Elsbeth Etty

Literaire kritiek als journalistiek genre

De literaire kritiek in de massamedia is een bedreigd genre geworden. Critici moeten zich steeds vaker verantwoorden. Hun taak is om tegenover de commerciŽle heisa - nogal smerig vermengd met geld, roem, macht of prestige - onverstoorbaar inhoud en ideeŽn te plaatsen.

In 1932 mengde Virginia Woolf zich met een ironisch getoonzette brief aan de hoofdredacteur van de New Statesman in het debat over hoge cultuur versus lage cultuur. Nu wilde het geval dat een recensent van de New Statesman in de bespreking van een boek van Virginia Woolf had verzuimd te vermelden dat zij een highbrow schrijfster was. Die omissie verbaasde haar zeer. Het was namelijk gebruikelijk in besprekingen van het werk van Woolf te vermelden dat zij in de Londense wijk Bloomsbury woonde. En dat zei alles. In Bloomsbury woonden veel kunstenaars en intellectuelen, een geestelijke elite die tot op de dag van vandaag wordt aangeduid als de Bloomsbury groep.

Virginia Woolf schreef aan de hoofdredacteur van de New Statesman dat zij, op het gevaar af al te eigendunkelijk te lijken, aanspraak maakte op de betiteling highbrow. Literatuur mocht wat haar betreft gerust worden gerekend tot het terrein van culturele elites. Zij voelde zich meer thuis in het overdrachtelijke Bloomsbury dan in een geestelijke sloppenwijk.

Zij definieerde highbrow als `de man of de vrouw van volbloed verstand die op zijn geest dwars door het open veld galoppeert in de op een '. Daarom, zo voegde ze er aan toe, ben ik altijd zo trots geweest op de naam highbrow. Maar dat betekende volstrekt niet dat zij neerkeek op lowbrows, over wie ze schreef: `Met lowbrow wordt vanzelfsprekend een man of vrouw bedoeld van volbloed vitaliteit die gezeten op zijn of haar lichaam door het leven rijdt op naar een bestaan.'

Highbrow en lowbrow waren haar even lief. Maar waar ze niet tegen kon, en waar ze zich fel tegen afzette, dat was de middlebrow, `de man of vrouw van halfbloed verstand die nu eens aan deze kant van de heg kuiert en slentert en dan weer aan de gene, niet op naar ťťn enkel doel, de kunst of het leven zelf, maar naar allebei, onduidelijk en nogal smerig vermengd met geld, roem, macht of prestige'. De literatuur is een voortdurende jacht op ideeŽn en de literaire kritiek, een voorlopige poging om kaf van koren te scheiden, heeft als primaire taak de ideeŽn waar de schrijvers in galop op afstormen, in het vizier te krijgen en onder de aandacht te brengen. Dat wil zeggen: ook wie literaire kritiek bedrijft mag zich niet laten afschrikken door het verwijt een culturele elite te dienen of daar zelfs toe te behoren.

Vijftien jaar geleden betoogde mijn collega-criticus Arnold Heumakers in een lezing over literaire kritiek aan de Universiteit van Groningen dat het wantrouwen jegens onafhankelijke intellectuelen of hoe men schrijvers en critici ook aanduidt, in onze huidige democratische maatschappij verdwenen was. Zelfs aan de meest rechtse borreltafel viel er geen kwaad woord meer over hen te vernemen en ook in het linkse kamp, waar de onafhankelijke intellectueel nog wel eens het verwijt van elitarisme naar het hoofd geslingerd kreeg, was de kritiek op deze mensensoort volgens hem verstomd.

Helaas is deze constatering niet meer van toepassing. Het wantrouwen tegen culturele elites is helemaal terug. Voor een definitie van dat begrip kan men te rade gaan bij de Rotterdamse hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur Henri Beunders. Naar aanleiding van de grootscheepse uitvaart van volkszanger Andrť Hazes stelde hij iedereen tot de culturele elite te rekenen die zich over dergelijke evenementen verbaast of er zich in negatieve zin over uitlaat. Na de televisieverkiezing van de grootste Nederlander aller tijden, waarbij alle highbrows uit de geschiedenis het aflegden tegen Pim Fortuyn, stelde Beunders vast dat de culturele elite `zich blijkbaar te goed voelde voor deze show', maar zichzelf daarmee wel buiten spel plaatste. `Het is van tweeŽn een', vindt hij: `of intellectuelen trekken zich terug uit de heisamediawereld in het literaire en academische arcadia, of men mengt zich echt in ``de strijd om de cultuur'''.

