COLUMBUS, EEN BEKEERDE JOOD

Zeilen der hoop door Simon Wiesenthal 232 blz., H. J. W. Becht 1992, derde druk (Segel der Hoffnung, 1972, vertaling Max de Metz), f 29,50 ISBN 90 230 0765 4

"Was de ontdekkingsreis van Christoph Columbus in werkelijkheid een vlucht voor pogroms? Tijdig voor de 500ste verjaardag van de ontdekking van Amerika presenteert Simon Wiesenthal de opzienbarende resultaten van zijn onderzoekingen.' Zo lanceerde eind vorig jaar het Berlijnse Ullstein Verlag het Columbusboek Segel der Hoffnung van de drieëntachtig-jarige strijder tegen racisme, die wereldfaam heeft verworven met het opsporen en voor de rechter brengen van nazi-misdadigers.

"Tijdig' is Wiesenthals boek zeker, want het is al twintig jaar geleden geschreven en in Nederlandse vertaling ook al in 1973 uitgekomen. Maar dat betekent niet dat het boek nu geen goede bijdrage aan het Columbusjaar zou zijn.

Wiesenthal schrijft met passie en dynamiek over de achtergronden van de eerste beroemde ontdekkingsreis, die Cristóbal Colón op 3 augustus 1492 met drie schepen ondernam. Hij doet dat niet zomaar. Jarenlang onderzoek heeft hem tot de overtuiging gebracht dat Columbus' reis niet los kan worden gezien van de jodenvervolging, die in Spanje in 1391 begonnen was en in 1492 haar hoogtepunt bereikte met het op 31 maart 1492 door de koningen Ferdinand en Isabella uitgevaardigde decreet, waarin alle joden in Castilië en Aragon bevolen werd deze landen voor augustus van dat jaar te verlaten.

Door deze jodenvervolging was er volgens Wiesenthal grote belangstelling in joodse kring in Spanje ontstaan voor het ontdekken van een korte (zee-)weg naar Indië. Daar zouden volgens verschillende reisverhalen die toen overal de ronde deden grote joodse gemeenschappen zijn, ja zelfs joodse rijken, gesticht door een of meer van de "tien verloren stammen van Israel'. Joden, die aan hun geloof vasthielden en daarom weg moesten uit Spanje, waren natuurlijk sterk geïnteresseerd in landen, die hun als toevlucht zouden kunnen dienen.

Maar ook de bekeerde joden, de conversos, hadden die belangstelling. Ondanks hun vaak schitterende posities in de bankwereld, in de wetenschap en aan het hof werden zij geregeld door de Inquisitie van de Spaanse katholieke kerk vervolgd, gemarteld en vermoord, en in elk geval financieel uitgekleed ten bate van zowel de kerk als de schatkist van het koningspaar. En helemaal bestond deze belangstelling bij de Marranen, joden die zich hadden laten dopen en voor de vorm katholiek waren geworden, maar in het geheim de joodse riten bleven volgen. Zij waren permanent in gevaar te worden gesnapt, wat meestal de dood op de brandstapel tot gevolg had. Nu, vierhonderd jaar later, zijn er nog Marranen in Portugal, die de Sabbat, Pesach, Jom Kippoer en Poeriem in het verborgene vieren, zonder rabbi's en zonder contact met andere joodse gemeenschappen. De Franse televisie heeft een tijd geleden over zo'n Marranengemeenschap in het Portugese plaatsje Belmonte een ontroerende documentaire vertoond.

SLAGEN OM DE ARM

Wiesenthal is ervan overtuigd dat Columbus afreisde niet om Indië te ontdekken, zodat Hunne Zeer Katholieke Hoogheden Ferdinand en Isabella het christelijke geloof konden gaan verbreiden overzee, maar omdat de joden in Spanje hoopten dat hij een uitwijkplaats voor hun door antisemitische uitspattingen geplaagde gemeenschap in Indië zou weten te vinden. Daarom financierden prominente conversos zoals Luis de Santangel en Juan Cabrero de expeditie van Columbus (de vorsten hadden al hun, overigens voor een flink deel van de rijke joodse gemeenschap afgeperste, geld uitgegeven aan de oorlog tegen de Moren). Daarom was naar schatting dertig procent van Columbus' bemanning joods en ging er geen katholieke priester mee op de ontdekkingsreis, maar wel een joodse tolk, die hebreeuws en Arabisch kende.

Op een aantal punten houdt Wiesenthal nog een slag om de arm. De joodse afkomst van Columbus acht hij niet bewezen; wel somt hij alle aanwijzingen in die richting van Cristóbal Colóns familieachtergrond op en wijst hij op het vaststaande feit dat de ontdekkingsreiziger verbluffend goed thuis was in het Oude Testament en andere joodse literatuur. De veel geciteerde en op vele manieren uitgelegde uitspraak van Columbus, ""Ik ben de dienaar van precies dezelfde God, die David zijn hoge ambt schonk', wordt natuurlijk vermeld evenals het biografische gegeven dat Columbus in Portugal langere tijd werkte als cartograaf, een in die tijd door joden beheerst specialisme.

