk werd. Met een meesterlijk gedoseerde mengeling van afstand en betrokkenheid onderzoekt Zahn daarin de wording van de Nederlandse taal, maatschappij en mentaliteit. Ernst Zahn is een in Tsjechoslowakije geboren Nederlander, die studeerde in Zwitserland en de VS en woonde en werkte in o.a. Engeland, Nederland en ItaliŽ. Vorige maand hield hij op het congres 'Buurtaal Duits' in Lunteren een toespraak, waarvan een deel hierbij is afgedrukt.

De misverstanden en de onbekendheid tussen de buurlanden Duitsland en Nederland zijn volgens de auteur nog steeds niet overwonnen. Zahn is terughoudend met commentaar op het inmiddels beruchte Clingendael-rapport, waaruit bleek dat de Nederlandse jeugd in overwegende mate negatief denkt over de Duitse buren. Hij wil eerst weten wat Nederlandse sociologen en psychologen ervan denken. Hoe ontevreden waren de respondenten eigenlijk over hun economische en maatschappelijke situatie, over het gebrek aan werk en ontplooiingskansen? Menigeen is geneigd de oorzaak hiervan niet bij zichzelf te zoeken maar in de samenleving, zegt Zahn. ďAmerikanen geven de Oostaziatische landen met hun lage lonen de schuld van de werkloosheid in eigen land. Ook de technologie is een boosdoenerĒ. Voor de Nederlandse jeugd zijn het kennelijk de Duitsers.

ďHet is heel erg wanneer jonge gezonde mensen geen toekomst zien en geen vooruitzichten hebben om zich te ontplooien. De technologie ondergaat een razendsnelle ontwikkeling, maar de 'factor mens' blijft soms buiten beschouwing. En dan krijg je escapisme in consumptiecultuur, in bepaalde soorten muziek... ook in voetbal - hoeveel anti-Duitse affecten zijn er niet rondom dat voetballen en de berichtgeving daarover gegroeid!Ē

Zahn gelooft niet dat Nederland een uitzondering vormt op de algemene trend: het herleven van conservatieve ideeŽn. 'Conservatief' betekent een herbezinning op het verleden, op tradities die nog deugen. Maar 'conservatief' was volgens Zahn in Nederland lang een vies woord, synoniem met 'rechts'. Nederland was het enige land in Europa waar 'conservatief zijn' absoluut geen alternatief meer was voor 'links'. Het kon en mocht niet meer. ďDe burgerlijke en liberale kringen, iedereen moest maar bij elkaar aanschuiven. Hier denkt men nu eenmaal sterk in clichť's. Men heeft - althans in de politiek en in de kranten - weinig gevoel voor nuances, voor sophistication. De problemen worden vaak op een ondraaglijke manier gebanaliseerd. Daarbij denkt men ze dan te kunnen 'reduceren' tot waar het op aankomt - maar dat is een grove vergissing.

ďEr komen zo veel oude waarden op de tocht te staan. Mensen worden dan onzeker, dat is toch normaal? Sommige Nederlanders herkennen hun landgenoten niet meer - een aantal kiezers hebben op de CD gestemd en nu zitten er dan een paar in het parlement. Ik hoorde ook dat allochtonen zich tegenwoordig moeten aanpassen en de Nederlandse taal leren. Nou, ik heb geen cijfers van het CBS, maar voordat men het heeft over een verschuiving naar rechts, zou men moeten kijken naar ItaliŽ, Duitsland, Engeland of Amerika. Dan zal men zien dat ze ook daar de leuzen van zo'n twintig jaar geleden beginnen te nuanceren.