Ik kan deze laatste aanbeveling onderschrijven, maar dat impliceert niet, zoals Beunders impliciet bepleit, een aansluiting bij de middlebrow in gÍnante tv-shows of populistisch vermaak. Liever volg ik het pleidooi van Virginia Woolf om tegenover de commerciŽle heisa in de media - nogal smerig vermengd met geld, roem, macht of prestige - onverstoorbaar inhoud en ideeŽn te blijven plaatsen. Dat is een eis die aan schrijvers en hun uitgevers gesteld kan worden. Maar het is ook een kwaliteitsnorm die men kan aanleggen in de journalistiek. Niet het minst in de literaire kritiek, die ik primair beschouw als een journalistiek genre en ook als zodanig wil bespreken.

De literaire kritiek in de massamedia is onderdeel van de genoemde cultuurstrijd en we moeten ons ervan bewust zijn dat in die strijd de literatuurkritiek een bedreigd genre is. Als kijk-, luister- en oplagecijfers en de daaraan gerelateerde opbrengsten maatgevend zijn voor het culturele leven, gaat dat linea recta ten koste van de literaire kritiek en de cultuuroverdracht in de media in het algemeen. Dat proces is al tijden gaande, we zien het zich onder onze ogen voltrekken. Kijk naar de regionale dagbladen, waar serieuze literaire kritiek vrijwel volledig is afgeschaft of getrivialiseerd en verbannen naar amusementsbijlagen.

Het om commerciŽle redenen trivialiseren van literatuur en daarmee van de literaire kritiek is een internationaal verschijnsel. Twee jaar geleden kreeg de Amerikaanse thrillerkoning Stephen King een prestigieuze prijs van de National Book Foundation, bestaande uit vertegenwoordigers van mediaconcerns en uitgeverijen. Het moest in hun ogen maar eens afgelopen zijn met elitaire literatuuropvattingen. `Wij moeten onze voorstelling van wat literatuur is verbreden. Wij moeten onbevangen zijn, zonder ons af te vragen wat er wel of niet bijhoort', stelde de Book Foundation in een verantwoording. Een commentator in de Frankfurter Rundschau vroeg zich naar aanleiding van de King-affaire af waar critici het eigenlijk het recht vandaan halen zich een oordeel aan te matigen over wat literatuur is en wat niet.

In een notendop is dit het probleem van de literaire kritiek als journalistiek genre. Het is trouwens ook een samenvatting van de kritiek op de klassieke, niet op infotainment gebaseerde journalistiek in het algemeen. De journalistiek heeft haar vanzelfsprekende gezag verloren en kampt in toenemende mate met een geloofwaardigheidsprobleem. Dat luidt: hoe legitimeert u zich, wie geeft u het recht informatie te selecteren op het belang ervan? Dit legitimatieprobleem geldt in de kunstkritiek des te meer, omdat daarbij per definitie subjectieve oordelen in het geding zijn.

Hoe komen critici tot hun oordeel, wie geeft hun eigenlijk het recht om te bepalen wat wel en geen literatuur is, wat de moeite waard is en wat net zo goed ongelezen kan blijven? Wat iedere literatuurliefhebber, criticus of niet, weet, is dat literatuur bij machte is mensen te verontrusten, te verbazen, in verwarring te brengen, en vooral nieuwe gezichtspunten en ideeŽn te bieden. Niemand kan uitleggen wat kunst is, maar het is wel uit te leggen waarom het werk van Stephen King niet literair genoemd kan worden. Hij schrijft volgens een vaste formule. De lezer wordt op zijn wenken bediend, hoeft geen inspanning te leveren, is verzekerd van `herkenning'. King voldoet precies aan de verwachting van de lezer die door zijn werk wordt vermaakt, zonder er nieuwe inzichten aan te ontlenen.

Pretentieloosheid en toegankelijkheid zijn de `bindende criteria' voor de formuleschrijvers van de populaire fictie. Daar is niets tegen, het is ook geen slechte literatuur, het is gťťn literatuur, het is entertainment.

Juist omdat er geen objectieve criteria zijn om vast te stellen wat literatuur is en wat niet, moet de criticus zich verantwoorden. Dat is geen nieuw probleem, de literatuurkritiek als bemiddelaar tussen auteur en publiek ligt al sinds haar bestaan onder vuur.