Maar toch gaat Wiesenthal minder ver dan de Spaanse niet-joodse historicus Salvador de Madariaga, die in zijn beroemde biografie van Columbus (in 1940 verschenen) concludeerde dat Columbus uit een joodse familie stamde, die zich tot het katholicisme had bekeerd.

Wiesenthal zou Wiesenthal niet zijn als hij alleen maar een (zoveelste) bijdrage had geleverd aan de discussie over de achtergronden, het doel en de opzet van Columbus' ontdekkingsreis. In die discussie mengt hij zich zelfs niet expliciet. Op de biografie van de Madariaga gaat hij niet direct in, ook al steunt dit boek voor een deel zijn visie. De stelligste tegenstander van de opvatting dat Columbus joods zou zijn geweest en op zoek naar een toevluchtsoord voor het vervolgde joodse volk: de in Amerika zeer gerespecteerde historicus Samuel Eliot Morison wordt door Wiesenthal in zijn hele boek zelfs niet genoemd - hij komt alleen voor in de literatuurlijst. Misschien omdat Morison in zijn Admiral of the Ocean Sea (1942) elke theorie à la die van Wiesenthal "ridiculous' vond?

Hoe dan ook, Morisons visie op Columbus als een diep gelovig katholiek, die in zijn aantekeningen schrijft over de christelijke opdracht die hij van Hunne Zeer Katholieke Hoogheden had gekregen om de "afgodendienaren van India te gaan bekeren tot ons Heilig geloof' (een visie, ook gevolgd door Daniel Boorstin in zijn The Discoverers uit 1983) laat Wiesenthal voor wat zij waarschijnlijk voor een groot deel was: mooipraterij en huichelarij.

Ook Columbus moet zijn opgevallen dat Ferdinand en Isabella zich vooral hadden doen kennen als roofzuchtige, geldbeluste vorsten. En hoe Columbus de Indische "afgodendienaren' moest gaan bekeren zonder één priester aan boord is ook niet duidelijk. Er zijn trouwens genoeg aanwijzingen dat Columbus heel goed wist waar het Ferdinand en Isabella vooral om ging: om het Indische of Japanse goud, waarover Marco Polo had bericht, en om uitbreiding van de macht van het Spaanse rijk.

JUDENREIN

Wiesenthals boek is dan ook niet zozeer een expliciete bijdrage aan de historische discussie over Columbus als wel een dramatische schildering van de jodenvervolging in het Spanje van de vijftiende eeuw, die in haar racisme, fanatisme en gruwelijkheid een regelrechte voorloper was van de "Endlösung der Judenfrage' in het Derde Rijk van de nazi's. Ook vier eeuwen geleden in Spanje speelden rassentheorieën een rol (de "Ariër-Nachweis' werd toen uitgevonden), ook toen brutale vervolging en tenslotte een koninklijk decreet om Spanje geheel "judenrein' te maken. Naar schatting 300.000 joden vluchtten voor 3 augustus 1492 weg uit Spanje.

De rooms-katholieke kerk in Spanje was de grote motor achter de jodenvervolging, die vaak verder ging dan de vorsten, die zich uit eigenbelang hadden omgeven met wel of niet bekeerde joodse bankiers, artsen en adviseurs, welkom was. Wie kan vermijden een lijn door te trekken naar het zwijgen van de rooms-katholieke kerk in de Tweede Wereldoorlog over de jodenvervolging door de nazi's en de misselijk makende rol die enige priesters en prelaten in het Vatikaan speelden bij het helpen vluchten van nazi-misdadigers, die na 1945 gezocht werden? (Zie Ernst Klee: Persilscheine und falsche Pässe, 1991; of Rena Giefer/Thomas Giefer: Die Rattenlinie, 1991)

Wiesenthals Zeilen der hoop is dus geen boek dat de feestvreugde bij de 500-ste verjaardag van de ontdekking van Amerika zal verhogen. Die gebeurtenis markeert natuurlijk de fascinerende overgang van het tijdperk der kruistochten naar dat van de ontdekkingen op alle terreinen in de Renaissance en daarna. Maar zij markeert ook het begin van een nieuwe era van Europese moorddadigheid. Veertig jaar na de aankomst van Columbus op de Caraïbische eilanden was er geen Indiaanse inboorling op die eilanden meer in leven. En niet, zoals Amerikaanse historici lange tijd over hun "unbewältigte Vergangenheit' beweerd hebben: omdat de inboorlingen ziektes, waar zij niet tegen bestand waren, van de "Europese gasten' hadden opgelopen, maar door het geweld en de bruutheid van de christelijke kolonisten.

Bisschop Las Casas, de eerste biograaf van Columbus, rapporteerde erover na terugkeer uit de Nieuwe Wereld (een vertaling, De verwoesting van de West-Indische landen, verscheen deze week bij de SUN). Hij pleitte voor een betere behandeling van de inheemse bevolking en raakte daardoor onmiddellijk in het rijk van Hunne Zeer Katholieke Hoogheden in ernstige moeilijkheden.