ďSommige Nederlanders vragen zich af waar de spreekwoordelijke tolerantie is gebleven. Maar de Nederlander is niet slechter geworden, alleen zijn beeld van zichzelf was geÔdealiseerd. Ik geloof dat dit beeld overeenkwam met zijn zelfportret uit de jaren zestig en zeventig. Veel mensen hier beschouwden hun land in politiek en moreel opzicht als voortrekker in Europa, als een soort vuurtoren. Maar dat was niet helemaal waar. Soms heeft ook eigenbelang een rol gespeeld. De politieke en maatschappelijke realiteit werden in de grote geestdrift van toen soms miskend of verkeerd geÔnterpreteerd. In die jaren bestond er een onwrikbaar geloof in de politiek, in het vermogen van de overheid om de samenleving door 'beleid' (een groot woord in Nederland) beter te kunnen maken, om de maatschappij net zoals het polderland te kunnen 'structureren' en 'herstructureren' en - vooral - te 'vernieuwen'. Mijzelf werd na colleges telkens weer gevraagd: 'Professor, wat dient de overheid te doen om dit of dat te corrigeren?' Hier zie ik alweer die missionaire gedachte toegepast op de politiek, die een sociaal-ethische grondslag dient te hebben: door discussie wordt een consensus bereikt en dat is het dan. Nou, men begint ook in Nederland terug te komen op dat gedachtengoed en het stuur om te gooien. Het bleek te berusten op een overschatting van de mogelijkheden van de politiek! Toen volgde er een teleurstelling. Ik weet niet hoe die verwerkt is bij de geesten van de jaren zestig en zeventig.

ďNederland is sterk veranderd sinds het einde van de jaren zestig. En veel Nederlanders weten niet hoe ze het hebben, vooral mensen uit de Randstad. Eerst was er de grote economische vooruitgang. Maar nu beseffen we dat hiervoor een prijs moet worden betaald, dat veel verloren is gegaan, want je kunt niet alles hebben. Menigeen begrijpt de wereld niet meer, vooral ouderen die terugdenken aan de tijd toen alles overzichtelijk en vertrouwd was. Ze gaan zelfs dingen herontdekken waarop ze vroeger nooit hebben gelet, die ze wellicht niet hebben gewaardeerd, die vanzelfsprekend leken en waarvan ze nu pas het gemis voelen. Hun geboortestreek, liedjes, noem maar op ... Maar dat is nog lang geen nationalisme. Nationalisme bestaat in ServiŽ of KroatiŽ, niet hier. De mensen herontdekken hun vaderland, dat noem ik nostalgische herbezinning. En why not? Veel oudere mensen hebben soms nog mooie herinneringen aan hun jeugd in Nederlands-IndiŽ. Stel dat iemand in Oostenrijk terugverlangt naar het Wenen uit de tijd van Franz-Josef en er zou een ander komen zeggen: dat mag niet. Dat is helemaal geen 'politieke keuze'. Verandering werd niet zo lang geleden voorgesteld of ervaren als vooruitgang en verbetering, dus als louter positief. Veranderingsgezind betekende hier hetzelfde als progressief.

ďInternationaal vertoont de wereld van nu menige overeenkomst met het Amerika van het tijdperk van de 'ruwe zeden', rond 1890. De internationale corruptie neemt toe, net als de criminalisering van de internationale economische betrekkingen. Een nieuwe internationale orde wordt thans iets waaraan wij allen toenemend behoefte krijgen. Internationale handelsbetrekkingen zullen in de toekomst steeds meer politieke kwesties worden. De nieuwe World Trade Organisation wordt even belangrijk als de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds. Door de politisering van de handel verwacht ik ook groeiende conflicten. De ruzie tussen China en Amerika is het bekendst, maar er zijn zoveel kleinere voorbeelden. Er is een groep ondernemers die gebruik maakt van de liberalisatie van de markten in de jaren tachtig. Ze weten precies hoe ze fiscaal kunnen manipuleren. Hun aantal en invloed neemt almaar toe. We hebben nog lang niet genoeg internationale structuren, Beherrschungsmittel, om deze globals van de economie te besturen.Ē

 

Een tweetalige natie; Internationalisatie is deel van de Nederlandse nationale cultuur

Nederland wordt steeds internationaler. Tegelijk blijft de afwijzing van Duitsland onverminderd. De historicus Ernst Zahn hield onlangs een toespraak over verschuivingen in het Nederlandse zelfbeeld en onze plaats in Europa. Een gedeelte daaruit wordt hierbij afgedrukt. In een kort vraaggesprek gaat hij in op de eeuwige drang van Nederland om zichzelf te vernieuwen.