De meeste critici leggen trouwens wel degelijk verantwoording af over de criteria die ze hanteren. In de eerste plaats impliciet, in hun recensies, maar ook expliciet: in oraties, gepubliceerde lezingen, interviews en essaybundels zetten zij hun werkwijze uiteen. Een handzaam boekje is Alle schrijvers hebben gelijk, gesprekken met literaire critici van Wil Thijssen uit 1998. Daarin beantwoordde Bas Heijne de vraag hoe hij een boek beoordeelt als volgt: `Wat wil dit boek, dat is de eerste vraag die een criticus zichzelf moet stellen. En daarna: wat wil deze schrijver, als hij tenminste al eerdere boeken op zijn naam heeft staan. Wanneer hij het antwoord op die vragen denkt te weten, kan de criticus aan de slag. Pas als hij een boek doorgrond heeft, kan hij beoordelen of een boek zijn inzet ook waarmaakt. Als hij van mening is dat dat niet het geval is, kan hij ook uitleggen waarom niet.' Arnold Heumakers antwoordde op dezelfde vraag dat hij geen `vaste criteria' in gedachten heeft als hij een boek ter recensie krijgt. Wel probeert hij drie standaardvragen in het hoofd te houden: `De eerste vraag is wat het boek wil zijn. Wat pretendeert het? De tweede vraag is of een roman erin slaagt datgene te realiseren wat hij wil zijn. En de derde vraag luidt of de criticus de pretentie van het boek interessant genoeg vindt.'

Nu moet ik erbij zeggen dat Heumakers de eerste vraag - `wat wil het boek' - onmiddellijk problematiseert. Hij voegt er namelijk aan toe dat het doel van een boek evenzeer door de schrijver als door de lezer wordt bepaald. `Een criticus mag dus nooit rekening houden met de bedoelingen van de auteur, tenzij die expliciet uit het boek blijken. Kunst heeft een eigen waarde, literatuur vertegenwoordigt een autonome werkelijkheid. Wat ik daarmee doe, kan totaal anders zijn dat wat de schrijver ermee betoogt. Ik wťťt niet wat de schrijver wil. Misschien weet de schrijver dat zelf niet eens. Een goed boek heeft veel meer betekenissen dan de auteur ooit bedoeld heeft.'

Literatuurwetenschap en literatuurkritiek staan daarbij niet los van elkaar, ze vullen elkaar aan, beÔnvloeden elkaar en lopen in elkaar over. Geen enkele literaire journalist kan zich permitteren theorie en traditie af te wijzen. Tegelijkertijd dient een literair criticus die voor een krant werkt terdege te beseffen dat hij voor een breed publiek van `leken' schrijft.

Een echo van een antitheoretische opvatting klinkt na in het boek van Hans Goedkoop Een verhaal dat het leven moet veranderen, waarin hij bewerkingen van zijn eerder in NRC Handelsblad verschenen recensies bundelde. Een mooi en inspirerend boek, in de stukken over schrijvers en hun oeuvres. Maar in de beschouwingen over literaire kritiek onderschrijft Goedkoop het vooroordeel dat veel literaire recensenten boekenhaters zijn die zich vastklampen aan op de universiteit aangeleerde literatuurtheorieŽn. Om de literaire kritiek uit een door hem gesignaleerde malaise te helpen, adviseert hij critici `dat hele pak aan literaire theorie dat zo aan waarde heeft ingeboet en dat we niettemin halfhartig blijven meesjouwen', eens aan de kant te zetten om weer eens als nieuw naar literatuur te kunnen kijken. Goedkoop noemt het de voornaamste taak van de criticus zich af te vragen wat het boek met hem doet en hij met het boek. `Je zult schaamteloos en egocentrisch aan jezelf moeten denken, ik, ik, ik, want jij en niemand anders bent de maat der dingen hier.'

Ik ben het oneens met Goedkoops afwijzing van theorie en traditie. Weliswaar kan zo'n houding - zoals hijzelf heeft bewezen - boeiende essays opleveren, maar wat het niet oplevert is een paradigma voor de literaire kritiek. Recenseren wordt dan een vorm van new journalism. De beoefenaars daarvan menen dat de beschrijving van de persoonlijke beleving van de werkelijkheid de meest betrouwbare vorm van verslaggeving oplevert. Maar voor de literatuur geldt niet minder dan voor de politiek, de sport, de economie, dat de journalistieke waarneming en selectie niet uitsluitend een resultaat van persoonlijke ervaring zijn. De journalistieke werkwijze impliceert een poging tot objectivering, zelfs al kan zoiets nooit meer dan een streven zijn.

Vanuit mijn beroepsachtergrond en ervaring in de dagbladjournalistiek behandel ik bij de vraag welke criteria een criticus hoort te hanteren, in de eerste plaats journalistieke criteria. Een van de belangrijkste eisen die aan een journalist worden gesteld, is dienstbaarheid aan de lezer. De analyse, evaluatie en primaire beoordeling van een boek helpen de lezer zich te informeren en maken hem deelgenoot van een interpretatie. Aan recensenten moeten - behalve specifieke deskundigheid - de eisen worden gesteld die voor alle vormen van journalistiek gelden: onafhankelijkheid, onbevangenheid, onpartijdigheid en fair play.

