Inspraak

de Volkskrant, Binnenland, 17 december 1994

JAN BLOKKER

MAG DE koningin meepraten over wie ergens haar commissaris wordt?

Nee, kennelijk.

Met ministers kan ik me daar nog iets bij voorstellen. Natuurlijk zou ze Ritzen, of Pronk, en vermoedelijk ook Dijkstal, Zalm of Van Mierlo zelf niet gekozen hebben - maar ja: constitutionele monarchie, mevrouw! Ze zou in particuliere gesprekken hoogstens laten merken dat ze de uitverkorene minder mag, of in haar wekelijkse ontmoeting met Kok (hoe vreselijk voor een vorstin) laten doorschemeren dat ze liever van die lui af zou willen.

Maar je hoort de premier parmantig - en altijd met de verongelijktheid die hij heeft overgehouden van zijn vakbondsverleden - terugzeggen: U heeft gemakkelijk praten, majesteit, want u bent onschendbaar. Maar ik ben verantwoordelijk.

Het ergst moet ze het gehad hebben als, in het vorige kabinet, zo iemand als Relus ter Beek op visite was.

'Maai', begon hij altijd, 'Jestijd. Demob. Ieleeen. Heid.'

En dan was ze altijd nog zo humaan en zo constitutioneel geweest om niet haar honden of haar Zwitserse lijfwacht op dat ding los te laten.

Wie schetst het gat dat zij in de lucht sprong toen paars hem niet herbenoemde?

'Leuk is misschien anders', zou ze volgens sommige bronnen tegen Claus hebben gezegd, 'maar die ben ik tenminste kwijt.'

Voorhoeve was als dwerg met reuzenstem natuurlijk ook vreselijk - Trix is tenslotte een gezonde, mooie vrouw - maar als de nieuwe bewindsman van Defensie kwam binnengalmen, dacht ze altijd gauw aan de vorige, en dan viel hij nog mee.

Ter Beek!

Had ze op haar verjaardag die haar verjaardag niet was, in om het even Goejanverwellesluis, Reimerswaal, Slenaken of Dedemsvaart ooit iemand van welke zakloop-, ringsteek-, mastklim-, of jutkopvereniging ooit ontmoet die er zo dom, zo stupide, en zo tot niets in staat en dus zo ongeschikt uitzag als hij?

Ze dacht vijf dagen na, en ze wist: nee.

Niet dat ze een hartsvriendin was geweest van die Margreet de Boer die nu - de wanhoop van kereltje Wallage! - het een of andere departement had gekregen.

Maar wie nu? Wie haar man, desnoods haar vrouw, maar haar gouverneur-generaal in Assen? Haar lievelingsprovincie zou het nooit worden, Drenthe. Maar zij herinnerde zich vaag iets van Meppel en van Emmercompascuum en van Gasselternijeveen, of was dat Groningen? Niet het allerleukste van het koninkrijk - maar erg genoeg om aan Ter Beek over te laten?

'Kun je niet weigeren', had haar gemaal nog gevraagd toen de jobstijding op haar ontbijtbord kwam.

'Helaas', zei ze.

'Maar het is toch niet een constitutionele bewindsman?', hield Claus aan.

'Ik heb nergens meer iets over te vertellen, dat weet je toch?', gooide zij woedend haar ontbijt voor de lakeien.

'Lieve', probeerde hij nog maar ze was al weg.

Ter Beek.

Je ziet hem al staan op het bordes van het provinciehuis, niet eens met een ketting om, want die is voor de burgemeester, dus in niets te onderscheiden van de andere provincialen, maar wel op de verhoging die hem al sinds de dagen van Nieuw-Links voor ogen zweefde: primissimus inter pares.

'Maai', zou hij zijn toespraak beginnen.

En alleen aan de gezichtsuitdrukking van Beatrix zullen we kunnen aflezen dat ze het met de benoeming nooit eens is geweest.

Maar wat moest ze?

De koningin heeft niets te vertellen.