Nederlanders ervaren Europa steeds minder als buitenland. In 1992 bracht 48 procent van de bevolking zijn vakantie buiten de landsgrenzen door. De zeelieden van weleer veroverden in de jaren zestig het transport over land en sindsdien trekken zij net zo zelfverzekerd langs de Europese wegen als destijds over de wereldzeeŽn. Zij zien hun land als een Europese regio en kennen geen angst voor aantasting van de nationale cultuur. Zo nu en dan duikt het thema wel op en spreekt de culturele elite zijn zorgen uit in bijdragen aan de dag- en weekbladen, maar het is geen publieke kwestie die de politiek en de partijen bezighoudt.

Nederlanders maken zich nauwelijks druk over de bescherming van de nationale identiteit. De voortgang van de Europese integratie is geen splijtzwam, zoals in Groot-BrittanniŽ of Zwitserland. Nederlanders hebben het gevoel direct betrokken te zijn, de loop der dingen mee te bepalen. Een toestand die psychologen omschrijven met het begrip 'lack of fate control' is hen vreemd. Voor de Sociaal Economische Raad (SER), waarin werkgevers, werknemers en de overheid zijn vertegenwoordigd, geldt het verdrag van Maastricht als de pijler van het economisch beleid. Een van de vele bewijzen dat Nederland al bijna zo ver is zich als een regio binnen Europa te manifesteren.

Het leven in Nederland wordt steeds internationaler. Er is nauwelijks een ander land in Europa waar het Engels zo vanzelfsprekend wordt geaccepteerd als voertaal voor het wetenschappelijk bedrijf, de handel, de techniek en voor allerlei internationale contacten. Een toenemend aantal buitenlanders doceert aan Nederlandse universiteiten en hogescholen, tentamens kunnen op diverse plaatsen in het Engels worden afgelegd en dissertaties worden zelfs bij voorkeur in die taal geschreven. Van jongs af aan wordt het Engels op school onderwezen en niemand twijfelt aan de noodzaak van die lessen. Amerikaanse films worden met de originele geluidsband vertoond. Vakliteratuur en romans hoeven amper vertaald te worden; en als het al gebeurt is het resultaat vaak onbevredigend.

Bij sollicitaties telt een internationaal curriculum. Het ontstaan van een wereldeconomie en de praktijk van de multinationals heeft er toe geleid dat het Engels ook een interne zaken- en omgangstaal is geworden. Technische rapporten en marketingverslagen worden vaak in het Engels geschreven, alleen al met het oog op de buitenlanders in het eigen bedrijf.

In de veertien leden tellende concerndirectie van Philips (het 'group management committee') zitten slechts vier Nederlanders. De 'Business Schools' stellen zich nadrukkelijk internationaal op. Zij adverteren in de internationale bladen, terwijl de hopeloos achterop geraakte bedrijfseconomische faculteiten al lang zijn opgehouden de verouderde vakken en studieprogramma's aan te passen. Zo zijn er nog legio voorbeelden te noemen, maar wat betekenen ze?

Kerngezond

Niemand zal kunnen beweren dat het Nederlands verkommert, hoe hard er ook altijd wordt geklaagd over de 'verloedering' van de taal. Het Nederlands is, zoals Abram de Swaan heeft gezegd, 'springlevend en kerngezond', het is een robuuste taal die vreemde invloeden kan opnemen en verwerken en 'in eigen huis' geen enkele bedreiging kent. Het Nederlands verandert, het ontwikkelt zich sneller dan de talen van de grote buurlanden die gebonden zijn aan de grote boegbeelden van hun literatuur. Wanneer het moderne Nederlands wordt vergeleken met dat van de jaren dertig - en die afstand is groter dan die tussen het moderne Duits en dat uit Goethe's tijd - dan valt ook op hoe weinig stabiel de Nederlandse grammatica is.

De taal handhaaft en ontwikkelt zich ondanks de invloeden van buiten. Het Nederlands verzet zich niet, maar duldt en verwerkt ze, precies zoals in het verleden de krachtige druk van het Frans werd opgevangen. Het klinkt misschien paradoxaal, maar de internationalisatie is een onderdeel geworden van de verandering van de nationale cultuur. Een teken van verval is het beslist niet.

Nederland ontwikkelt zich tot een tweetalige natie. Het Engels - en dan niet de taal van de Angelsaksen, maar de wereldwijd gesproken lingua franca - wordt de taal waarmee de Nederlanders zich op het internationale podium staande kunnen houden. Het Nederlands blijft de taal voor 'thuis'. Op zich is dit helemaal niet zo nieuw. Allerlei volken hebben een geschiedenis waarin meertaligheid en assimilatie heel gebruikelijk zijn.