Eerst en vooral de onafhankelijkheid. Naarmate de financiŽle belangen gemoeid met het literaire bedrijf groter worden, is de nadruk op de onafhankelijkheid van critici des te noodzakelijker. In de bestsellercultuur moet de literaire kritiek het meer dan ooit hebben van deze onafhankelijkheid. Wil zij haar geloofwaardigheid bewaren, dan moeten recensenten zijn als de vrouw van Caesar: onkreukbaar. Dus geen toezeggingen aan uitgeverijen over plaats en omvang van een interview met een auteur in ruil voor een primeur of exclusiviteit, geen snoepreisjes of andere bonussen. Literaire uitgeverijen zijn niet verheven boven pressiemiddelen als een advertentieboycot. Bovendien is het een feit des levens dat literaire uitgeverijen vaak behoren tot hetzelfde concern als dag- en weekbladen en tijdschriften, wat tot belangenverstrengeling kan leiden.

Evenmin zijn recensenten heilige boontjes. De regel is dat een recensent geen band met de auteur van een te bespreken boek mag hebben. Al was het alleen maar om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden. In een klein taalgebied als het Nederlandse is dit moeilijk vol te houden. Toch is distantie geboden. In een door een select publiek gelezen literair tijdschrift is het misschien mogelijk dat essayisten schrijven over het oeuvre van bevriende schrijvers, maar zelfs in zulke gevallen is het gewenst dat een auteur van zo'n essay zich over die verwantschap expliciet uitspreekt en geen onpartijdigheid veinst.

Uiteraard staan in de literatuurkritiek, zowel bij de selectie van de te recenseren boeken als bij de beoordeling ervan, artistieke criteria voorop. Die zijn niet te objectiveren. Voor de meeste critici geldt dat zij bij voorkeur boeken recenseren die hen aanspreken. Het geeft meer voldoening te bewonderen dan af te kraken. Uiteraard hoort bij het genre dat er ook wel eens negatief geoordeeld moet worden. Maar - en dat is weer een journalistieke eis - wie meent het resultaat van de creatieve inspanningen van een ander te mogen afkeuren, verplicht zich tot een grondige motivering, waarbij de schijn van betweterij en arrogantie zoveel mogelijk moet worden vermeden.

Helaas is in de hele journalistiek, ook in de literaire kritiek, een tendens te bespeuren die ik `vercolumnisering' noem. Nieuwsberichten, analyses en recensies worden steeds persoonlijker en zeggen vaak meer over de schrijver dan over het onderwerp. Uiteraard moet er in een kwaliteitskrant ruimte zijn en blijven voor persoonlijk getinte essayistiek en voor columns. Als de genres maar duidelijk worden onderscheiden. Literaire critici kunnen naast hun core business, het recenseren van boeken, in principe elk journalistiek genre beoefenen, inclusief het interview, het portret, de necrologie.

Ik leg de nadruk op het journalistieke aspect van de literaire kritiek, en heb deze mede behandeld als een vorm van dienstverlening aan het publiek. Dat is niet hetzelfde als popularisering. Laat staan populisme. Literaire kritiek is idealiter een vorm van antipopulisme, een antidotum tegen de vervlakking, de vercommercialisering en de exploitatie van de smakeloosheid.

`De waarheid' bestaat niet in de literatuur. Onze bijdrage aan het onderzoeken en beoordelen van literaire producten kan hooguit leiden tot het peilen van wat een schrijver tot zijn waarheid rekent. Dat is de functie van literaire kritiek, die in haar op ideeŽn per definitie highbrow is en die, zonder enige minachting te koesteren voor lowbrow entertainment van het genre Stephen King, er naar moet blijven streven onderscheid te maken tussen wat literatuur is en wat niet en met kracht van argumenten te verwerpen wat zich aandient als kunst maar neerkomt op kitsch.

Viginia Woolf eindigde haar brief aan de hoofdredacteur van de New Statesman als volgt: `Heb ik u nu duidelijk gemaakt waar het me om gaat, namelijk dat naar mijn mening de ware strijd niet tussen highbrow en lowbrow is, maar tťgen de bloedeloze en verderfelijke plaag die ertussen zit?'

Info:

Dit is een bekorte versie van de oratie die Elsbeth Etty vandaag heeft uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarschap literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Foto-onderschrift:

Zonder titel, een schilderij van Susan Rothenberg (1979) Uit `Susan Rothenberg, Paintings and Drawings, Rizzoli, 1992