Ik privatiseer ook

De universiteiten moeten de markt op, de ziekenhuizen moeten commercieel gaan werken en het onderwijs moet worden geprivatiseerd. Dat moet niet van mij. Het is meer een algemeen soort moeten - een anonieme maar alomtegenwoordige drang. De brutaalsten gaan voorop en niemand durft ze nog tegenspreken (dat is het nieuwe). De doordouwers dwingen hun collega's dezelfde richting in en denken zelf dat ze ook maar die kant op gestuurd zijn. De markt moet, maar dat moet van niemand. Zo werkt de markt.

Het zet al flink door. In het zeventiende-eeuwse hoofdkwartier van de Oost-Indische Compagnie waar ik werk zijn in de antiek betegelde gangen reclameplaten opgehangen voor deodorants en bankzaken. Dat lijkt me onverstandig. De universiteit bestaat van pretentie en prestige. De waarheidsaanspraak is zo'n wetenschappelijke pretentie en die wordt er voor de studenten niet geloofwaardiger op als ze al bij de ingang worden voorgelogen over okselgeur en balieservice. Een universitaire studie is een moeizame manier om intellectuele inspanning om te zetten in maatschappelijk prestige: de academische titel. Dat aanzien wordt er niet groter op wanneer de wanden worden beplakt als in een stationswachtkamer.

Het zijn maar kleinigheden. Ze zijn dus beslissend. Tekens aan de wand. Ook mijn faculteit is in zaken gegaan en heeft pardoes vier miljoen verloren. Niemand is daar aansprakelijk voor. Dat zijn aanloopkosten is mij uitgelegd, en enkel maar een boekverlies. (Maar wie van de bibliotheek een boek verliest moet prompt en terecht de schade vergoeden.) Nu langzamerhand haast alles tegen dagprijs wordt afgerekend ben ik benieuwd geraakt naar mijn eigen marktwaarde.

Hoe doe ik het op de vrije markt, zonder bescherming van de staat, een vaste aanstelling en een ambtenarenpensioen? Dat kan uit de personeelsadvertenties blijken. Ik zet meteen hoog in: directie- en kaderfuncties.

'Young executive die de top bereikt 120 à 200.000' belooft de kop. Daar valt over te praten. Dat zal dan moeten met een 'Strategisch adviesbureau met grote renommé door de kwaliteit en de waarde van de adviezen met impact'. Van Dale houdt het op 'renommee', een eerste advies met impact kan ik ze dus al meteen verstrekken. Maar nu is het strategisch bureau nog aan het woord: 'De draagkracht wordt getekend door analytisch en samenwerkend vermogen, door gefundeerd dejà-vu en wezenlijk inzicht, door client-base en mondiale netwerken.' Nu al bekruipt mij het gevoel dat ik in een gekkenhuis beland ben, maar dan zo een met hoogpolig tapijt en gecapitonneerde deuren, waar geesteszieke prinsen van den bloede discreet worden afgezonderd. Doorzetten. 'Talenten met het talent het eigen talent intelligent en betrokken te gebruiken.' Hier moet steller dezes even aan zichzelf gedacht hebben en vast niet aan mij.

Ik ga liever voor 'Krachtige stempelzetter 150.000 plus.' Dit is beeldspraak, het gaat niet om stempelmakers, of stempelaars, want: 'slank en slagvaardig is het credo, Creativiteit en 'gutfeel' doen opgeld.' Het lijkt potdorie wel een kunstkritiek. Slank en slagvaardig doe ik 'gutfeel' bij het afval-engels.

Maar ook tragiek gloort onverwacht tussen de regels: 'Handelsmaatschappij, dochter van een beursgenoteerde onderneming...' Dat is toch doodzielig, zo'n moedermaatschappij die in het gedrang en het geduw helemaal beurs genoteerd is.

Ik zoek verder naar mijn eigenwaarde op de arbeidsmarkt. Kan ik op voor 'resultaatgerichte relatiebouwer'? Dat is meer iets voor een rokkenjager. Even later voel ik mij aangesproken: 'Een ondernemend, zakelijk, integer en ontspannen mens.' Me voilà, ten voeten uit.

We zijn nu in de rubriek boven de twee ton, waar ik me eigenlijk meteen al thuis voel: 'sterke initiator, een people manager, onderhandelingsvaardig, uitermate flexibel, een alerte, positieve sparring partner.' Dat ze nu uitgerekend mij moeten hebben. Ik ga het helemaal maken. Ik stoot mijn verliesgevende activiteiten af, laat me beursnoteren, ga eindelijk eens rationaliseren en leg mijn kostenplaatje voor. Heren, strikt discreet, van referentie 1193, hier is uw man.

Uit die advertenties proef je dat de tijd van de slampampers, baliekluivers en vreters uit de staatsruif voorgoed voorbij is. Een nieuwe bries blaast je tegemoet, de hete lucht van scheerwater en kale kak en opengebarsten windbuilen, waarin de overhemden strak opbollen en de woorden vanzelf de half-open mond uitwaaien. Het is, dat is onmiskenbaar, de geest van een nieuw Reveil.

Het zakenleven is allang niet meer alleen maar materiële wereld, het gaat daar om nieuwe geestelijke waarden. Dit is niet zomaar peptalk, dit is evangelisatie, hier predikt een andere voorhoede die de natie naar nog onbekende einders gidsen zal.

Ook het Westen heeft zijn fundamentalisten, die onverbrekelijke trouw gezworen hebben aan de neo-klassieke economie, die al hun zaligheid verbinden aan het bedrijfsresultaat en hun zondebesef uitboeten in kostenbeheersing.

In deze annonces worden niet zozeer medewerkers gezocht maar zielen geworven, verwante zielen, vervuld van missiebesef. Het spreekt vanzelf dat zij twee ton, een kwart miljoen moeten verdienen. Mensen die over zulke, haast niet te verwoorden eigenschappen beschikken, die hun nagenoeg ondefinieerbare kwaliteiten willen inzetten voor het bedrijfsbelang, die zijn eigenlijk niet met geld te belonen. Wie van vijftig mille rond moet komen zal nu toch zelf ook wel begrijpen dat hij niet thuishoort op de welhaast mystieke hoogten waar deze uitverkorenen hun offers brengen. Loof de baas en prijs de zaak.

Hierbij beveel ik mijn sollicitatie in uw welwillende aandacht aan.