In Europa leeft een grote groep mensen die is opgegroeid met een moedertaal, een vadertaal en soms ook nog met een derde regionale taal die niet de taal van de ouders is. Zelf behoor ik tot die groep. Er is geen reden waarom een klein land niet ook tweetalig kan zijn en een sterke voertaal kan integreren in het eigen leven en de eigen cultuur. Op veel plaatsen is dit het geval. In India bijvoorbeeld wordt op dit moment door veel meer mensen Engels gesproken dan in Groot-BrittanniŽ. Engels is daar de feitelijke taal waarin het officiŽle leven zich afspeelt; zo ver zal het in Nederland nooit komen.

Maar hoe staat het nu met het Duits als vreemde taal voor Nederlanders? Ze verstaan het natuurlijk, spreken het goed of wat minder goed, hoewel nooit foutloos omdat het systeem van verbuigingen zo gecompliceerd is. De moeder van Karl Marx, die uit Nijmegen kwam, had het daar al moeilijk mee.

Het Duits is bovendien de taal van de onbegrensde mogelijkheden. Woorden kunnen worden samengesteld en begrippen en zinnen laten zich zo construeren dat zij voor een buitenlander meestal te hoog gegrepen zijn. Dat was zelden zo sterk het geval als in de huidige 'verwetenschappelijkte' samenleving waarin ook de quasi-wetenschap goed gedijt. In Duitsland spreekt iedere leek als een vakman, terwijl de vakman in Nederland juist zijn best doet voor elke leek begrijpelijk te zijn.

In het verleden is de moeilijkheidsgraad van het Duits geen belemmering gebleken voor het gebruik als omgangstaal. Hongaren en verwante Slavische volken in de oude Donau-monarchie spraken deze lingua franca naar beste vermogen. De Oostenrijkers herkenden feilloos hun typische fouten, de etnische accenten - die zelfs in de libretto's van operettes verwerkt werden. In Tessin, het zuidelijke deel van Zwitserland, spreekt een groot deel van de bevolking Duits.

Het zou een esthetisch en autoritair vooroordeel zijn te denken dat een taal principieel correct en onberispelijk gesproken dient te worden. Dan zou er geen internationale en interculturele communicatie mogelijk zijn. Vreemde talen worden nu eenmaal niet helemaal perfect gesproken. Het onderwijs zou zich vooral op die 'communicatieve' taalbeheersing moeten richten.

Veel Nederlanders, zo wordt gezegd, ervaren het Duits als omslachtig, log, bombastisch, onberispelijk, theatraal, gekunsteld, ambtelijk en scherp (ik heb de termen niet verzonnen). Het Duits zou al in een eenvoudig gesprek didactisch en belerend klinken. De vraag of en in hoeverre de Duitse taal - objectief beschouwd - dergelijke eigenschappen heeft is ondergeschikt; het gaat erom hoe de Nederlander ze ervaart.

Nederlanders klagen vaak over de grofheid van hun taal, over het gebrek aan beschaafde uitdrukkingsvormen, over 'slordigheid', over het gebrek aan intellectueel gehalte en 'sophistication'. Huizinga spreekt van een latent wantrouwen tegenover preciese formuleringen. Beschaafde uitdrukkingsvormen worden snel opgevat als geaffecteerd of als een teken van gewichtigdoenerij. Iedere Nederlander eist het recht zo te spreken als hij zelf wil, zo wordt wel gezegd.

Rusteloos

De scheiding der geesten openbaart zich bij het waardeoordeel over deze vaststellingen. Daar tekent zich een breed spectrum af, van rechts naar links, van een klaagzang over de 'taalverloedering' tot een emancipatoire rechtvaardiging en literaire opwaardering van het platte, alledaagse taalgebruik. Het effect van de recente ondermijning van het 'Algemeen Beschaafd' is hier nog zichtbaar. De verheven taal werd door de hervormers van het jongste verleden verworpen als elitair en uit de tijd. Taboes werden doorbroken en de puriteinse samenleving openbaarde zich in een nieuw licht. Een buitenlandse waarnemer schreef toendertijd dat de onverbloemde woordkeuze als bewijs van de nieuwe vrijheidszin zou gaan gelden.

