Het went A. de Swaan nov 1994


mijn woon en werkverkeer duurt dagelijks op de kop af elf minutem. van de gracht over de amstel naar de Kllof en de Spinhuissteeg in / Het vaste pad van een grachtengordeldier. Ik hoor tot het slag Amsterdammers dat zijn telefoonnumer opgeeft zinder de 020 erbij te neomen, want dat spreekt toch vanzelf

In de routebeschrijfing klinkt een ondertoon van opschepperij. Dat is - in het jargon van de literatuurhistorie - een subtekst van het grote stadsvertoog. Stadsewonders bieden tegen elkaar op met verhalen van gevaren en misstanden van grootseedse leven. Daarmee laten ze ook doorschermeren dat zijnin die wildernis de weg weten en er kunn overleven, als zeelui op de wilde vaart.


Opeens ligt een man bloedend op het trottoir voor de slahgerwinkel en twee mannen in de portiersjasjes van het CASino om de hoek sgtaan doodgemoederd op hem in te schoppen met het dof geluid van laarzen op een mensenlijf. Dat went niet.