Enkele kenners van de Nederlandse cultuurgeschiedenis hebben uiteengezet dat al halverwege de vorige eeuw een latente afwijzing van Duitse cultuurinvloeden waarneembaar was. J.L. Heldring schreef bijvoorbeeld dat tijdens de opkomst van Duitsland, de creativiteit, wetenschap, kunst en muziek in het buurland werden bewonderd, maar dat de Duitse samenleving voor de Nederlanders geen snob appeal had. Oude, welgestelde families hadden Engelse kindermeisjes, Franse gouvernantes en Duitse kokkinnen. Duitsers vond men vaak - en daar hebben ze ook zelf weer boeken over geschreven - rusteloos en onberekenbaar. Daarom vreesde men de opkomst van Duitsland als politieke grootmacht. De economische betrekkingen waren al in de tijd van het Keizerrijk verbonden met het gevoel van 'kwetsbaarheid' en politieke afhankelijkheid. Heldring schreef bovendien dat Nederlanders heimelijk het gevoel hebben meer overeenkomsten met Duitsers te delen dan hen lief is. Als voorbeeld noemde hij de hang naar ordening, werkdrift en andere 'Duitse' deugden.

Ook de taal had natuurlijk genoemd kunnen worden. Nederlanders zouden een sluimerend gevoel van minderwaardigheid hebben, als het gaat om het Duitse vermogen abstracte analyses van verbanden, theorieŽn en formuleringen te verwoorden. Een kern van waarheid gaat daar zeker in schuil, al zal het nader onderzocht moeten worden.

Zoals het Duits kan verleiden tot hoogdravendheid, zo heeft de Nederlandse taal de neiging om onder de beschutting van een voor buitenlanders ontoegankelijk eigen taalgebied tot banaliteit te leiden. Zwitserse auteurs, ongeacht of zij nu in het Duits, Frans of Italiaans schrijven, moeten zich toch altijd richten naar de grote voorbeelden van de drie taalculturen. Nederlandse schrijvers werken echter voor een lokaal publiek, dat welbeschouwd een kleine Familie Doorsnee is.

Hoe nauwer de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland werden, des te meer moesten Nederlanders leren communiceren met Duitsers, dat wil zeggen, zij moesten de taal leren. Al doende maakten zij zich de taal eigen en vaak gebeurde dat slecht. Dat is minder ongewoon dan men zou denken. Veel meer Nederlanders moeten immers Duits leren dan andersom het geval is, of ze het nu leuk vinden of niet. Nederlanders hebben een reputatie van meertaligheid op te houden. Zij zijn het echter omdat ze het moeten zijn, wat absoluut niet wil zeggen dat ze daarmee automatisch ook een voorbeeld van welbespraaktheid zijn.

De klemmende vraag is nu hoe in het kader van het Duitse taal- en literatuuronderwijs het 'imago' van het buurland verbeterd kan worden. Op dat punt ben ik wat sceptisch. Taaldocenten, ben ik geneigd te zeggen, zouden er eerst voor moeten zorgen dat hun studenten de taal goed leren en met die kennis de juiste toegang tot het buurland vinden. Dat is een belangrijke culturele opgave, als ze op de juiste wijze wordt aangepakt en tegelijk met de taal ook de literatuur van het land kan overdragen. Maar er zijn restricties, en dat moet vooral in Nederland met nadruk worden vastgesteld. Zadel leerkrachten, docenten, vakgroepen, programmacommissies en samenstellers van studieboeken niet op met de expliciete taak het bewustzijn te vormen. Dat zou een terugkeer betekenen naar de aloude Nederlandse zendingsdrang, de morele missie, een nieuwe versie van het geŽngageerde taalonderwijs dat de hervormers van de jaren zeventig op het oog hadden.

Natuurlijk gaat het niet alleen om de literatuur als esthetische ervaring. In wezen gaat het om de problemen waarmee wij in de moderne wereld worden geconfronteerd, een turbulente wereld vol gevaar, onzekerheid en enorme opgaven. Deze opgaven kunnen wij alleen gezamenlijk aanpakken, en zij zijn nog veel belangrijker dan het beeld dat wij wederzijds van elkaar hebben gevormd. Wellicht wordt dat beeld ook wel beter als wij nog meer met elkaar te maken krijgen.